Het Spoor Terug

Afscheid van Indië 2, Indiëweigeraars

Het Spoor Terug

Afscheid van Indië 2, Indiëweigeraars

Tweede deel van de tiendelige serie 'Afscheid van Indië', over de strijd van Nederland om het behoud van de kolonie Indië, een strijd die tussen 1945 en 1949 werd gevoerd.
In deze aflevering: de vervolging, berechting en detentie van dienstweigeraars.
Tussen 1946 en 1949 zijn meer dan 100.000 dienstplichtigen naar Indonesië verscheept, om ingezet te worden tijdens de politionele acties tegen het Republikeinse leger van Soekarno. Ruim 6000 weigerden aanvankelijk. Uiteindelijk ruim 2000 kwamen vanwege hun weigering voor de krijgsraad. Hoewel het aanvankelijk grondwettelijk niet mogelijk was om dienstplichtigen zonder hun toestemming naar overzeese Rijksdelen te sturen, veroordeelde de krijgsraad de weigeraars tot straffen van maximaal 5 jaar. Ondergedoken weigeraars werden nog tot eind jaren 50 vervolgd. Gratie werd, in tegenstelling tot bij de oorlogsmisdadigers, nooit verleend.
Interviews met:
- Jan van Luin. Eind 1946 ondergedoken, na een oproep om met de eerste lichting dienstplichtigen Hij werd begin 1950 opgepakt en tot 2½ jaar veroordeeld;
- Aafje van Luin, echtgenote van Jan van Luin. Zij trouwt met hem tijdens detentie in Schoonhoven;
- Dick Kopjes Nieman, die dienst weigerde en tot drie jaar werd veroordeeld. Hij werd tewerkgesteld in Limburgse mijnen, tezamen met SS'ers;
- Joost van der Gijp, reserve-officier tijdens de Tweede Wereldoorlog, weigert om als kader mee naar Indië te gaan en wordt eerste weigeraar veroordeeld. Van der Gijp zit 3 jaar uit in de strafgevangenis Scheveningen en heeft nog jaren last van 'brandmerk'. Hij vindt moeilijk werk en wordt achtervolgd door BVD.
- Jhr. Mr. C.H. Beelaerts van Blokland, werd als dienstplicht reserve-officier die Tropen-ongeschikt verklaard. Beelaerts van Blokland vervangt als jurist enige tijd de president van de Militaire Krijgsraad te Velde West en krijgt dan de eerste Indië-weigeraars, waaronder Joost van der Gijp, te behandelen. Geïllustreerd met het 'Schoonhoven-lied' en 'Spijkerboor-lied', gezongen door Geert van Polen, Roelof Ris en op mondharmonica begeleid door Wil van Kempen.

