Argos

Glasscherven en duistere rituelen

Vorig jaar april startte Argos een onderzoek onder slachtoffers van georganiseerd seksueel misbruik. Meer dan tweehonderd mensen deelden hun verhaal via een online vragenlijst, die met behulp van verschillende experts is opgesteld. Deelnemers spreken openhartig over misbruik op sportclubs en internaten, over loverboys en sekten. Een deel van die verhalen leidde al tot een reeks ▾uitzendingen. Bij een ander deel hadden wij aanvankelijk de neiging de verklaringen aan de kant te schuiven. Te controversieel, te ongeloofwaardig.  

Honderdveertig van de verhalen zouden - als de aangevers zich bij de politie melden - het stempel ‘rituele kenmerken’ krijgen. Dat is seksueel misbruik, waarbij ook allerlei macabere aspecten een rol spelen. Satanische rituelen bij kaarslicht, martelingen, maar ook het ritueel offeren van baby’s.  

Het is in Nederland zo geregeld dat aangiftes met rituele kenmerken in een vroeg stadium moeten worden doorgestuurd naar de LEBZ – De Landelijk Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken van de politie. Het doel van de LEBZ is om valse beschuldigingen te voorkomen. Ze stellen dat noch in Nederland, noch elders in de wereld ooit bewijs is gevonden voor Ritueel Misbruik.  Onder rechtspsychologen is de opvatting dominant dat de gruwelijke herinneringen van slachtoffers niet authentiek zijn, maar worden aangepraat in therapie. 

Is dat wel zo? Moeten hun verklaringen niet net zo serieus worden genomen als ieder ander signaal van ernstig seksueel misbruik? Argos deed een jaar lang onderzoek naar de verhalen van slachtoffers, analyseerde de soms schokkende overlap in hun verhalen en toetste aan de hand van deskundigen in binnen- en buitenland de aannames over ritueel misbruik. 

Kamervragen

Lees hier de Kamervragen die door Attje Kuiken (PVDA) en Michiel van Nispen (SP) zijn ingediend naar aanleiding van de uitzending. Deze zijn door de Minister van Justitie & Veiligheid beantwoord. Er volgt op korte termijn geen onderzoek naar de aard en omvang van ritueel misbruik in Nederland. 

Over de rol, taken en verantwoordelijkheden van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken hebben Groenlinks-kamerleden Lisa Westerveld en Niels van den Berge kamervragen gesteld.

deskundigen over ritueel misbruik

                                                                                                                                                                                                                                                                      

Christel Kraaij

Klinisch psycholoog

Johannes-Wilhelm Rörig 

Duitse Nationaal Commissaris Kindermisbruik

Michael Salter 

Australische criminoloog

Claudia Fischer 

Duitse journalist

Bas Kremer

Bestuurslid Kenniscentrum TGG

Franziska Schubiger

Recherchechef

Susanne Nick

Klinisch psycholoog en onderzoeker

Wie zijn deze deskundigen?

Christel Kraaij

Klinisch Psycholoog

Christel Kraaij is klinisch psycholoog bij Transit, GGZ Centraal. Ze is gespecialiseerd in DIS – dissociatieve identiteitsstoornis.  

‘DIS staat voor Dissociatieve Identiteitsstoornis. Het is een gevolg van ernstig trauma in de vroege kindertijd. Vroeger werd het ook wel Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis genoemd. Een van de redenen waarom dat veranderd is, is omdat iemand gewoon een lijf heeft en een stel hersenen. Maar mijn cliënten beleven zichzelf als verdeeld. Het kan zo zijn dat zo’n deel ook controle neemt over het gedrag. Dan merk je bijvoorbeeld dat een volwassene ineens kinderlijk praat, of kinderlijke dingen doet. Of iemand wordt heel boos – wat niet past bij die persoon.’

Kraaij was betrokken bij het opstellen van de online vragenlijst die onder misbruikslachtoffers is verspreid. Zelf heeft ze ongeveer 15 cliënten behandeld die getuigden over Ritueel Misbruik. Ook bij andere TRTC’s (traumacentra) in Nederland zijn mensen in behandelingen die vertellen over langdurig, georganiseerd misbruik, met rituele kenmerken. Het gaat in totaal om zo’n 40 cliënten.

‘Mijn cliënten zijn hele normale mensen met hele normale banen. Ik zie geen enkele meerwaarde voor hen om dit te gaan vertellen. Dat wil niet zeggen dat ik tot op detail aanneem dat alles zo gegaan is – zij kunnen als kind ook voor de gek gehouden zijn, of zich iets verkeerd herinneren. Maar dat is iets anders dan dat hun verhalen compleet verzonnen zouden zijn.’ 

Johannes-Wilhelm Rörig

Nationaal Commissaris tegen Kindermisbruik (Duitsland)

Sinds 2011 werkt jurist en oud-rechter Johannes-Wilhelm Rörig als Unabhängiger Beauftragter für Fragen des sexuellen Kindesmissbrauchs. Op zijn initiatief is een onderzoekscommissie in het leven geroepen die de volle omvang en maatschappelijke impact van seksueel kindermisbruik in kaart brengt. Sinds 2016 zijn circa 1600 getuigenissen vastgelegd, waarvan 60 verhalen over georganiseerd, ritueel misbruik.

‘De commissie die dit onderzoekt bestaat uit zeer ervaren experts, vrijwel allen hoogleraar. Het zijn medici, seksuologen, pedagogen, maar ook een voormalige minister uit de Bondsregering. Mensen die veel onderzoekservaring hebben ook. Ik zie hoe aangedaan en geschokt ze zijn van wat aan hun gerapporteerd wordt. Het kost hun veel moeite om te verwerken wat ze te horen krijgen.   

