In memoriam: Wim T. Schippers
Je zou Wim T. Schippers typisch een kind van de jaren zestig kunnen noemen. En toch ook weer niet. Zijn oeuvre was provocerend en ontregelend, maar diende geen hoger ideaal. Werkplezier was zijn enige oogmerk. ‘Wim is geen wereldverbeteraar’, zei oud-VPRO-radiohoofd Jan Haasbroek ooit. Een terechte constatering. Schippers gruwde net zozeer van het socialistische strijdlied als van het christelijke gezang uit zijn hervormde jeugd. Het leven was in zijn ogen ten diepste niet meer dan een aaneenschakeling van onbenulligheden.
Schippers (Groningen, 1942) gebruikte de tv, en later de radio, voor iets waarvoor die media nooit eerder waren benut: het scheppen van een uitbundige anarchie. Zijn tv-shows begin jaren zeventig rond Fred Haché (Harry Touw), Barend Servet (IJf Blokker) en Sjef van Oekel Dolf Brouwers) waren een aaneenschakeling van omvallende decors, opzettelijke technische storingen en blote danseressen.
Hilversum, tot dan toe bevolkt door deftige, conventionele mevrouwen en meneren, werd plots podium voor plat pratende acteurs uit de b-categorie. Met een dik aangezette, houterige speelstijl: Servet, de mislukte reporter, Haché, de stuntelende showmaster en Van Oekel, de kotsende poppresentator. Tegenslag was regel, geluk illusie. Je zakt door een restaurantvloer, komt tot je grote vreugde terecht in een badkuip met een naakte Willeke van Ammelrooy, maar wordt daar meteen weer weg geblaft, dát was Fred Haché in een notendop.
Schippers zette met zijn VPRO-shows veel kwaad bloed. Vooral bij de gevestigde burgerij. Wat op zich weer geestig was, want au fond verbeeldden de Haché-acteurs met verve burgerlijke voorliefdes als pakken met dassen en zuurkool met vette jus. Maar tegelijk prikten ze feilloos door het dunne laagje burgerlijke beschaving heen, bijvoorbeeld door verlekkerd dubbelzinnige vragen te stellen aan Miss België. Die provocatie (of voorgehouden spiegel?) bracht menig tv-kijker boven z’n theewater.
Niet alleen maakte de kijker kennis met een tot dan toe onbekende televisiemens – de volstrekte loser – hij zag ook hoe Schippers vrolijk spotte met alle wetten van de beeldbuis, en daarbij stuitte op onvermoede mogelijkheden: scheef beeld, half beeld, ‘wegwerkzaamheden’ in de studio tijdens interviews, Schippers’ shows leken op een droom van Fellini. Daarbij werden alle acteurs creatief en organisatorisch in toom gehouden door regisseur en Schippers’ levenspartner Ellen Jens.
Ook in Schippers’ vroegste tv-werk zie je dat ontregelende experiment met vorm en inhoud. Hoepla (1967) is onmogelijk te categoriseren. Is het een jeugdprogramma, een muziekmagazine of een actualiteitenrubriek? Ja, Hoepla was Phil Bloom, dat weten we. Ze las in haar blootje uit het christelijke dagblad Trouw. Het volk sloeg op tilt, de SGP stelde vragen. En de VPRO, officieel nog net vrijzinnig-protestant, schrapte de show al na drie afleveringen.
Maar Hoepla was ook Mick Jagger en jodelzangeres Olga Lowina direct achter elkaar gemonteerd. Voorafgegaan door een item over Oranje-getrouwe KNIL-militairen, die de soevereiniteit van Indonesië betreurden. Of, de tijd ver vooruit, een mediterend zen-groepje, met, voor de nauwkeurige beschouwer, een jonge Simon Vinkenoog als een van de deelnemers.
Je zou kunnen zeggen: het leek nergens op. En inderdaad, ook in Hoepla deed Schippers weer precies wat ’ie zelf leuk vond, zonder zich te bekommeren om conventies. Of kijkersgunst. Zijn werk was volstrekt origineel en leunde nooit op iets wat er al was. Satire verafschuwde Schippers, juist vanwege dat voortborduren op het bestaande.
