Chacun sa chance

, Marjolein Visser

De jonge schrijver Marjolein Visser vertrekt naar Mali, waar ze op zoek gaat naar verhalen van migranten. Ze schreef een verhaal gebaseerd op haar reis. Haar dagverslagen worden in deze longread afgewisseld met het verhaal van de zoektocht van de Malinese migrant Amadou. De werelden van Marjolein en Amadou komen gedurende het verhaal langzaam bij elkaar.

In 2015 won Marjolein Visser de VPRO Bagagedrager, de reis- en schrijfwedstrijd voor jonge schrijvers. Haar plan was om zich in te leven in een uitgeprocedeerde asielzoeker die terugkeert naar het land van herkomst. Twee jaar later schreef ze haar verhaal, dat je hieronder kunt lezen.

Let op: audio speelt automatisch af!

Chacun sa chance

Ieder zijn kans

een verhaal van Marjolein Visser

‘Tombouctou, je t'aime.’

‘Voor mij is Timboektoe het mooist als de zon hoog staat. Wanneer de hitte zo sterk is dat ze je koelt. Ze zeggen dat ze het haten, vooral de witten. Ik wil juist met de hitte buiten zijn. In de hitte voelen wij hoe recht onze ruggen zijn. In de hitte lijken en letten wij op elkaar. In de hitte is nog nooit iemand opgehangen. In de hitte is de stad compleet. Als een lach van een mond die al zijn tanden nog heeft. Timboektoe is mijn stad. Een liefje om naar terug te keren. Of meer nog: een moeder.’

Amadou

bikini

Toeval of niet, vlak voor ik vertrek naar Mali pas ik in mijn donorregister aan welke lichaamsdelen ik beschikbaar stel wanneer ik het loodje leg. Alhoewel ik eerder mijn bloedvaten en huid voor mezelf hield, besluit ik nu, vlak voor vertrek, dat ik niet zo krenterig hoef te zijn. 'Ze mogen alles hebben,' mompel ik hardop terwijl ik met ferme klikken orgaanhokjes ontkruis.

Het is het laatste dat ik online doe. Dan klap ik mijn laptop dicht en begin met het inpakken van mijn backpack. Frans woordenboekje, Deet, factor 50, een roman, twee boeken over Mali, het Donald Duck vakantieboek (‘voor de lichtheid’) en wat lange rokken, doeken en wijde T-shirts. Als ik door mijn la met ondergoed graai, twijfel ik even. Zal ik mijn bikini meenemen?

Onderweg naar het vliegveld van Brussel probeer ik in mijn notitieboekje alvast samen te vatten hoe ik het verhaal over deze reis ga vertellen. Na een treinreis van twee uur ziet de eerste bladzijde er zo uit:

Optie 1:  ̶Z̶W̶A̶R̶E̶ ̶P̶R̶O̶B̶L̶E̶M̶A̶T̶I̶E̶K̶ ̶O̶P̶ ̶O̶N̶S̶C̶H̶U̶L̶D̶I̶G̶E̶ ̶M̶A̶N̶I̶E̶R̶ ̶B̶R̶E̶N̶G̶E̶N̶

Optie 2:  ̶G̶E̶E̶N̶ ̶G̶I̶R̶O̶ ̶5̶5̶5̶ ̶V̶E̶R̶H̶A̶A̶L̶ ̶M̶A̶A̶R̶ ̶M̶O̶O̶I̶E̶ ̶K̶A̶N̶T̶ ̶V̶A̶N̶ ̶L̶A̶N̶D̶

Optie 3:  ̶E̶E̶N̶ ̶F̶E̶I̶T̶E̶L̶I̶J̶K̶ ̶V̶E̶R̶S̶L̶A̶G̶

Ik kijk naar buiten en zie Antwerpse huisjes aan me voorbij trekken. Dan krabbel ik: ‘Dit verhaal is maar een persoonlijke beleving. Geen representatie. Het is maar een verhaal.’

De bikini zit in het kleinste zijvakje van mijn backpack.

Amadou (1)

De rijke leiders zeggen dat het moet voor Allah. Of voor land. Of voor glorie. Ze verzwijgen dat het geweld bedoeld is om geld te krijgen en dat zij zelf alle francs zullen innemen. Dit is geen vermoeden van Alfou: hij weet het zeker. Zijn zoon, Amadou, mag niet beginnen over de buurjongens die meedoen. Alfou is eigenwijs, dat weet de hele buurt. Hij weet het altijd beter.

Een keer ziet Amadou het gebeuren. Hij volgt zijn buurjongen Achmed, met wie hij stenen sjouwde sinds hun vierde levensjaar. Achmed staat nu met een andere jongen langs de weg. Ze begraven iets. Dan komen de witten langs met hun dikke pakken en geweren. Ze praten even en rijden verder. Achmed en de jongens graven snel iets op. Een geweer. Achmed is degene die schiet. Voltreffers. In de hand waarmee hij vorig regenseizoen met Amadou nog hagedissen en katten doodde, ligt nu een pistool. Het nieuwe regenseizoen is nog niet eens aangebroken. Achmeds hand. Die hand is ergens tijdens de grote droogte stram geworden. Overdag ziet Amadou Achmed wel, maar ‘s avonds is Achmed er nooit meer bij. Terwijl Amadou nog elke dag stenen draagt, heeft Achmeds hand handelingen bijgeleerd om van doden moorden te maken.