Daarnaast ken ik persoonlijk vijf overlevers van ritueel geweld heel goed. Ik ken deze mensen al meer dan vijf jaar. Wij voeren regelmatig intensieve gesprekken hierover. Daarom twijfel ik er niet meer aan dat ook deze gruwelijke vormen van seksueel geweld bestaan.’

Michael Salter

Criminoloog

‘Door de media heerst er een stereotype dat verhalen over ritueel misbruik ronduit idioot zijn, of zelfs vergelijkbaar met ontvoeringen door buitenaardse wezens. Dit is absoluut niet het geval. Ik ben persoonlijk betrokken geweest bij onderzoeken waarin er op basis van forensisch bewijs onomstotelijk kon worden vastgesteld dat het om ritueel misbruik ging. Zo heb ik zelf crime-scenes gezien waar dierenbloed over de muren was gespoten en er overal symbolen getekend waren. In sommige gevallen waren dezelfde symbolen op de lichamen van de slachtoffers gebrand.’  

Michael Salter is als criminoloog verbonden aan de Universiteit van New South Wales in Australië en is expert op het gebied criminele netwerken en seksueel kindermisbruik.

Claudia Fischer

Journalist

Claudia Fischer is oprichter van de website Infoportal Rituele Gewalt. Een digitale databank waarin casussen in binnen- en buitenland, gerechtelijke vonnissen, maar ook wetenschappelijke onderzoeken op het terrein van ritueel misbruik wordt gedocumenteerd. Fischer snapt de maatschappelijke scepsis over dit onderwerp.  

'Ik begrijp dit, omdat het moeilijk is om dit soort gruwelijkheden te kunnen geloven. En tegelijk is dit ongeloof verbazingwekkend. We weten toch dat seksueel misbruik binnen religieuze organisaties wereldwijd een groot probleem is, of het nu gaat om de katholieke kerk, om Jehova’s getuigen of andere religieuze organisaties. (..) We weten dat mensen gevangen worden gehouden zonder dat de buren daar iets van merken. Neem het extreme geval van Natascha Kampusch in Oostenrijk, Dutroux in België of het geval dat jullie onlangs in Nederland hadden met die boerderij in Ruinerwold…En toch, als iemand zegt: ik heb dit soort zaken als kind meegemaakt en ik ben zwaar getraumatiseerd hierdoor dan wordt gezegd: dit kan niet waar zijn. Om te laten zien dat dit wel degelijk waar kan zijn, documenteren wij bij het Infoportal dit soort zaken.'  

Bas Kremer

Bestuurslid Kenniscentrum TGG

Bas Kremer is bestuurslid van het Kenniscentrum Transgenerationeel Georganiseerd Geweld, een onderzoeksbureau naar georganiseerd misbruik opgericht door hulpverleners met verschillende achtergronden. Daarnaast heeft hij een eigen praktijk in Groningen.

'Transgenerationeel Georganiseerd Geweld is geweld dat van generatie op generatie wordt doorgegeven.'

‘Het Kenniscentrum TGG doet onderzoek naar georganiseerd seksueel geweld in Nederland. Daarnaast probeert het kenniscentrum de expertise binnen de hulpverlening te vergroten door voorlichting te geven, symposia te organiseren en supervisie te bieden aan hulpverleners die hiermee te maken krijgen.’

Franziska Schubiger

Recherchechef

Franziska Schubiger werkt sinds 1992 bij de Kantonspolizei Zürich. Zij is chef van de afdeling algemene criminaliteit van de recherche. In 2014 deed Schubiger een studie naar verbeterde waarheidsvinding bij complex getraumatiseerde slachtoffers van seksueel geweld.

'Als het gaat om het horen van zwaar getraumatiseerde slachtoffers dan hebben therapeuten daar doorgaans veel meer kennis over dan de politie. Er zijn maar weinig experts op het gebied van DIS en er zijn ook maar weinig therapeuten die ervaring hebben met het werken met slachtoffers van Ritueel Misbruik. Daar moeten we zuinig op zijn. De politie moet open staan voor hun kennis.'

'Het behoort niet tot het takenpakket van een therapeut om aan waarheidsvinding te doen. En toch kunnen therapeuten, met inachtneming van hun beroepsgeheim, de politie helpen en kan de politie gebruik maken van de kennis van therapeuten.' 

Susanne Nick

Klinisch psycholoog en onderzoeker

Susanne Nick is als klinisch psycholoog en wetenschappelijk onderzoeker verbonden aan de universiteitskliniek Hamburg-Eppendorf. Ze is gespecialiseerd in complex trauma en dissociatieve identiteitsstoornis (DIS). Ze behandelt al bijna twintig jaar slachtoffers van extreem geweld. Nick deed onderzoek naar de ervaringen die professionele behandelaars en hulpverleners hebben met slachtoffers van georganiseerd ritueel geweld.

