De coronacrisis heeft het reservoir met strafzaken doen vollopen. Hoe werk je die achterstand weg zonder de rechten van verdachten, slachtoffers en nabestaanden aan te tasten?

Er is een overeenkomst tussen Jos B., Keith B. en Nabil B. Nee, niet hun achternaam en ook niet het feit dat ze bekende verdachten zijn. Wat hun bindt is dat de rechtszaken waarin zij een rol spelen een flinke vertraging hebben opgelopen door de coronamaatregelen. En niet alleen in deze high profile processen: op 17 maart gingen de deuren van de Nederlandse rechtbanken voor bijna alle zaken dicht. Sindsdien wachten tienduizenden verdachten op het moment dat ze zich alsnog voor de rechter moeten verantwoorden. 

Het zou nog best eens héél lang kunnen duren voor dat het zover is. De weggevallen rechtspraak was misschien niet het meest in het oog springende probleem toen de ‘intelligente lockdown’ begin maart van kracht werd, maar nu duidelijk is geworden dat er gedurende de afgelopen twee maanden wekelijks maar liefst 5000 zaken achter in de rij moesten aansluiten, is het een precair onderwerp bij leden van de rechterlijke macht. Samen met de politie, reclassering en het gevangeniswezen zoeken de rechters naar een oplossing. ‘Want als we niets doen, werken we deze berg nooit meer weg’, laat een bij die gesprekken betrokkene aan Argos weten.  

Vier mensen verwond

De eerste verhalen over verstrekkende gevolgen verschenen begin april in de pers. De Telegraaf meldde dat de voorlopige hechtenis van sommige verdachten werd geschorst vanwege de coronacrisis; hen nog langer in het huis van bewaring laten wachten op hun zaak achtte de rechter onredelijk. In Zwolle werd bijvoorbeeld een man vrijgelaten die in oktober 2019 op een terras in Deventer vier mensen had verwond met zijn auto en die wordt verdacht van poging tot doodslag. En in Den Bosch mocht een vrouw naar huis die jarenlang een verstandelijk beperkte vrouw als prostituee had geëxploiteerd.  

Begin mei meldde NRC Handelsblad op basis van een vertrouwelijk politierapport dat er inmiddels 40.000 strafzaken on hold stonden. Een ‘zeer onwenselijke ontwikkeling’ noemde Henk van Essen, de baas van de Nationale Politie, dat in de krant. De korpschef vond dat de Raad voor de Rechtspraak ‘te rigoureus’ hadden gehandeld toen ze de zittingszalen half maart sloot en riep op de rechtbanken te heropenen. 

In Oost-Nederland sprak een verslaggever op anonieme basis met officieren van justitie, die ook baalden van het eenzijdige besluit van de zittende magistratuur. ‘Dit kan niet. Achter de kassa wordt toch ook gewoon door gewerkt?’ Ze vrezen dat de rechter straks volop zaken seponeert en verdachten naar huis stuurt omdat het domweg te lang duurt. Bij Nieuwsuur gaf Rinus Otte, lid van het college van procureurs-generaal, toe dat het al een paar keer was gebeurd dat een zaak was geseponeerd. ‘Het kan nu even niet anders. We moeten de afweging soms wat anders maken. Soms zal dat zijn met een sepot, maar als dat beleid wordt, zullen we het doen met optimaal zicht op de belangen van slachtoffers.’ 

En in het Parool lieten burgemeesters, onder wie Femke Halsema, weten zich grote zorgen te maken over de strafrechtelijke lockdown. ‘Nu de overheid extra bevoegdheden krijgt, is het belangrijk dat de rechterlijke macht zoveel mogelijk z’n werk kan doen.’ De burgemeesters stuurden een brandbrief naar de Raad voor de Rechtspraak om heropening te overwegen. Dat kan ook gemakkelijk, meende de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten. Rechtbanken zijn groot genoeg om aan alle veiligheidsvoorschriften te voldoen. ‘Rechtbank wordt eens wakker’, schreef misdaadverslaggever John van den Heuvel in zijn krant.  

Tegenoffensief

Het was olie op het vuur. De toch al geplaagde rechters – ze moesten zich in allerlei coronabochten wringen om zaken af te handelen die echt niet konden wachten – voelden zich onheus bejegend. Er volgde een tegenoffensief. ‘De gebouwen zijn weliswaar dicht voor publiek, maar de rechtspraak zelf werkt achter de schermen hard door’, liet Henk Naves aan de Telegraaf weten. En president van de Rotterdamse rechtbank Rotterdam Robine de Lange maakte ze zich kwaad in NRC Handelsblad. ‘Ik vind alle kritiek van de afgelopen weken op de rechtspraak heel pijnlijk en heel onterecht’. Ze noemt het ‘schadelijk voor de organisatie’ en zegt dat het ‘een volstrekt logische beslissing dat wij als rechterlijke macht besloten dat iedereen voor zover mogelijk thuis moest gaan werken.’ De Lange vindt dat de strafadvocaten boter op hun hoofd hebben, want die eisten bij het begin van de crisis ook ‘onmiddellijke sluiting van de rechtbanken omdat ze zittingszalen zagen als potentiële besmettingshaarden voor het coronavirus.’ 

En toen kwam het verlossende woord op 23 april. De rechtbanken gingen per 11 mei weer open, zij het voorzichtig. Daarmee is de achterstand allesbehalve snel weggewerkt, want de anderhalvemeterrechspraak kent vele beperkingen: spatschermen, looproutes, geen publiek, nauwelijks ruimte voor de pers. En het uitgangspunt is: we doen zoveel mogelijk op afstand. Ineens moest togadragend Nederland via Skype met verdachten in conclaaf. Dat kon via een spoedwet.  