Sommige mensen noemen ze rebellen, moordmachines, monsters. Alfou zegt dat ze slechts goedgelovig zijn. Zoals vermoeide wespen die in het hete gras zitten te wachten tot een bloot kindervoetje op ze trapt, steken de jongens alles dat ze raakt. Blauwhelmen, die man met die lange rug, een studente die geen hoofddoek wilde dragen. Tegelijkertijd zijn de jongens zelf doelwit van groepen en troepen en dat weten ze. Ze liggen in de berm te wachten om gevonden te worden. Misschien leef je harder vlak voor je dood. Feller. Is doden een vorm van afscheid nemen van het leven. Een manier om levend te sterven.

En dan op een avond, wanneer de koeien net terug zijn en de zon op de heuvels leunt, hangen ze Alfou op. Amadou ziet het later pas, wanneer het donker is en het lichaam van zijn vader stijf en koud is. Alfou hangt aan de grote boom die de stad scheidt van de lange vlakte. In deze boom maakten Amadou en Achmed ooit een opslagplaats voor de botjes van de dieren die ze gedood hadden. Waar ooit het touw hing waarlangs ze naar boven klommen, hangt nu een lichaam aan een touw. Aan een touw is een vader geen vader meer. Amadou kan alleen maar kijken naar het gezicht. Hij wil er gewoon naar kijken zonder wegkijken, zoals hij op de markt de dode koeienkoppen bekijkt. De rimpels, het rood onder de wangen, het stof: het is het gezicht van zijn vader en daar mag hij niet van gruwen. Hij ziet de kou in het donker. Het gezicht weet niks meer beter. De mond hangt open, het is een gat geworden zonder tanden, zonder woorden, zonder waarschuwing. Met zijn hoofd schuin, een kwartslag opzij, zo hangt zijn vader daar. Alsof hij slaapt zonder hoofdsteun.

wat spreken de kinderen hier goed Frans

'Oh,' kreun ik terwijl ik in foetushouding op mijn bed lig. Ik heb diarree. Mijn buik protesteert, zelfs als ik stil lig en niks doe. Het is die klotediarree. Overdag is het hier rond de vierenveertig graden en ik heb diarree. Ik weet dat ik dit laatste punt drie keer aanhaal, maar zo werken mijn hersenen nu ook: ik heb het warm, ik heb diarree. Ik ben moe, verergerd natuurlijk door de diarree. Ik had een interessant gesprek, jammer dat ik nu diarree heb.

Schandalig eigenlijk, dit zelfmedelijden, aangezien ik net in Mali ben waar ik op een schoon bed flesjes cola drink terwijl de lokale burgers hier buiten op straat urenlang in de brandende zon zakken zand op hun hoofd vervoeren. Af en toe spuugt er één op de grond: niet alleen drinken ze overdag niet vanwege de Ramadan, ook willen sommigen het speeksel in hun mond niet doorslikken. Ze hebben minder moeite hun uitgedroogde lot te respecteren dan ik. Gefrustreerd scheld ik binnensmonds op de haan, de honden, de ezeltjes, de schapen en de vogels die kraaien, blaffen, balken, blaten en kwetteren. 'Laat die beesten hun kop houden,' mompel ik. Op mijn sterke momenten wint het schaamtegevoel het van mijn zelfmedelijden en kan ik mijn situatie relativeren. Ik had gehoopt dat het zien van Afrikaanse toestanden mijn kleinzerigheid zou verjagen, maar dat is tot nu toe niet gebeurd.

Ik probeer mijn zinnen te verzetten maar mijn fysieke conditie smeekt om aandacht als een vervelend kind dat kliert vanuit de filosofie ‘negatieve aandacht is ook aandacht’. Als ik niet aan diarree denk, denk ik wel aan de hitte. De hitte maakt nestjes in al je poriën, kruipt tussen je benen en borsten, houdt je ogen op een kiertje, geeft je mond een rotsmaak en krabt je buik van binnen open. Het komt tussen mij en alles waarvan ik hoop dat ik er zin in heb. Ik zou heus wel willen dat ik nu dingen wil, maar ik wil niets. De nachten zijn het ergst. In de elkaar afwisselende korte weggetjes van waken naar slapen en slapen naar waken worden mijn gedachten nachtmerries. Ik beeld me in dat ik koorts heb en mezelf doodzweet. Ik haat het matras omdat het er is en omdat ik dus niet in de lucht hang maar mijn rug, zij of buik steeds plakt aan iets. De buitenlucht die door het raam naar binnen komt, helpt niks: het geeft me het gevoel alsof ik lig te garen als een croissantje in het oventje van een stationskiosk.

Als ik op de vierde dag over straat loop, onwetend dat er tijdens mijn lange zit op de wc zojuist weer drie VN militairen zijn vermoord in het noorden van dit land, trek ik met mijn hand mijn hoofddoek verder over mijn gezicht. Omdat ik niet goed weet hoe ik een hoofddoek moet dragen, loop ik erbij als een slecht opgezette binnentent. De mensen kijken nog steeds weg, net als toen ik nog minder bedekt over straat liep. Toch is het wegkijken nu onverschilliger, nonchalant eigenlijk, bemoedig ik mezelf. Tijdens de rest van de wandeling kan ik alleen maar denken: ‘wat spreken de kinderen hier goed Frans,’ ‘wat is het heet’ en ‘zou die man bij dat busje een pistool in zijn zak hebben en zal hij me straks neerschieten? (zouden ze er kapot van zijn? Zou mijn zus m’n rieten stoel overnemen?)’. Als ik daarna in een klein vol busje zit, kijk ik naar buiten in de hoop dat zich een intellectuele gedachte aandient.