'Ze voelen zich machteloos. Ze voelen zich geïsoleerd. Er zijn weinig collega’s die verstand hebben van ritueel geweld. De opleiding is op dit specifieke terrein gebrekkig. Het is moeilijk om supervisie te vinden. En in de maatschappij wordt vaak met ongeloof gereageerd. Het is extra zwaar als slachtoffers nog in contact staan met de daders en proberen zich daarvan los te maken. Dit betekent dat de professionals dicht in de buurt van de georganiseerde misdaad komen. Dit ervaren zij als bedreigend.'

eerdere uitzendingen

Het verhaal van Lisa

waar het onderzoek begon

Soms is er een verhaal dat te bizar is voor woorden. Zo ook het verhaal van Lisa. Ze is 15 jaar als ze bij de politie aangifte doet van seksueel misbruik door haar vader en andere mannen in de Nieuwe Scheveningse Bosjes en in een cafe in Den Haag. Luister hier naar het hele verhaal →

 

 

 

 

 

Mocht Haagse rechter oordelen over kindermisbruik

foto werpt nieuw licht op het verhaal van lisa

Na de uitzending over het verhaal van Lisa ontving Argos een foto die nieuw licht werpt op de rol van een raadsheer van het gerechtshof in Den Haag. Luister hier de hele uitzending terug →

Waarheidsvinding in kindermisbruikzaken

hoe betrouwbaar is het menselijk geheugen?

Argos spreekt hierover met de Nederlands-Amerikaanse trauma-pionier Bessel van der Kolk, die weet wat trauma doet met hersenen. Geheugendeskundige Ineke Wessel, die voor het Landelijk Expertisecentrum Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) van de politie aangiftes analyseert en reageert op de eerste bevindingen van de enquête. Luister hier het hele gesprek terug →

 

 

 

 

 

 

 

Waarom Stefani en Beatrix hun eigen kinderporno willen vinden

een zoektocht naar beelden uit de jaren 80

Is het mogelijk om met moderne technieken als gezichtsherkenning de beelden die toen zijn gemaakt op te sporen? Met het fotoalbum van de zussen onder de arm maakt Argos een rondgang langs de teams die belast zijn met het vinden en het verwijderen van kinderporno. Luister hier naar zoektocht →

85% van de gevallen vindt plaats dicht bij huis

seksueel misbruik

In de familie, op school, online, op de sportclub, bij het uitgaan. We spreken over misbruik dicht bij huis met advocaat Richard Korver en klinisch psycholoog Iva Bicanic. Allebei pioniers in de strijd tegen seksueel misbruik. Luister hier naar het hele gesprek →

 

 

 

 

 

Reactie LEBZ

‘Bij alle voorgelegde dossiers gingen we serieus en zorgvuldig te werk’

Lees hier de reactie van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken op vragen van Argos.

De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) heeft geen interview willen geven over ritueel misbruik. De LEBZ heeft wel schriftelijk antwoord gegeven op de door Argos gestelde vragen.

Waarom is de LEBZ opgericht? 

Tot de jaren ’80 was er bij de politie weinig expertise op het gebied van zedenzaken. Veel aangeefsters werden onoordeelkundig tegemoet getreden. Mede onder invloed van de feministische beweging werd dit probleem onderkend. Er ontstond een meer slachtoffergerichte benadering, vastgelegd in de richtlijn De Beaufort (1986) en in de wet Terwee (1995). In de loop der tijd kregen aangeefsters recht op slachtofferhulp en kregen zij spreekrecht in de rechtszaal. Deze positieve ontwikkelingen hadden echter een keerzijde; de waarheidsvinding kwam soms in de verdrukking door de aandacht voor de aangeefsters.  

Ook in de wetenschappelijke wereld ontstond steeds meer belangstelling voor slachtoffers. Werd tot de jaren ’80 nauwelijks aandacht besteed aan slachtoffers, in de jaren negentig was er een explosieve groei van publicaties op het gebied van trauma’s en posttraumatische stressstoornis. Bijzondere aandacht was er voor het volledig verdringen en hervinden van schokkende gebeurtenissen, zoals seksueel misbruik. Binnen de wetenschappelijke wereld werden verhitte debatten gevoerd over de geloofwaardigheid van hervonden herinneringen. De sterk slachtoffergerichte houding van politie en justitie leidde, in combinatie met de wetenschappelijke debatten, in de rechtszaal tot heftige discussies tussen deskundigen van het openbaar ministerie aan de ene kant en deskundigen van de verdediging aan de andere kant (Nierop & Van den Eshof, 2010).

Bekende c.q. beruchte zedenzaken uit de jaren tachtig en negentig waarin niet-gesubstantieerde beschuldigingen een beschadigend effect op onschuldige burgers hadden, zijn de zaak Oude Pekela, de Bolderkar affaire, de Eper incestzaak en de zaak Lancee. In veel van deze zaken stonden deskundigen ter zitting lijnrecht tegenover elkaar.  

Om het belang van waarheidsvinding te benadrukken enerzijds en de strijd tussen de deskundigen te doorbreken anderzijds, vaardigde het College van procureurs-generaal in 1999 de Aanwijzing ‘Opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties’ uit. De kern van de Aanwijzing werd als volgt verwoord: ‘Sommige zedenzaken gaan nog te vaak gepaard met een emotionele benadering. Dat staat de professionaliteit soms in de weg’. In de Aanwijzing werd gesteld dat men in sommige gevallen zeer terughoudend moet zijn met het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld op grond van een enkele aangifte. De impliciete doelstelling van de Aanwijzing was: voorkómen dat personen die worden beschuldigd van seksueel misbruik al te lichtvaardig worden aangehouden, in verband met de enorme impact van een onjuiste beschuldiging op het leven van onschuldigen. 