Wilhelmina Kuttje junior, de gedichtenvoordraagster uit Ronflonflon, zou je hooguit een satire op een genre kunnen noemen (de eenvormige kunstprogramma’s op tv, met altijd weer die eeuwige piano), maar niet op een persoon. Daarbij ontwikkelde Kuttje (Janine van Elzakker) zich gaandeweg tot een geheel eigen radiokarakter. Met een licht ontvlambare aard en een sterke hang naar een goed glas sherry. Dick van den Toorn, een van de acteurs uit Schippers’ latere tv-serie We zijn weer thuis, formuleerde het ooit zo: ‘Wim gebruikt het medium om te rotzooien.’
Zat er dan niets méér achter? Tja… Toen een tv-reporter hem begin jaren zestig bijna wanhopig vroeg wat hij als beeldend kunstenaar toch bedoelde met die a-dynamische kunstwerken als een vloer van zout of van glasscherven, was Schippers’ mystificerende antwoord: ‘Niets. Er is bijzonder weinig over te vertellen.’
Schippers was een totaalkunstenaar, bij wie de genres in elkaar overvloeiden. Zijn radio- en tv-werk waren net zo goed beeldende kunst als zijn beeldende kunst mediageniek. En altijd voelde het gezag zich getart. Daar hoefde Schippers weinig voor te doen. Eerzuchtig en gewichtig als ze waren kwamen autoriteiten graag voor Schippers’ microfoon, waar hij hen genadeloos liet vallen in het zwaard van hun eigen ijdelheid.
Dat overkwam bijvoorbeeld CDA-professor I.A. Diepenhorst, die in 1991 in Ronflonflon werd uitgenodigd om te komen vertellen over een onnavolgbare theologische kwestie. Het werd een onvergetelijk telefonisch interview, waarbij de geleerde werd ‘ondersteund’ door de ‘gebruikelijke studiogeluiden’: gezucht, gegiechel, gegil en vogeltjesgefluit. Presentator Jacques Plafond (Schippers) sloot af met de vraag of het niet allemaal ‘kletspraat’ was waarover de professor had gesproken, ‘kribbetwist.’ Het zou heel goed kunnen dat Schippers de in blokletters sprekende Diepenhorst louter had geïnviteerd om hem onderuit te halen met die nieuwe woordvondst: kribbetwist.
Vooral in zijn dramaseries in de jaren tachtig en negentig (De lachende scheerkwast, Op zoek naar Yolanda en We zijn weer thuis) toonde hij zich een jongleur met taal. Wanneer in laatstgenoemde reeks Thijs (Dick van den Toorn) op bezoek is bij zijn oom Gerard en tante Tineke voltrekt zich de volgende conversatie. Tante: ‘Bij ons komt nooit chemische troep over de vloer.’ Oom: ‘Die boenwas leek mij anders geen zuivere koffie.’ Thijs: ‘Koffie? Ik dacht dat die boenwas van bijenwas was.’
De series kenden een volstrekt eigen, geheel onnavolgbare logica, waar niettemin geen speld tussen te krijgen was. Zoals Thijs’ redenering wanneer zijn moeder (Truus Dekker) hem op de bank wakker schudt: ‘Goed dat je me wakker maakt, mam, want ik wou vroeg gaan slapen.’
Wie de oude shows en series van Schippers terugkijkt, moet concluderen: zonder Schippers’ absurdisme en vervreemding geen Jiskefet en ook geen Toren C of TreurTeeVee. Maar ook: anno nu zou zijn oeuvre nog steeds voor ophef zorgen. Niet zoals eind ’72 vanwege een spruitjes doppende Juliana in de Barend Servet Show. Nee. Maar wel vanwege de zuurkool met vette jus (‘ongezond’), de drankgelagen (‘slecht voorbeeld voor de jeugd’) en de visie op de vrouw (‘seksistisch’). Zo zal Wim T. Schippers zelfs na zijn dood nog een ontregelende factor zijn. Dat is misschien wel zijn grootste prestatie.