Marjolein Visser

Een Moskee in aanbouw in de stad Koulikoro, bij Bamako

Amadou (2)

Op de dag dat ze genoeg verzameld hebben voor de bus, vijfendertig dagen na de dood van Alfou, vertrekken Amadou en zijn moeder naar de hoofdstad. Bamako is veiliger. Op hun weg uit Timboektoe ziet Amadou hoe zijn moeder zwijgend, ze zwijgt al weken, naar de witten kijkt. Amadou vraagt zich af wanneer de witten veranderden van toeristen met korte broeken naar militairen. Hij weet het niet meer, zoals je je ook nooit herinnert wanneer je in slaap valt. De militairen rijden langs in een tank. Ze dragen een kogelvrij vest en houden een geweer in gereedheid. Even kijkt een van de militairen Amadou aan en knikt hem glimlachend toe. In de twee seconden die volgen wordt Amadou overvallen door de gedachte die hem deze weken vaker overvalt en die hem zal blijven achtervolgen: ‘Schiet maar. Schiet ons gewoon maar neer.’ Hij houdt zichzelf voor dat die gedachte vluchtig is als een schot. Dat je hoofd een geweer is en dat het niet anders kan dan dat de munitie van rotgedachten op een dag op is.

In een busje volgepakt met twaalf vluchtelingen komen Amadou en zijn moeder aan in Bamako. Pas tegen de familie, haar zus en zwager, haar neven en nichten, spreekt zijn moeder haar eerste woorden sinds Alfou vertrok en niet meer thuis kwam. De eerste weken vraagt Amadou rond voor werk. Hij probeert een beetje Frans te spreken en een beetje Bambara. Zijn eigen taal, Songhai, spreekt niemand hier. Sommige mensen kijken lachend weg als ze hem horen hakkelen. Anderen zeggen hem dat er sowieso geen kansen zijn: de toeristen zijn weg, de onrust groeit en er zijn teveel vluchtelingen. In de eerste maand lukt het Amadou om vier keer per week eten uit vuilnisbakken mee te nemen. Daarna wisselt het. 'Drink dan tenminste, alsjeblieft,' smeekt hij zijn moeder wanneer ze weer zegt dat ze geen trek heeft en dat drinken ook niet hoeft. 'Zodra het veilig genoeg is gaan we terug naar Timboektoe,' zegt ze aan het eind van die eerste maand tegen de familieleden die steeds vermoeider kijken.

'We kunnen nu vast snel terug,' mompelt zijn moeder na twee jaar in Bamako en twee dagen zonder eten. Haar huid is vuil en droog. Twee jaar van zoeken zijn voorbij gegaan. Soms naar een baantje, maar meer nog naar iets anders. Vertwijfeld houdt Amadou alles wat hij vindt of verdient achter, hij spaart. Hij praat met zijn jonge neven, de buurjongens en zijn oom. Over de kano, over de smokkelaars met vrachtwagens. Met hen bespreekt hij wat ze allemaal wel willen: ‘Weg.’ Er waren al jongens weggegaan en teruggekomen met horloges. De meesten worden naar Sierra Leone gestuurd, naar Dakar, naar Algerije. Maar de mooiste verhalen komen van kennissen van vrienden: van Europa. Europa, het kasteel achter de hoge muren en gevaarlijke wegen, zo mooi dat het bewaakt moet worden. Pas veel later zal Amadou voelen hoe het is om op een continent te zijn waar illegale migratie geen gewoonte is, maar een misdaad.

afdankertjes

Nadat Facebook weer eens een paar dagen door de regering was afgesloten, werk ik nu in het enige restaurant hier, vol met Europese expats, mijn berichten bij. Ondertussen voer ik een klein gesprekje op Messenger met een vriendin. Ze vraagt hoe het gaat. Ik vertel over de conflicten hier en over de corruptie. 'Wel fijn voor die mensen dat ze bij jou hun verhaal kwijt kunnen J,' schrijft ze. Ik kijk naar de mensen buiten. Behalve bedelaars heb ik nog niemand gesproken op straat. Een inkomende boodschap: 'Tis wel te hopen dat je ook nog echte vluchtelingen spreekt, niet alleen migranten.' Ik reageer niet. 'Ik moet gaan,' stuur ik en ga offline.

Straks ga ik een paar teruggekeerde migranten spreken, ik zal met de vertaler meerijden. Als ik op de vertaler sta te wachten op straat, besluit ik om wat foto’s te maken. Nog voor ik de lens voor mijn oog kan houden, komen er in de verte uniformen in beweging en word ik aangehouden door twee politieagenten. Er wordt luid, steeds luider tegen me gepraat. Ik moet mijn camera en mijn paspoort laten zien, ze maken notities van mijn gegevens en voor het oog van de agenten moet ik mijn foto’s wissen.