Om de feiten die door de politie zijn verzameld in een opsporingsonderzoek nader te laten analyseren, is in 1999 door het College van procureurs-generaal de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) in het leven geroepen. Het coördinatiepunt van de LEBZ werd belegd bij het toenmalige Programma Moord en Zeden, van de Centrale Recherche Informatiedienst, in verband met de expertise op het gebied van zedenzaken en (seksuele) moordzaken. De inrichting, samenstelling en werkwijze van de LEBZ werd volledig overgelaten aan het coördinatiepunt.  

De LEBZ is een multidisciplinair samengestelde groep deskundigen. De LEBZ bestaat uit klinisch psychologen en orthopedagogen; cognitief psychologen en rechtspsychologen; ervaren zedenrechercheurs; recherchepsychologen (tevens rapporteurs). Voor deze multidisciplinaire samenstelling is bewust gekozen, om het risico op tunnelvisie te voorkomen en om ervoor te zorgen dat deskundigen met potentieel tegengestelde visies al in de opsporingsfase over een zaak van gedachten kunnen wisselen. De volledige LEBZ bestaat steeds uit in totaal 20-25 deskundigen. Per zaak wordt een adviesgroep samengesteld van vier deskundigen, afkomstig uit de verschillende disciplines.  

De LEBZ kan in de loop van de opsporingsfase worden geconsulteerd door officieren van justitie. Dit in tegenstelling tot gerechtelijke deskundigen, die pas worden geconsulteerd als een zaak voor de rechter komt. De LEBZ kan adviseren over nog te verrichten opsporingshandelingen, adviseren om over te gaan tot vervolging van de beschuldigde of adviseren om een opsporingsonderzoek te beëindigen. Officieren van justitie waren conform de Aanwijzing verplicht om de LEBZ in te schakelen ter beoordeling van bepaalde operationele zedenzaken, voordat vervolgingsbeslissingen ten aanzien van de beschuldigde werden genomen. Consultatie van de LEBZ was verplicht bij drie soorten aangiften: aangiften die aspecten vertonen van hervonden herinneringen, aangiften van seksueel misbruik gebaseerd op herinneringen van voor de derde verjaardag of aangiften met aspecten van ritueel misbruik. Daarnaast was facultatieve consultatie van de LEBZ mogelijk, bijvoorbeeld bij aangiften van seksueel misbruik dat naar voren komt tijdens conflictscheidingen. Het advies van de LEBZ aan de officier van justitie is niet bindend. Tussen 1999 en 2016 was de inzet van de LEBZ in diverse Aanwijzingen vastgelegd en zijn de inzetcriteria enigszins gewijzigd. Sinds 2016 is de inzet van de LEBZ vastgelegd in de Politie Instructie Zeden Kinderpornografie en Kindersekstoerisme. Aanvankelijk legden officieren vrijwel alleen verplichte zaken ter beoordeling voor aan de LEBZ, maar in de loop der tijd werden ook veel facultatieve zaken voorgelegd.  

 

Wat is de taak van de LEBZ?

De LEBZ verricht zelf geen opsporingsonderzoek, dit gebeurt door de politie. De politie vormt een dossier dat processen-verbaal van de aangifte, getuigenverhoren, informatie over eventuele hulpverlening, medische rapportages, etc. omvat en de officier van justitie legt dit dossier voor aan de LEBZ. De LEBZ beoordeelt een dossier tegen het eind van een opsporingsonderzoek, maar in principe nog voordat een eventuele verdachte is aangehouden.  

De leden van de vierkoppige adviesgroep bestuderen het dossier individueel. De zaak wordt tijdens een plenaire bespreking minutieus doorgenomen, waarbij alle leden van de adviesgroep de zaak vanuit hun eigen deskundigheid belichten. Vervolgens is er gelegenheid voor discussie. 

Bij de beoordeling van de zaak wordt niet alleen gekeken naar informatie die de aangifte ondersteunt (verificatie), maar ook naar informatie die strijdig is met de aangifte of een negatieve invloed heeft gehad op de ontstaansgeschiedenis van de beschuldiging (falsificatie). Vragen die in het kader van falsificatie aan de orde komen zijn bijvoorbeeld: was er sprake van een spontane onthulling of was er sprake van beïnvloeding door anderen? Werden er signalen geïnterpreteerd en zo ja, hoe? De LEBZ kan adviseren over nog te verrichten opsporingshandelingen (om de zaak te versterken of om de zaak goed onderbouwd af te sluiten), adviseren om over te gaan tot vervolging van de beschuldigde (omdat de aangifte wordt onderbouwd door feiten en het verder aan de rechter is om te oordelen) of adviseren om een opsporingsonderzoek te beëindigen. Dat laatste wordt geadviseerd indien het dossier feiten bevat die strijdig zijn met de aangifte of factoren die een fundamenteel negatief effect hebben gehad op de ontstaansgeschiedenis van de beschuldiging. Een andere mogelijkheid is dat wordt geadviseerd om een opsporingsonderzoek te beëindigen, omdat het opsporingsonderzoek gebreken vertoonde die niet meer kunnen worden gecorrigeerd. De rapportage wordt opgesteld door de recherchepsycholoog en na goedkeuring van de overige deskundigen verzonden naar de officier van justitie.  

Over welke expertise beschikken de leden van de LEBZ?