Lichaamstaal

Iedereen blij? Nee. Vooral de advocatuur voelde zich bekocht. De rechten van hun cliënten waren in het geding als gevolg van de nieuwe maatregelen. Of zoals een advocaat in een regionale krant opmerkte: ‘Probeer maar eens een overtuigend pleidooi te houden met gebaren, lichaamstaal, mimiek en oogcontact met de rechters als de verbinding steeds verbroken wordt of er een vertraging van een paar seconden in het netwerk zit.’  

In Groningen ontstond een heuse rel toen een zaak tegen een verdachte van een overval in drie kwartier werd afgeraffeld omdat de videoverbinding maar beperkt beschikbaar was. Ook hier voelde de rechterlijke macht zich genoodzaakt officieel te reageren en de ophef te nuanceren. In Amsterdam zorgde het bekende strafpleiterskantoor Ficq & Partners voor reuring; vijf advocaten lieten weten niet aanwezig te zullen zijn bij de behandeling van de explosieve zaak tegen Ridouan Taghi en andere vermeende leden van diens organisatie, als de verdachten niet zelf op zitting zouden mogen verschijnen. Ze kregen hun zin; hun cliënten zijn welkom.

Politiebureaus niet ‘coronaproof’

Ook de manier waarop advocaten op het politiebureau hun werk moeten doen was de afgelopen weken voer voor discussie. De Nederlandse Vereniging Van Strafrechtadvocaten (NVSA) deed onlangs in een brief aan de politie haar beklag over de situatie ‘op een deel van de politiebureaus’. In de brief schrijft voorzitter Jeroen Soeteman dat spreek- en verhoorkamers vaak zo klein zijn dat advocaten en cliënten zich onmogelijk aan de 1,5-metermaatregel kunnen houden.

Aanleiding voor de brief is een regen aan klachten vanuit de strafadvocatuur. Soeteman maakte de problemen ook zelf mee. “Als je het politiebureau binnenwandelt en een kamer binnengaat dan zie je meteen: dit is niet conform de voorschriften.” Volgens Soeteman ligt het niet aan de lokale politie. “Zodra we dit melden bij de lokale politie zeggen zij dat het van hogerhand komt. ‘Wij gaan er niet over’, zeggen zij tegen ons.”

De oplossingen die door de politie zijn bedacht om veilig te kunnen werken zijn volgens de NVSA vooral bedoeld voor de eigen medewerkers. Zo zijn op bureaus in de afgelopen twee maanden volop plexiglas schermen geplaatst in de verhoorkamers. Deze staan tussen de verdachte en de agenten in, maar niet tussen de advocaat en de verdachte. Soeteman begrijpt niet waarom: “als je één scherm kan ophangen kan je er ook twee ophangen”.

Het alternatief om telefonisch rechtsbijstand te verlenen, houdt volgens de NVSA onvoldoende rekening met de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en hun cliënten. Bellen moet via de intercom in de cel van de cliënt, waardoor de rest van het cellencomplex gemakkelijk mee kan luisteren. Volgens de advocaten is het lastig om op deze manier een vertrouwelijk gesprek te voeren. Bovendien, schrijft de NVSA, kan de advocaat zijn cliënt nauwelijks verstaan door de harde galm in de cel. 

Hoe lastig je elkaar verstaat kun je hieronder zelf beoordelen, in een video van strafrechtadvocaat Jan Visscher:   

Enorme prop

Kortom, het waren tumultueuze weken in rechtsprekend en -vragend Nederland. Wat deze crisis pijnlijk blootlegt is een structureel probleem in wat heet ‘de strafrechtketen’. Die was al veel langer verstopt. Nog begin dit jaar liet Gerrit van der Burg, de ’super PG’ en baas van het OM, weten dat de justitiële pijplijn vast is gelopen met 22.000 achterstallige zaken en waar hij zich geen raad mee wist. Dat was dus ruim vóór de crisis. Daar is nu een enorme prop bijgekomen. 

Het OM en de rechterlijke macht lieten deze week aan Argos weten dat er snel maatregelen aankomen. Van pragmatische tot hele drastische. Bijvoorbeeld minder rechters op één zaak; of meer standaardstraffen en -boetes. Eentje die ook al door meerdere strafrechtdeskundigen is geopperd: afdoeningen. Laat het Openbaar Ministerie meer samen met de verdachte en zijn advocaat afhandelen, eigenlijk een deal maken over de straf, een beetje op z’n Amerikaans. Dat kan alleen maar voor zaken waar geen gevangenisstraf op staat en het gebeurt nu ook al, maar dat instrument zou nog veel meer kunnen worden gebruikt en zal de druk op rechters flink verminderen, menen voorstanders.  

En de meest vergaande oplossing: een generaal pardon? Alle oude strafzaken schrappen, zodat de rechter met een schone lei kan beginnen? Het is hier en daar al voorzichtig geopperd, maar druist in tegen ieders rechtsgevoel en zal vermoedelijk niet worden gepikt.  

Hoe ver willen onze juridische bestuurders gaan?

Luister naar een debat over de oplossingen voor de crisis in het strafrecht. Met Rinus Otte, lid van het college van procureurs-generaal; Petra van Kampen van de Orde van Advocaten en strafrechthoogleraar Theo de Roos.