Wanneer ik naast hem in de auto plaatsneem, nog natrillend en boos op mezelf, drukt de vertaler meteen zijn telefoon onder mijn neus. 'Mijn nichtje,' zegt hij lachend. Ik kijk naar de foto op het scherm. Het gezicht van het meisje is vlekkerig wit. Haar lippen zijn nog steeds zwart. Ze ziet eruit als een personage in een moderne dansvoorstelling. 'Net zo oud als jij denk ik.' Ik vraag naar haar huidskleur. 'Och,' zegt hij achteloos en slaat af. 'Veel vrouwen willen witter worden en smeren een crème die pigment uit je huid haalt. Je kan dan nooit meer in de zon lopen.' Zo onopvallend mogelijk neem ik een slok water. 'Betrouwbaarder en mooier, dat denkt ze,' vervolgt hij terwijl hij de radio harder zet. Ik kijk naar de borden langs de weg. Het zijn enorme reclameborden van fruitsapjes, dadels en snoep. VOOR EEN IDEALE RAMADAN staat erbij. Ineens valt me op dat de modellen op de posters niet zo donker zijn als de grote meerderheid hier. Het is steeds een licht getinte vrouw die theatraal een sapje drinkt.

Wanneer we tanken, zie ik naast ons honderden oude opgestapelde auto’s. Twee mannen testen er een. Een donkere wolk ontsnapt uit de uitlaat. 'Wat is dat toch met die stapels koelkasten, bedden en auto’s langs de weg?' vraag ik en wijs naar de auto’s. 'Er zijn veel verkooppunten waar ze de afgedankte producten uit Europa verkopen. Dankzij jullie milieuregeltjes hebben jullie veel over.' Ik doe mijn raampje dicht om de dikke smog niet in te ademen. 'Alles wat uit Europa komt, heeft hier succes,' mompelt de vertaler.

'Waarom?'

'Waarom niet? Hier zijn de enige die wat kunnen laten maken de neven van de president en de neven van de vriendjes van de president.' Hij geeft gas en rijdt een lange file in.

 'De Fransen hebben onze culturen eruit geslagen en we worden geregeerd door egoïstische geweldplegers.' Hij snuift even. 'De beste opties zijn de afdankertjes van Europa.' Dit is het enige gesprek dat ik vandaag heb. De migranten die ik met zijn hulp zou interviewen, komen niet opdagen.

Marjolein kijkt uit over de Niger

Amadou (3)

'Dit is mijn kans,' zegt Amadou tegen zijn moeder nadat hij haar in de keuken tegenhield.

Zijn moeder heft haar hoofd en kijkt naar hem met de wanhopige blik waarmee alleen moeders naar hun kind of kinderen naar hun moeder kijken.

'Je kan makkelijk omkomen, bijna iedereen-' Haar stem stokt en ze zwijgt. 'Of worden verkocht, je weet het van-'

'Het komt goed,' onderbreekt hij haar. 'Iedereen hier wil dat ik ga.'

'Maar jongen,' zucht ze.

'Hier wil ik niet blijven,' zegt hij hard. De beste verdediging is de aanval. Zijn moeder houdt haar blik op de grond gericht. Even staan ze beiden stil. Dan klopt Amadou haar op haar schouders, zoals hij zijn vader weleens zag doen. Meteen voelt hij hoe dun ze is. Hoe ze alles aanspant om niet mee te veren. Per ongeluk kijkt hij in haar ogen, ze zijn rood en dof. Hij voelt een steek in zijn maag. Alles van waarde is weerloos. Met een ruk draait Amadou zich om en loopt langs haar heen, naar buiten. Daar schopt hij tegen het vuil op straat.

’s Avonds als hij thuiskomt is er nog een klein lampje aan. Als hij de deur open doet, ziet hij zijn moeder op een krukje in het keukentje zitten. Ze kijkt hem aan alsof ze hem verwacht. Ze opent haar handen. Hij ziet een kettinkje. Het glinstert.

'Van je vader,' mompelt ze. 'Voor later, een huisje in Timboektoe. Neem het mee.'

'Waar had je dat?' sist Amadou.

'Ik droeg het bij me,' mompelt ze. 'En later is nu.' Amadou pakt het kettinkje aan en kijkt ernaar. Zijn moeder staat op en loopt naar de slaapkamer van de vrouwen. 'Ik verdien een huis voor je, hier of in Timboektoe,' fluistert Amadou. Hij voelt dat zijn stem trilt.

Zijn moeder reageert niet en sluit de kamerdeur. Wanneer ze op haar deken ligt en naar de binnenkant van haar oogleden kijkt, hoort ze niks meer. Ze denkt aan de Alfou van toen ze zelf nog jong was en aan Amadou toen hij nog een kind was. Als ze eindelijk in slaap valt, voelt ze geen enkele spijt over wat ze zojuist heeft gedaan.

vlak voor een moeilijk gesprek

'Ik heb ervaring met de doelgroep,' stel ik mezelf gerust terwijl ik mijn handen was onder een sputterend kraantje vlak voor mijn eerste gesprek met teruggekeerde migranten. Dit keer gaat het zeker door, verzekerde de regelaar van het gesprek me. Terwijl ik in een spiegeltje kijk en mijn hoofddoek goed probeer om te doen, stel ik me voor hoe mensen gaan reageren op mijn verhaal ('Zo raak,' 'Ze weet zelf niet half hoe bijzonder het is'). Met wat haar en doek over mijn voorhoofd gelegd zodat je het rood en zweet niet goed kan zien, loop ik vervolgens kwiek de hitte in, druk mensen begroetend in mijn beste campingfrans.