De LEBZ bestaat uit klinisch psychologen en orthopedagogen; cognitief psychologen en rechtspsychologen; ervaren zedenrechercheurs; recherchepsychologen (tevens rapporteurs). De deskundigen worden geselecteerd voor de LEBZ op basis van hun hoge mate van expertise binnen hun eigen vakgebied. Ze worden meestal geselecteerd door de coördinatoren van de LEBZ en daarna wordt hun kandidatuur voorgelegd aan de deskundigen uit de betreffende sectie. De rechtspsychologen en de klinisch psychologen zijn vrijwel allen gepromoveerd of hoogleraar op hun vakgebied. De zedenrechercheurs en de recherchepsychologen zijn allen zeer ervaren op het gebied van zedenzaken, uitstekend in hun vak en beschikken over analytische vaardigheden. Sinds de oprichting in 1999 zijn in totaal 66 deskundigen lid geweest van de LEBZ: 13 rechtspsychologen, 15 klinisch psychologen, 19 zedenrechercheurs, 18 recherchepsychologen en 1 arts. Zie de bijlage voor alle LEBZ-leden.  

Wie van de bij de LEBZ betrokken personen is expert op het gebied van ritueel misbruik? 

Net als bij andere zaken is de expertise van alle LEBZ-deskundigen relevant bij de beoordeling van een zaak met rituele aspecten: klinische psychologie en orthopedagogie (bijvoorbeeld: kwaliteit therapie, trauma, PTSS, DIS, dissociatie, verstandelijke beperking), rechtspsychologie en cognitieve psychologie (bijvoorbeeld: werking van het geheugen, hervonden herinneringen, getuigenverklaringen, beïnvloeding), zedenrecherche (bijvoorbeeld: kwaliteit opsporingsonderzoek, kwaliteit verhoor, eventuele opsporingsmogelijkheden) en recherchepsychologie (bijvoorbeeld: analyseren dossier en kwaliteit opsporingsonderzoek). 

Naast het coördineren van de LEBZ publiceren de coördinatoren met enige regelmatig verslagen en artikelen over diverse onderwerpen die gerelateerd zijn aan de LEBZ. Zo zijn er onderzoeksverslagen, artikelen, rapporten en hoofdstukken verschenen.  

Ritueel misbruik kwam (al dan niet zijdelings) aan de orde in de onderzoeksverslagen (Nierop & Van den Eshof, 2001, 2003, 2008), in twee artikelen in het Tijdschrift voor Psychotherapie (Nierop & Van den Eshof, 2010; 2013) en in een artikel in EMDR-Magazine over een vrouw die de coördinatoren interviewden over het feit dat ze haar (in therapie hervonden) herinneringen aan ritueel misbruik introk (Nierop & Van den Eshof, 2017). Daarnaast hebben de coördinatoren meegewerkt aan een documentaire over aangiftes van ritueel misbruik; deze documentaire is gemaakt in opdracht van de Stichting Alternatief Beraad (2018).

Is het juist dat de wetenschappelijke onderzoeken van de rechtspsychologen Crombag, Merckelbach en Van Koppen een belangrijke rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de LEBZ?

Zoals toegelicht bij vraag 1 heeft het College van procureurs-generaal in 1999 een Aanwijzing Opsporing van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties opgesteld, waarin waarheidsvinding een prominente rol kreeg in de opsporing. In die Aanwijzing werd tevens de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) in het leven geroepen. Zoals vermeld stonden in de jaren tachtig en negentig deskundigen tegenover elkaar in de rechtszaal. Crombag, Merckelbach en Van Koppen schreven hierover in de jaren negentig diverse publicaties, evenals Willem Albert Wagenaar. Ook trad een aantal van hen in de jaren negentig op als deskundige in rechtszaken. Dat gold evenzeer voor deskundigen met een klinisch therapeutische achtergrond. Zoals vermeld leidde juist die ‘battle of the experts’ tot de wens van het College van procureurs-generaal om een expertisegroep op te richten, die de discussie in een eerdere, minder gepolariseerde fase voerde. In die zin hebben alle deskundigen een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de LEBZ. Na de oprichting van de LEBZ werden deskundigen lid, die in de rechtszaal daadwerkelijk tegenover elkaar hadden gestaan of zelfs klachten over elkaar hadden ingediend bij tuchtcommissies. De samenwerking binnen de LEBZ verliep echter van meet af aan probleemloos en constructief.  

Hoe heeft de LEBZ het begrip ritueel misbruik gedefinieerd? 

In de jaren negentig stelde het ministerie van justitie de Werkgroep Ritueel Misbruik in, om onderzoek te doen naar de vraag of ooit bewijs was gevonden voor het bestaan van deze vorm van misbruik. In 1994 rapporteerde de werkgroep: ‘In de contacten met hulpverleners is aan de werkgroep voorgehouden dat er op dit moment in Nederland enkele tientallen personen (kinderen en volwassenen) leven die - verbaal of non-verbaal - aangeven het slachtoffer te zijn of te zijn geweest van rituele mishandeling. De verhalen van deze personen kenmerken zich door bij hen bestaande en waar te nemen excessieve angsten en/of psychiatrische stoornissen. In geen van de gemelde gevallen kon echter daadwerkelijk ritueel misbruik worden aangetoond. (...) Er zijn ook goede gronden om te betwijfelen of het verschijnsel daadwerkelijk voorkomt in de vorm waarop het in de verhalen wordt beschreven. Als men moet uitgaan van de omvang en het karakter van ritueel misbruik zoals dat aan de hand van de hiervoor gegeven en door de werkgroep overigens opgevangen verhalen moet worden vastgesteld, dan is het vrijwel onmogelijk dat geen forensisch bewijs is of wordt gevonden. Naar alle redelijkheid en waarschijnlijkheid zouden er ten minste enkele (technische) sporen aan het licht gekomen moeten zijn. Nu dat niet het geval is, acht de werkgroep de kans gering dat de verhalen over ritueel misbruik “in volle omvang” op waarheid berusten’ (Rapport Werkgroep ritueel misbruik, 1994).  