Inleidende teksten:
TEKST 1 De bevrijding, die Nederland op 5 mei 1945 beleeft, betekent niet dat de oorlog dan voorbij is. Een maand later hebben 120.000 vrijwilligers zich al gemeld om actief deel te gaan nemen aan de bevrijding van het Indische deel van ons Koninkrijk. Vorige week hoorden we in het eerste deel van deze 10-delige serie van het Spoor terug over de Indische nasleep van de Tweede Wereldoorlog hoe deze vrijwilligers stonden te trappelen om "ons" Indië van de Jappen te gaan bevrijden. Eindelijk de kans voor onze jongens om ook eens een oorlog te winnen. Maar de stemming slaat al snel om als op 14 augustus 1945 Japan capituleert. Wat zal de taak worden van de Nederlandse soldaten nu Indië niet meer bevrijd hoeft te worden ? Veel vrijwilligers bedenken zich op het laatste moment, en al spoedig is de regering genoodzaakt om 120.000 dienstplichtigen voor Indië op te roepen. 6000 van hen weigeren aanvankelijk om zich in te laten schepen, en willen hun handen niet vuil maken in een koloniale oorlog. De grootste militaire ongehoorzaamheid sinds de muiterij op de 'Zeven Provinciën' is een feit. Vandaag gaat het Spoor terug over de ruim 2000 jongens, die ondanks de enorme psychische druk in hun weigering volharden. Tot de laatste man zullen ze worden berecht. Ook Jan van Luin, die in de oorlog 1½ jaar ondergedoken heeft gezeten om aan de Arbeidsdienst te ontkomen, krijgt een jaar na de bevrijding het bericht dat hij voor z'n nummer naar Indië moet. Zijn beslissing over al dan niet gaan, staat vanaf het begin vast.
TEKST 2 Daarmee begint voor Jan van Luin een jaar na de bevrijding opnieuw het illegale leven, waaraan hij tijdens de bezetting al gewend was. Een bijkomend probleem voor de regering is het gebrek aan kader om de dienstplichtigen op te leiden en om als officier naar Indië te gaan. Joost van der Gijp kwam al in 1938 in dienst, en vocht in mei 1940 10 dagen lang tegen de Duitse invallers. Omdat jongens met gevechtservaring in Indië hard nodig zijn, krijgt Van der Gijp in september 1946 een herhalingsoproep en wordt verplicht om met de eerste lichting dienstplichtigen 'de 7-december Divisie' scheen te gaan.
TEKST 3 Behalve Pootjes, ageert ook de in 1946 opgerichte Vereniging Nederland-Indonesië tegen het zenden van troepen. Binnen de politiek is geen steun: ook al blijkt uit een enquête dat maar 43 % van de bevolking voorstander is van het uitzenden van troepen. Zelfs de CPN, de enige partij die stelling neemt tegen het Indië-beleid van de regering, roept niet op tot desertie. Beter een communist in het leger dan daarbuiten, zo is hun redenering. Om een halt toe te roepen aan de massale desertie, richt Generaal Kruls op 21 september 1946, 3 dagen voor het vertrek van de 7-december Divisie, een laatste waarschuwing tot de weigeraars.
TEKST 4 De rechter die Joost van der Gijp als eerste Indië-weigeraar veroordeelt is Jonkheer Mr. Beelaerts van Blokland. Als dienstplichtig reserve-officier is Beelaerts ongeschikt verklaard, waarna hij de twijfelachtige eer krijgt om zijn juridische opleiding op de weigeraars te beproeven. Het beroep dat door sommigen op de grondwet gedaan wordt, brengt hem heel even aan het twijfelen.
TEKST 5 De ontkenning van politieke motieven past precies in de strategie die justitie toepast. De weigeraars worden afgeschilderd als "zielige boerenjongens met horizonangst". Als ze eenmaal die plas maar over zijn, komt alles wel in orde. Naar politieke motieven wordt niet gevraagd, en ook de toegevoegde advocaten komen liever met persoonlijke dan met politieke argumenten. Nadat eenmalig een groep van 43 weigeraars met geweld de boot is opgestuurd in afwachting van hun berechting in Batavia, gaat men er vanaf 24 oktober 1946 toe over om de weigeraars onder te brengen in het zogenaamde Depót Nazending Indië in Schoonhoven. Na een aanvankelijk zachte benadering neemt de geestelijke en fysieke druk in dit kamp snel toe, zoals Dick Kopjes Nieman in 1949 merkt.
TEKST 6 Omdat de kampen duur zijn, en er een hoop werk te doen is bij de wederopbouw van het vaderland, krijgen de weigeraars het voorstel om te gaan werken in de Limburgse mijnen. Beloftes als een goede verlofregeling en betere verdiensten worden niet nagekomen, zoals Dick Kopjes Nieman in Eygelshoven merkt. Wel zit hij er opgescheept met SS'ers en NSB'ers, die eveneens in de mijnen tewerkgesteld zijn.
TEKST 7 Ondertussen zit Jan van Luin nog steeds ondergedoken in Amsterdam. Gedekt door de Eenheids Vak Centrale werkt hij er in de scheepsbouw, waar hij, het noodlot tergend, onderhoud verricht aan de troepentransportschepen. Hij bouwt er de kooien in, waarin soldaten met zogenaamde "tropenkolder" worden teruggebracht. Vier jaar duurt zijn illegale bestaan, tot na het vertrek van de laatste dienstplichtigen.
TEKST 8 Voor Jan van Luin heeft de arrestatie één voordeel: Nu hij weer officieel bestaat, kan hij ook trouwen. In het depót Schoonhoven krijgt hij te horen dat hij een reisje mag maken.
TEKST 9 Als na 1950 het aantal gedetineerde weigeraars langzaam afneemt, wordt de speciale inrichting 'Bankenbosch in Veenhuizen gesloten,en mogen de overgebleven jongens naar Vught. Voor Jan van Luin gaat de oorlog daar weer verder, als hij te maken krijgt met Duitse oorlogsmisdadigers, die een heel aparte behandeling krijgen.
Tekst 10 Ondertussen zijn de politieke discussies over het Indië-beleid zo hoog opgelaaid, dat nog steeds niemand zich druk maakt om de gedetineerde weigeraars. Als één van de weinigen stelt de communist Benno Stokvis, die als advocaat voor weigeraars is opgetreden, in december 1951 Kamervragen aan de ministers van Justitie en Oorlog. De gratiegolf die aan Duitse oorlogsmisdadigers ten deel valt is de aanleiding.
Tekst 11 vervalt.
TEKST 12 Ook Joost vd Gijp krijgt geen gratie. Hij zit drie jaar geheel uit in Scheveningen. Als hij vrijkomt merkt hij dat de herwonnen vrijheid niet betekent dat de problemen ten einde zijn. Het brandmerk van een crimineel blijft zichtbaar.
TEKST 13 Geen enkele weigeraar ontsnapt aan het justitieel apparaat. Eind 1958 krijgen de allerlaatste onderduikers een hernieuwde oproep voor militaire dienst, om te voorkomen dat hun straf verjaart. Wie opgepakt wordt, komt alsnog voor de rechtbank. Niet zonder trots verklaart luitenant mr. Van Erk die de meeste deserteurs heeft veroordeeld, dat Nederland het enige land ter wereld is dat zijn oorlogsdeserteurs tot de laatste man heeft berecht. Ook na het verlies van Indië bleek Nederland dus in staat om weer iets groots te verrichten.

Uitgebreidere documentatie aanwezig in VPRO archief