Op zoek naar een taxi, zie ik links aan de overkant van de straat een enorme witte jeep waarnaast een onbekende vrouw met een zonnebril plotseling naar me begint te zwaaien. Ze is wit als melk, met vetkwabjes die als kleine waterballonnetjes over haar strapless shirtje hangen. Daar staan we, zij en ik. Als er nu een foto uit een vliegtuig werd genomen waren daarop duizenden zwarte stippen te zien met daartussen twee witte. In een flits wil ik terug zwaaien, maar ik hou me in. 'How are you?' brult ze lachend. Ik kijk de andere kant op, op zoek naar een taxi. Ik ben niet zoals zij. Na een paar voorbij rijdende auto’s voel ik iets warms op mijn linkerhand. Een oude bedelaar op krukken. Hij heeft vliegen rond zijn mond en brengt langzaam één hand omhoog. Dan mompelt hij wat woorden in het Bambara en kijkt me vervolgens uitdrukkingsloos aan, als een oude pop waarvan de ogen nergens meer naar kijken omdat ze te vaak opnieuw in het hoofdje zijn gedrukt. Weer kijk ik weg, op zoek naar een taxi.

Een uurtje later word ik afgezet en door de regelaar van het gesprek, een man met veel eau de cologne en een roze overhemd, over straat langs het afval naar een kleine deur geleid. We bestijgen twee trappen en komen dan een klein kamertje binnen. Daar staan zes mannen in een rij op ons te wachten.

'Hier zijn ze,' zegt het roze overhemd. 'Vier leden van de organisatie om teruggekeerde migranten te helpen en migratie tegen te gaan,' hij strijkt even over zijn overhemd, 'en twee mensen die de zee overstaken en terugkeerden,' vervolgt hij in gebroken Frans en Engels. Hij knikt naar twee mannen in de hoek. Zijn het mannen of jongens? Ik durf niet goed te kijken. De vertaler is er nog niet. Na een lange stilte gebaart iemand dat we kunnen plaatsnemen. Zwijgend zitten we met z’n achten om de tafel. Ik vraag me af of de anderen ook naar hun handen kijken.

Wanneer de vertaler er is, wordt duidelijk dat de organisatieleden me niet alleen willen laten met de migranten. Ik vraag of er foto’s gemaakt mogen worden en of ik het gesprek op mag nemen. Het gevolg: de organisatieleden zeggen dat ik opnames mag maken, graag zelfs, waarna de migranten even zwijgen en dan vragen waarom ik opnames wil maken. De organisatieleden zijn me voor en vertellen waarom de migranten mee moeten werken. Dit is een gesprek van vijf minuten dat in een zin aan mij wordt vertaald. De migranten zwijgen. De vertaler gebaart dat ik even moet wachten met praten en neemt zelf de ruimte om aan de migranten te betogen dat ze best mee kunnen werken. Ik stel vervolgens voor om geen opnames of foto’s te maken, waarna het roze overhemd zijn hoofd schudt en de aanwezige mannen ook zijn mening geeft waarna de migranten zeggen dat foto’s en opnames oké zijn. De laatste tien minuten zijn niet voor mij vertaald. En dan moet het moeilijkste gesprek dat ik dit jaar zal hebben, nog beginnen.

Marjolein is in gesprek met de organisatie die migranten begeleidt.

Amadou (4)

Als hij had geweten dat Youssef tijdens de vrachtwagenrit in de Sahara zou worden achtergelaten omdat de truck volgens de smokkelaars te zwaar was, had Amadou zich niet zo snel aan hem gehecht. Hij vervloekt zichzelf voor de ogen van Youssef die naar hém keken, toen hij het zand op werd geduwd. Als hij had geweten dat je je überhaupt nu niet hechten moet, had hij zich vervolgens ook niet aan Alfousseni opgetrokken, maar zijn Frans is slecht en Alfousseni kan het goed. En de smokkelaars schreeuwen Frans en Arabisch. Ze kunnen je alles maken en je wilt ze geen reden geven.

Eindelijk vindt hij een boot. Van die tocht vergeet hij alles meteen. Dan staan ze met wat tenten op een strand en vervolgens moeten hij een paar dagen naar een opvangcentrum. Daarna dwaalt hij door asielzoekerscentra in Nederland. Iemand vertelt hem dat hij moet zeggen dat hij homo is. Een ander dat hij moet zeggen dat hij wordt bedreigd om politieke redenen. Als een overhemd hem vraagt wat hij hier doet, fluistert hij snel: 'Politiek.' Hij leert er wat woorden over in het Frans en hakkelt ze op. In zijn hart wil hij roepen dat het zijn moeder is, dat ze beter moet eten. Hij denkt aan de blikken van de jongere neven die naar hem opkijken en zijn oom die teveel betaalde, aan het kettinkje van zijn vader dat allang is afgepakt onderweg. 'Ik moet hier blijven, iets verdienen voor haar.' Dat wil hij zeggen. Maar moeders zijn geen reden voor een verblijfsvergunning.