De werkgroep definieerde ritueel misbruik als volgt: ‘Ritueel misbruik is te omschrijven als met rituelen omgeven en in groepsverband uitgevoerd seksueel sadisme jegens meerdere kinderen in combinatie met extreme vormen van fysiek geweld en bedreiging.’ (1994). De werkgroep definieerde het begrip ‘ritueel’ niet, beperkte de omschrijving tot alleen kinderen en onderbouwde niet waarom het zou moeten gaan om meerdere slachtoffers en meerdere daders. De LEBZ gebruikt daarom in de praktijk een eigen definitie: ‘Een aangifte van ritueel misbruik heeft betrekking op geheime riten, die bestaan uit bizarre vormen van seksueel misbruik gecombineerd met macabere aspecten. De aangifte groeit in de loop der tijd en meestal is er sprake van meerdere daders en meerdere slachtoffers’ (Nierop & Van den Eshof, 2008, p. 45). Onder ‘bizar’ wordt verstaan dat het misbruik niet door de gewone motieven voor seksueel misbruik lijkt te worden gekenmerkt (macht, woede, sadisme, seks, verlangen naar intimiteit). Macabere aspecten zijn: letsel (snijden, kerven, krassen in het lichaam), dood (abortus, offeren, drinken van bloed), een cultus (gewaden, maskers, diensten, kruizen) en andere zaken die doorgaans als angstwekkend worden gezien (zoals enge dieren, donkere ruimten). Ritueel misbruik onderscheidt zich van Voodoo door het seksuele aspect en door het geheime karakter” (Nierop & Van den Eshof, 2010). De LEBZ heeft in de loop der tijd vastgesteld dat een belangrijk kenmerk van aangiften van ritueel misbruik is dat de aangifte geleidelijk groeit. De aangifte breidt zich bijvoorbeeld uit van betasting tot een verkrachting door één dader, misbruik door meerdere daders, de aanwezigheid van meerdere slachtoffers, bizarre of ‘rituele’ aspecten, het drinken van bloed, het verrichten van abortus, het offeren van baby’s en ten slotte het maken van opnames van het misbruik. Opvallend is dat de beschuldigingen soms betrekking hebben op personen die hoog in aanzien staan.  

Hoeveel als ritueel gekenmerkte aangiftes/meldingen heeft de LEBZ sinds haar oprichting in 1999 binnen gekregen? 

Aan de LEBZ worden complete opsporingsdossiers voorgelegd, niet alleen aangiftes of meldingen. De politie neemt de aangifte op en stelt een opsporingsonderzoek in. Op enig moment legt de officier van justitie vervolgens de zaak voor aan de LEBZ.  

Sinds de oprichting in 1999 heeft de LEBZ ruim 900 zaken behandeld. Daarvan hadden ongeveer 25 zaken rituele aspecten (zie Nierop & Van den Eshof, 2001; 2003; 2008; 2010; 2013). De meeste van deze 25 zaken zijn al langer geleden beoordeeld door de LEBZ; sinds 2013 zijn er 3 zaken voorgelegd.  

Hoe zijn deze als ‘ritueel’ gekenmerkte aangiftes/meldingen beoordeeld door de LEBZ? 

Aan de LEBZ worden complete opsporingsdossiers voorgelegd, niet alleen aangiftes of meldingen. De politie neemt de aangifte op en stelt een opsporingsonderzoek in. Op enig moment legt de officier van justitie vervolgens de zaak voor aan de LEBZ.  

In het merendeel van de bovengenoemde circa 25 zaken heeft de LEBZ geadviseerd het opsporingsonderzoek te stoppen. In het overgrote deel hiervan bleek objectieve ondersteuning voor de beschuldigingen in de vorm van forensisch, tactisch, digitaal of overig bewijs te ontbreken en/of bevatte het dossier feiten die strijdig waren met de aangifte. Daarnaast was in veel gevallen sprake van factoren die een fundamenteel negatief effect hadden gehad op de ontstaansgeschiedenis van de beschuldiging, zoals herinneringen die door de LEBZ als ‘problematisch’ werden gekwalificeerd, beïnvloeding en ernstige psychische problematiek bij de aangeefsters.  

In een aantal zaken constateerde de LEBZ dat nog nadere opsporingshandelingen konden worden verricht en werd daarover advies uitgebracht.  

Hoeveel van deze zaken hebben geleid tot a) een strafproces en b) een serieus strafrechtelijk onderzoek?

Ook hier geldt: de zaak wordt pas aan de LEBZ voorgelegd nádat er een serieus strafrechtelijk (opsporings)onderzoek heeft plaatsgevonden. Eerst vindt het opsporingsonderzoek plaats, daarna analyseert de LEBZ de zaak en adviseert de officier van justitie ten aanzien van de vervolgingsbeslissing. Dit advies is niet bindend. Daarna besluit de officier van justitie al dan niet te vervolgen en de zaak voor de rechter te brengen. Voor zover wij weten heeft geen van de zaken geleid tot een strafproces, maar de LEBZ is niet op de hoogte van het verloop van alle strafzaken die zij in behandeling heeft gehad. Specifieke informatie daarover is beschikbaar bij het openbaar ministerie.  

Heeft de LEBZ ooit onderzoek gedaan naar mogelijke overlap in de aangiftes/meldingen die bij binnen heeft gekregen van ritueel misbruik – overlap ten aanzien van vermeende daders, slachtoffers, misbruiklocaties of andere details in de aangiftes/meldingen? Zo ja, wat bleek hieruit? Zo nee, waarom niet? 

