Jeugdige delinquenten verharden en hun problemen zijn steeds complexer, merken ze in de justitiële jeugdinrichtingen. Dat vraagt veel van het personeel. Argos sprak met algemeen directeur Hariët Pinkster en pedagogisch directeur Corinne Peeters van de Rijks Justitiële Jeugdinrichting. ‘Het is een gevolg van verregaande individualisering.’

Over wie praten we?

Peeters: ‘Het zijn jongeren die het op heel jonge leeftijd heel zwaar voor de kiezen hebben gekregen. In veel verschillende opzichten. Als je hun dossiers leest, springen de tranen echt in je ogen. In die tijd waren ze slachtoffer en ze zijn natuurlijk ergens dader geworden. En de daden van deze jongeren liegen er ook niet om. Maar het feit dat ze in inrichtingen als de onze terechtkomen, is eigenlijk afschuwelijk. Ik vind dat wij als medewerkers alles op alles moeten zetten om het tij te keren. Wij proberen dagelijks deze jongeren nieuwe kansen te bieden. Dat is een heel moeilijke klus. Als het al achttien jaar tegen heeft gezeten in je leven en je het idee hebt dat iedereen erop uit is om jou tegen te werken, dan is het moeilijk om die mindset nog anders te krijgen. Onze groepsleiding, onze docenten en onze bewakers - iedereen die hier werkt - werkt daar met ziel en zaligheid aan.’

In hoeverre verandert de doelgroep?

Peeters: ‘Binnen heel de Justitiële Jeugdinrichting zie je een toename aan psychiatrische problematiek. Psychiatrische problematiek in de zin van psychoses of heel ernstig zelfbeschadigend of suïcidaal gedrag. We hebben afdelingen voor acute en chronische psychiatrische problemen. En op onze andere afdelingen zie je een toename aan persoonlijkheidsproblematiek. Dat valt officieel niet onder psychiatrie, maar het zijn wel jongeren met een verstoring in hun persoonlijke ontwikkeling. En met name met die groepen vinden incidenten plaats. Dat is ondertussen het grootste deel van onze doelgroep. Dus waar we vroeger nog wel jongens hadden met bijvoorbeeld opvoedproblemen, hebben we nu vooral jongeren met psychiatrische of persoonlijkheidsproblematiek.’

Hoe zorgt dat voor problemen?

Peeters: ‘De uitdagingen binnen de behandeling vind ik heel groot. Je ziet eigenlijk veel meer jongeren waarvan je zegt: er is blijvend sprake van een verhoogd recidiverisico. Dat zijn dilemma’s, want wat wordt de vervolgstap? Jongeren komen eigenlijk altijd de maatschappij weer in. Hoe moet je dat vormgeven zonder dat de maatschappij risico loopt? Wat wij proberen is om dan niet te focussen op verandering van binnenuit bij de jongere zelf, maar om een stabiele dagbesteding, woonplek en begeleiding aan te bieden.’

Weten jullie waar het vandaan komt?

Peeters: Ik weet niet zeker hoe het zit, maar mijn idee is wel dat de maatschappij verhardt. Je ziet buiten ook veel meer excessen in allerlei opzichten. En wij zijn natuurlijk de plek waar je uiteindelijk terechtkomt als je in een van die excessen zit.’

Pinkster: ‘In de maatschappij zien we veel meer weerstand tegen autoriteit en dat zien we hier ook. In het onderwijs zagen we de afgelopen jaren al meer incidenten. Denk aan steekincidenten op scholen. Daar zie je ook de verharding. We hebben er niet uitgebreid onderzoek naar gedaan, maar dit is het gevoel wat wij hier hebben.’         

Peeters: ‘Je ziet nu veel meer jongeren die in het hele vroege leven zulke ernstige schade hebben opgelopen in relatie tot anderen dat het zich echt heeft vastgezet in de persoonlijkheid. Dat noemen ze dan een persoonlijkheidsstoornis. In de justitiële inrichtingen in het algemeen tref je met name mensen vanuit een bepaald cluster persoonlijkheidsstoornissen. Bij dat cluster ontstaat er vanwege de stoornis altijd gedoe in de dynamiek met anderen. Zoals manipulatie, bedrog, aanvallen en pesten en middelenmisbruik.’

Wat betekent het voor de veiligheid?

Pinkster: ‘We zien in de laatste incidentenregistratie dat er een lichte teruggang is in de cijfers. Daar willen we nog kwalitatief onderzoek naar doen, want dit is niet het gevoel dat wij hebben.’

Peeters: ‘De trend is dat wij het gevoel hebben dat de agressie toeneemt. Dat kan verbale agressie zijn of fysieke agressie. Die zit vast aan die verharding van de doelgroep wat mij betreft. Waar mijn zorg zit, is dat de norm een beetje opschuift. Waar vroeger één keer iemand een groepsleider uitschold, dan was dat heel opvallend. Maar als jongeren je vaker uitschelden, schuift je norm dan niet op?’                

Geweldsincidenten

Vier verschillende inspecties trokken afgelopen oktober aan de bel over de kwaliteit van de behandeling, zorg en scholing van jongeren in de jeugdgevangenissen. De werkdruk is hoog en de veranderende doelgroep vraagt veel van het personeel. Dat staat ook in de jaarverslagen van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Daarin is de laatste 3 jaar een stijging van het aantal geweldsincidenten te zien.

Om het precies te weten hebben we afgelopen augustus naar de laatste cijfers en rapporten over het geweld gevraagd via een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob). Die gegevens liggen klaar, is ons verteld. Toch hebben we die nog altijd niet gekregen.

Spelen bezuinigingen op de GGZ een rol?

Peeters: ‘Er waren natuurlijk vroeger wel meer bedden bij de GGZ voor jongeren in de psychiatrie. En die bedden zijn er nu niet meer, dus jongeren worden veel meer in de thuissituatie begeleid en opgevangen. Dat is denk ik een goede beweging. Maar aan de andere kant zie je soms ook dat jongeren een delict plegen als er geen goede plekken voor ze zijn. Dat iemand bij ons terecht komt, die vroeger eerder in de psychiatrie was beland.’

Wat zou er moeten gebeuren?

Peeters: ‘Volgens mij doet iedereen echt z'n stinkende best. Daar hebben we geen twijfels over. Maar misschien moeten we met de kennis die we hebben van deze doelgroep, nu terugkijken. Denk dan aan het type hulp dat wordt geboden en de manier waarop deze hulp geboden wordt. Ik denk dat veel partijen zich hier het hoofd over breken. Volgens mij is het een gevolg van verregaande individualisering. En eigenlijk wil je toch weer terug naar de vroegsignalering en meer de verbondenheid in de maatschappij. Het zijn van die wollige algemene termen, maar daar zit wel de winst, denk ik.’