Nog voor de officiële afwijzing rent Amadou weg. Als hij eerst Nederland maar uit is. België, België daar moet hij heen. Onderweg werkt hij een tijdje als hulp met stenen sjouwen in een haven. Daarna maakt hij een keuken schoon van een klein fastfoodbedrijf. Hij slaapt in loodsen en soms bij de schepen. Steeds moet hij weer weg. Na een tijdje onderweg zijn, verander je van iemand die ergens heen gaat naar iemand die onderweg is. Na maanden zwerven door Nederland (hoe heetten die steden ook alweer?) en wat dorpjes in België begint Amadou te hoesten. Hij kan niet meer goed nadenken. Parijs. Misschien Parijs?

Na twee dagen non stop lopen, voelt hij niet meer of zijn voeten koud of warm zijn. Uitgeput ziet hij een groepje dronken Franse jongens een portiek van een flat openen. Voor de deur achter hen in het slot valt, glipt Amadou ook de portiek in en wacht tot het stil is. Even kijkt hij rond in de kleine ruimte  en naar buiten waar het vriest. Hij grist twee kranten en een stuk of veertig reclamefolders die uit de brievenbussen van de portiek steken en stalt ze uit op de betonnen vloer. De folders zijn van een meubelmaker. Doodvermoeid laat hij zich vallen op veertig leren stoelen en banken van papier. Stoelen en banken van BETAALBARE LUXE en HET COMFORT DAT U VAN ONS GEWEND BENT. Amadou denkt aan Timboektoe. Hij gaat de kleine huisjes en smalle straatjes langs om in slaap te vallen. Het is niet het Timboektoe van nu, maar van toen hij er nog niets van begreep. In zijn gedachten loopt hij over de weggetjes die leiden naar de beste plek om te voetballen of naar de vrouw van wie je soms melk kreeg. Van de grote boom loopt hij steeds verder weg. Zover, dat hij überhaupt niet meer weet of en waar zijn vader stierf en waar hij zelf in godsnaam is.

een moeilijk gesprek

Ik probeer het ijs te breken maar ervaar ongemak bij eigenlijk alle luchtige binnenkomers die ik aankaart. Dan maar meteen vragen wat ik wil weten. 'Hoe is het om weer terug te zijn?' Een stilte volgt. 'Het is oké,' antwoordt de eerste migrant dan. 'You have to deal with it,' zegt de tweede na een lange pauze. De leden van de organisatie kijken toe. Bij elke vraag word ik meer gespannen. In een wanhopige poging om iets te horen te krijgen begin ik varianten te verzinnen op dezelfde vraag en gieren de gedachten door mijn hoofd.

'Wie hielp je bij thuiskomst?' (Onduidelijk wat ik met hulp bedoel.)

'Hoe reageerden mensen op je terugkomst?' (Onduidelijk wie ik bedoel.)

'Wat vond je familie ervan?' (Rotvraag. Ze hebben vast hun familie verloren.)

'Ben je blij weer terug te zijn?' (Nee natuurlijk niet.)

'Hoe kijk je nu terug op je reis?' 'Heb je spijt van je reis?' 'Heb je geen spijt van je reis?' 'Hoe gaat het nu met je?' (Allemaal rotvragen.)

De migranten geven om de beurt antwoord terwijl ze af en toe naar de leden van de organisatie kijken. Ze hebben iets weg van middelbare school leerlingen met een zesjes-cultuur die net genoeg zeggen om hun mondeling te halen. Eén van de twee, de jongste, een jongen nog, kijkt mij niet eens aan.

De antwoorden van de jongste jongen kleine variaties.

Op de vraag of hij blij is om weer terug te zijn: 'Ik ben oké.' Op de vraag wat zijn familie ervan vond: 'Best oké.' Op de vraag hoe het nu met hem gaat: 'Het gaat mwah.' Op alle vragen om uitleg, dezelfde uitleg: 'Oké.'

Na een tijdje moet ik afsluiten. Ik betaal de migranten en daarna de leden van de organisatie, de vertaler en het roze overhemd.

De volgende dag mail ik de organisatie de groepsfoto’s en stel ik de vraag die ik ook al tijdens het gesprek stelde: 'Kennen jullie nog migranten die met me zouden willen praten in een privégesprek?' In de weken die volgen krijg ik geen mail terug.

Amadou (5)

Wanneer Amadou rond een uur of vijf ’s ochtends in Parijs wordt ontdekt, is hij opgelucht over een paar uur slaap. Het geschreeuw doet hem al heel lang niets meer. De nacht daarop betaalt hij voor de portiek van een oud appartement achter de Seine. Het is een grote ruimte met een poster van Europa en posters van festivals die vier jaar daarvoor plaatsvonden. En dan steelt hij zijn eerste tasje. Van het geld betaalt hij de bewaker van de portiek voor de volgende nacht. Ook koopt hij vlees uit de afvalbak van een café, wat verkocht wordt sinds ze ontdekten dat die leeggehaald werd door illegale migranten.

De nacht daarop wordt hij gewekt door twee mannen. Uit Senegal gokt hij. De mannen spreken te snel Frans, willen iets van hem. Hij begrijpt het niet. 'Nee,' gokt hij. Dat dit hun plek is. Nee. Dan pakt de grootste hem vast. Nee. Hij kijkt naar de kaart van Europa terwijl de grootste zijn handen op zijn rug bindt en de kleine op hem in begint te slaan. Amadou concentreert zich op de vouwen aan de zijkant van de landkaart als de eerste stoot komt. De tweede is op zijn borst: zijn focus gaat naar de grenslijnen van Frankrijk. Geen breuk, alsjeblieft geen breuk, geen dokters. Ze zorgen dat hij blijft staan bij stoot drie, vier, vijf. En dan, wanneer ze beginnen aan zijn gezicht, gaat Amadou met zijn blik van Frankrijk naar Italië. Terwijl zijn gedachten veranderen in dromen van een koortsige slapende, vliegt hij in één streep de zee over en langs de gekreukelde zijkanten van het papier de kaart af, het zand over, tot hij weer landt, tot zijn voeten het stof raken en de deur waar hij voor staat de zijne is. Huis. Thuis. Timboektoe.  