Het verrichten van opsporingsonderzoek en dus ook naar overlap ten aanzien van elementen uit de aangifte is een taak van de politie en niet van de LEBZ. Afgezien van de kenmerken die verband houden met de definitie van ritueel misbruik (zie vraag 7) waren de opsporingsonderzoeken met aspecten van ritueel misbruik zeer divers van aard.  

Beschouwt de LEBZ de onderzoeken en publicaties van Anton Marinkelle (uit 2007, 2011 en 2013) als een serieus te nemen indicatie dat ritueel misbruik in Nederland voorkomt?

De LEBZ heeft de publicaties van Marinkelle serieus genomen door er op te reageren in het Tijdschrift voor Psychotherapie (Nierop & Van den Eshof, 2013). De meeste LEBZ-leden hebben veel ervaring met zedenzaken en zijn zich pijnlijk bewust van de perversiteiten waartoe daders in staat kunnen zijn: in misbruikzaken, serieverkrachtingen, seksuele moorden, kinderporno of kindersekstoerisme. Dat laat echter onverlet dat tussen 1999 en 2020 bij de LEBZ geen zaken in behandeling zijn geweest die strafrechtelijk bruikbare aanwijzingen bieden voor het bestaan van ritueel misbruik in Nederland.  

In de door Argos uitgevoerde enquête hebben meer dan honderd personen aangegeven slachtoffer te zijn van georganiseerd ritueel seksueel geweld. Uit analyse van de enquêtegegevens en aanvullende informatie verstrekt door de respondenten blijkt dat er allerlei overlap zit tussen de details die de respondenten geven – details over vermeende daders, misbruiklocaties en in de beschrijvingen van het misbruik. Daarbij hebben we informatie die op internet of in andere openbaar toegankelijke bronnen te vinden is er zo veel mogelijk uit gefilterd. Wat is de reactie van de LEBZ op dit onderzoek van Argos?

De LEBZ heeft de resultaten van het door Argos uitgevoerde onderzoek nog niet ontvangen en kan hier daarom inhoudelijk niet op reageren.  

De overgrote meerderheid van de respondenten geeft aan nooit aangifte te hebben gedaan bij de politie. Een aantal geeft als reden hiervoor dat ze geen vertrouwen hebben in de beoordeling van hun aangifte door de LEBZ. Ze zeggen aan dat de LEBZ bevooroordeeld kijkt naar aangiftes van Ritueel Misbruik en deze bij voorbaat niet serieus neemt. Wat is de reactie van de LEBZ hierop? De politie gaat bij aangiften van seksueel misbruik serieus e

De politie gaat bij aangiften van seksueel misbruik serieus en zorgvuldig te werk. Hierbij is zij uiteraard wel afhankelijk van informatie van onder meer aangevers, getuigen en andere betrokkenen die aanknopingspunten kan bieden voor nader onderzoek. Daarnaast heeft de politie allerlei technische middelen tot haar beschikking om eventueel bewijs te vergaren (camera’s, afluisterapparatuur, telefoontaps, DNA-onderzoek, etc), maar dan moet er wel een startpunt zijn voor een opsporingsonderzoek. Ook aangiften die bizar of extreem overkomen, worden op een neutrale manier onderzocht; op het gebied van seksuele perversiteiten is alles mogelijk. Aangiften leiden niet altijd tot strafrechtelijke vervolging, maar kunnen ook leiden tot alternatieve afdoeningen, bemiddeling, veiligheidsmaatregelen of hulpverlening.  

De LEBZ gaat bij alle voorgelegde dossiers serieus en zorgvuldig te werk en zij beoordeelt ieder dossier afzonderlijk. Zaken met aspecten van ritueel misbruik mogen rekenen op dezelfde zorgvuldige werkwijze als ieder ander soort zaak die aan de LEBZ wordt voorgelegd.  

Ook psychotherapeuten die wij spraken betoogden dat de LEBZ mensen die aangeven slachtoffer te zijn van Ritueel Misbruik per definitie niet serieus neemt. Wat is de reactie van de LEBZ hierop? 

We herkennen ons niet in deze uitspraak die kennelijk is gedaan door de psychotherapeuten die Argos gesproken heeft. De LEBZ onderzoekt alle voorgelegde opsporingsdossiers serieus, dus ook aangiften met aspecten van ritueel misbruik. Wel wijzen we erop dat het in opsporingsonderzoeken, en zodoende ook in het werk van de LEBZ, gaat om waarheidsvinding, feiten en bewijzen. De focus ligt op het onderzoeken van de objectieve werkelijkheid.  

Therapeuten hebben een wezenlijk andere rol dan de politie en de LEBZ. Zij zijn vooral gericht op het narratief van de cliënt, diens persoonlijke beleving en psychisch lijden. De focus is ondersteuning van de cliënt bij bijvoorbeeld het verkrijgen van inzicht en het verwerken van als belastend ervaren subjectieve werkelijkheid. Deze subjectieve werkelijkheid hoeft niet overeen te komen met de objectieve werkelijkheid.  

De Gezondheidsraad heeft zich in opdracht van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zich gebogen over het onderwerp (hervonden) herinneringen. Het rapport ‘Omstreden herinneringen’ (2004) van deze gezaghebbende instantie handelt over hervonden herinneringen, maar gaat daarnaast in op herinneringen in bredere zin en de wijze waarop therapeuten hiermee moeten omgaan. Zo bespreekt zij wetenschappelijke inzichten ten aanzien van de werking van het geheugen, de mogelijkheid van het ontstaan van fictieve heinneringen en het gegeven dat het niet mogelijk is ware van fictieve herinneringen te onderscheiden zonder de feiten te kennen. Tevens besteedt de Gezondheidsraad aandacht aan de rol van therapie en waarschuwt zij voor de mogelijkheid van vertekening van herinneringen of het opkomen van nieuwe herinneringen binnen therapie.  

Wat is uw reactie op de uitspraak (in een interview met Argos) van Johannes Rörig - de door de Duitse Bondsregering gemandateerde Unabhängige Beauftragte für Fragen des Sexuellen Kindesmissbrauchs (UBSKM) - dat getuigenissen van slachtoffers van georganiseerd ritueel seksueel misbruik serieus dienen te worden genomen? (Rörig vertelt dat hij een aantal slachtoffers al enkele jaren persoonlijk kent en indringende gesprekken met hen heeft gevoerd. Hij zegt: “Ik vind het heel belangrijk om – ook als vertegenwoordiger van de Duitse regering – heel duidelijk te zeggen: ik geloof de slachtoffers dat ritueel georganiseerd seksueel geweld bestaat.”)

De LEBZ heeft geen kennis kunnen nemen van het betreffende interview. In algemene zin merken wij op dat het in opsporingsonderzoeken niet gaat om geloven, maar om objectieve feiten en bewijzen. Tevens merken wij op dat indringende getuigenissen soms wel en soms niet op waarheid berusten. Enerzijds blijkt uit de politiepraktijk dat slachtoffers soms zwijgen over ernstig seksueel misbruik, waarvan uit opnames vaststaat dat het heeft plaatsgevonden. Anderzijds blijkt uit de praktijk en uit omvangrijk experimenteel onderzoek dat mensen, geheel te goeder trouw, pseudoherinneringen kunnen vormen waarin zij stellig geloven en waarbij zij hevige emoties ervaren. Te denken valt aan de getuigenissen van ‘retractors’ (Hendriks, 2004, Nierop & Van den Eshof, 2017). Het is de taak van de zedenpolitie om iedere aangifte serieus te nemen en een zorgvuldig opsporingsonderzoek uit te voeren, gericht op waarheidsvinding.  

Is het bij de LEBZ bekend dat de onafhankelijke onderzoekscommissie seksueel kindermisbruik (UKASK) in Duitsland, die door de UBSKM in 2015 in het leven is geroepen, tot nu toe 60 deels zeer indringende getuigenissen heeft binnengekregen van slachtoffers van georganiseerd ritueel seksueel misbruik? 

De LEBZ heeft tot nu toe geen wetenschappelijke publicaties gezien waarin dit wordt beschreven. Zie verder vraag 17.  

Wat is de reactie van de LEBZ op de uitspraak van voormalig procureur- generaal Joost Hulsenbek (tegenover Argos), die in 1993/94 de voorzitter was van de door de Nederlandse regering in het leven geroepen Werkgroep Ritueel Misbruik, dat het nu, 26 jaar later, goed zou zijn als de overheid opnieuw een onderzoek zou laten uitvoeren naar Ritueel Misbruik in Nederland? 

De LEBZ is altijd voorstander van goed en gedegen onderzoek. Indien er besloten zou worden tot een overheidsonderzoek naar ritueel misbruik, biedt de LEBZ aan de door haar opgedane kennis en ervaring te delen. Zo acht zij het zinvol onder meer expliciet aandacht te besteden aan de ontstaansgeschiedenis van de beschuldigingen en daarbij zowel op verificatie als op falsificatie te focussen.  

reactie politie

Na de uitzending heeft ook de Nationale Politie gereageerd op ons onderzoek naar Ritueel Misbruik. De reactie van Walter van Kleef, portefeuillehouder zedezaken, hebben we integraal gepubliceerd. Deze reactie roept ook weer vragen op, die we ook aan de politie hebben voorgelegd. Deze vindt u onderaan het artikel 

over de makers

Sanne Terlingen en Huub Jaspers

Sanne Terlingen is sinds 2016 onderzoeksjournalist bij Argos. Eerder werkte ze bij Oneworld en schreef ze als freelancer voor NRC, Hard Gras, Internationale Samenwerking en De Groene Amsterdammer. Sanne is gespecialiseerd in de thema’s mensenhandel, seksueel misbruik en trauma en won voor haar werk meerdere prijzen. Onlangs werd ze nog genomineerd voor de Tegel, voor haar onthulling over de verdwijningen van minderjarige Vietnamese asielzoekers uit de beschermde asielopvang. Sanne is Ochberg Fellow aan het Dart Center for Journalism and Trauma.  

Huub Jaspers is een Argos-veteraan. Hij werkt er sinds 1996 als onderzoeksjournalist, gespecialiseerd in defensie- en veiligheidsvraagstukken. Over de val van de enclave Srebrenica maakte Huub vele uren radio, evenals de Nederlandse betrokkenheid bij de missies in Afghanistan. Net als Sanne won Huub verschillende journalistieke prijzen voor zijn werk. Samen werken ze sinds 2018 aan het dossier seksueel misbruik. 

Wekelijks een verse portie onderzoeksjournalistiek in je inbox?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

We vertellen je meer over ons eigen speurwerk en selecteren de beste onderzoeksverhalen voor je uit binnen- en buitenland. 

Aankomende dinsdag staat de nieuwsbrief geheel in het teken van georganiseerd seksueel misbruik.