Terwijl hij bloedend in de portiek ligt en  naar de kaart kijkt, mompelt hij de naam van zijn vader: ‘Alfou’.  

mislukt

De weken erop blijf ik het proberen. 'Mist u uw man?' vraag ik door bij de vrouw van het lokale winkeltje waar de interessante combinatie van rijst en beltegoed te verkrijgen is. Ik heb er vier keer zonder reden een praatje gemaakt en durf het nu eindelijk te vragen. Ze haalt haar schouders op. Meer krijg ik er niet uit. 'Voel je je niet in de steek gelaten?' stook ik wanneer een meisje vertelt dat haar beste vriend vertrok zonder dit aan te kondigen. Neuh. Is het goed of slecht volgens de achterblijvers? Mwah. Ach. Tja. Schouders. Neuh.

’s Avonds in bed, wanneer ik nog maar drie dagen te gaan heb en moe en chagrijnig ben, schrijf ik in mijn notitieboekje dat het misschien zo’n big deal niet is, dat hele vertrekken en terugkeren. Dat er immers veel dingen zijn die niet leuk zijn, maar ook niet naar. Zoals boodschappen doen, of lezen. Als ik een uur later weer wakker word door een blaffende hond, schijn ik met mijn hoofdlampje op mijn notities en kras ik de aantekening door.

Daarna kan ik de slaap niet vatten. Ik ben in de war. Als het eenmaal licht is en het nog warmer wordt dan het al was, stap ik uit bed. Terwijl ik moe naar de kleine hagedis kijk die wegschiet onder mijn bed, denk ik hoe moeilijk het überhaupt is om te praten over iets dat mislukt of traumatisch is. En al helemaal voor een hele groep vreemde mensen met allemaal verschillende belangen. Hoe veel vreemder het nog is om te worden geïnterviewd door iemand die anders nooit met je zou praten. Iemand afkomstig van het continent waar de mensen willen dat jullie er wegblijven.

Ik kan niet invoelen hoe het is om de tochten te maken die zij maken. Ik zal nooit mijn leven willen wagen met weinig kans op overleven en alles en iedereen achterlaten met als enige en hoogste doel een baantje als vuilnisophaler in een achterbuurt van Parijs of Rotterdam.

Waar ik wel iets van begrijp is het zwijgen. Ik zou ook m’n mond houden als ik hen was.

Amadou (6)

En dan is er twee dagen later een man met een schoon T-Shirt die hem aanspreekt. Een man met een zachte stem die zegt dat hij hem wil helpen. Helpen met terugkeren. Mali is ook zo slecht niet. Wat zijn de kansen hier na tijden rondzwerven? Hulp aanvaarden is beter dan uitgezet worden. Amadou denkt aan zijn familie. Aan de ketting. Aan zijn moeder.

'En dan zie je ook je familie weer.'

Amadou denkt na. Hij weet niet of zijn familie juist de reden is om terug te keren of om weg te blijven. Waarschijnlijk het laatste. De man zegt dat ze hem kunnen helpen zijn familie financieel te onderhouden. Amadou krijgt een schone broek, water en brood. Eindelijk.

Na een paar dagen bevraagt een blonde vrouw hem in een kamer met airco over een bedrijfje.

'Bedrijfje?' vraagt Amadou. Ze praat snel Frans, te snel. Hij probeert op tijd te knikken.

'Toch?' eindigt ze haar verhaal met een grote glimlach. 'Ja,' mompelt hij.

'Dus, wat wil je?' vraagt ze. Ze lacht weer. 'Wat ga je doen?'

'Wat?' mompelt hij.

'Voor werk?' legt ze uit. 'Hoe ga je een goede start maken?'

Zenuwachtig probeert Amadou snel te denken. Hij denkt aan de stenen die hij versjouwde in Timboektoe. Aan de vuilnisbakken. Aan de dagen zonder eten.

'Waarin heb je werkervaring?' proberen de blauwe ogen. Het lachen wordt statischer, alsof ze op pauze is gezet.

Een Frans woord dat ik goed uitspreek, denkt hij driftig.

'Fruit,' mompelt hij tenslotte.

Dan moet hij nog vier kamertjes langs. Bij elk kamertje probeert hij woorden te zeggen die hij kent in het Frans. Ze regelen een vertaler die het duidelijker maakt. Hij voelt zich blij en beschaamd tegelijkertijd bij het zien van een andere Malinees. De vertaler stelt vragen en vraagt hem details te geven. Hij doet zijn best. Ze willen het beste voor hem zeggen ze. Ze zullen hem geen cash geld geven, maar steun.

Terwijl het vliegticket wordt aangevraagd denkt Amadou aan zijn oom, en aan zijn neven. Zij willen een huis zien. Of tenminste een scooter.

het document (1)

En dan, na vier afgezegde afspraken, twee dagen voor vertrek en drie dagen na een aanslag vlakbij Bamako, gebeurt er iets opmerkelijks. Ik mag toch nog een keer op bezoek komen bij de organisatie die teruggekeerden begeleidt. Terwijl in de binnenstad meer dan honderdduizend mensen demonstreren tegen de regering, praat ik in een afgelegen buurt met een medewerker van de organisatie. Ik ken hem nog niet, heb hem alleen aan de telefoon gesproken. Het gesprek voelt open aan. Echt open. 'Ik ga je steunen, er is nog wat tijd,' zegt hij. Ik mag een uur lang de persoonlijke verslagen inzien met de belofte dat ik alles anonimiseer. Ik lees. Ik kan niet ophouden met lezen. Bij één document stop ik. Ik krijg het warm.

Amadou (7)

Tijdens de vlucht kijkt Amadou geen enkel moment naar buiten. Wanneer hij met zijn nieuwe paspoort naar buiten stapt en de hete lucht van Bamako hem omklemt, wordt hij bevangen door angstzweet. Ze mogen nog niet weten dat hij terug is.

De twee maanden die volgen, werkt hij net buiten de hoofdstad, ’s nachts. Bij de partnerorganisatie stellen ze vragen en beloven ze zijn familie niks te zeggen. Ze schrijven alles op, zeggen dat het vertrouwelijk is. Dat hij hier drie keer om hulp mag vragen. En dat hij straks nog even moet praten met een buitenlandse journalist: hij krijgt er wat voor als hij meewerkt.

De dag erna koopt hij van al zijn geld een flesje parfum met PARIS erop. Hij trilt steeds meer terwijl de straten bekender worden. Hoe kleiner de zijstraatjes, hoe langzamer hij gaat lopen.

'Ik ga zo snel mogelijk weer weg,' verbreekt hij de stilte nadat hij zijn moeder, tante en oom in de kamer thuis aantrof.

'Mijn jongen,' mompelt zijn moeder en loopt op hem af. Ze raakt even zijn gezicht aan.

'Wat heb je gedaan?' vraagt zijn oom. Amadou draait zich naar hem om en kijkt naar de grond.

'Ik ben in Europa geweest,' mompelt hij.

'En toen?' fluistert zijn oom.

'Ik ben teruggekomen.'

'En nu?' vraagt zijn oom. 'En wij?'

'Ik heb parfum, voor de vrouwen,' mompelt Amadou, bijna zonder geluid te maken. Zijn oom zegt niets.

'En wat rijst,' vervolgt Amadou snel. Hij houdt het zakje omhoog dat hij achterhield voor als ze eten wilden zien. Hij krijgt het warmer. Hij voelt dat hij niet lang meer kan blijven staan. Thuis zijn is iets anders dan thuiskomen.

'En nu?' herhaalt zijn oom.

'Ik ga werken,' mompelt Amadou, en dan zachter: 'fruit,' maar zijn keel is dichtgeknepen.

Zijn oom loopt de kamer uit. Bij de deur draait hij zich even om: 'Chacun sa chance,' fluistert hij.

De volgende dag komt een groep uitgezette migranten aan in Bamako. Ze worden onthaald met vlaggetjes. 'Slachtoffers van arrogant Europa!' roepen een paar mensen. De dag erop worden vijf Malinezen bevrijd uit een vluchtelingenkamp in Libië. Ze worden opgenomen in Malinese families en de buurt zamelt eten voor ze in. Amadou hoort hier niks van. Hij kan geen kranten lezen. Onder de oudste brug van Bamako spreekt hij vreemden aan in gebroken Frans en Bambara. Of zij hem kunnen helpen met het oversteken of afvaren van de Niger. Hij wil ervoor werken. Noem maar hoeveel. Hij doet alles.

het document (2)

Op de eerste pagina van het document zit een foto geplakt. Ik herken de jongen van de foto. Het is de jongen van het groepsinterview die mij niet aankeek wanneer hij praatte. De jongen die op al mijn vragen ‘oké’ antwoordde. Ik hoor voor het eerst het verhaal, het hele verslag dat hij niet aan mij kwijt kon. Langzaam sla ik het papier om. Ik kan niet ophouden met lezen. Dan kijk ik weer naar zijn foto en denk aan de blik die mij twee weken geleden zo ongemakkelijk maakte. Onder de foto zijn op een vastgeniet papiertje zijn gegevens vermeld. Ik lees:

 ‘Amadou, lftd: 18. Beroep Mali vr vertrek: Geen. Fam.: Moeder, tante, oom, neven (vader, broer: dood). Staat op dit moment: gearriveerd.’

Daaronder is een notitie toegevoegd die dateert van eergisteren.

‘Amadou, staat op dit moment: vermist.’

met dank aan

Eindredactie en tekstbegeleiding: Katja de Bruin, VPRO

Eindredactie en begeleiding beeld en geluid: Bella Boender, VPRO

Webredactie: Yasmin Wegman, VPRO

Fotografie, opname en ondersteuning: Peter Paul Vossepoel

Meelezers: Willem Claassen, Kim van Kaam, Nine Hoog Antink en Wouter van Nienes

Met bijzondere dank aan: Alfousseni, Rabiatou, Mahmoud, Youssef, Stéphane, Isaie, Ibrahim, Karim, Cheickh, Sagara

En met bijzondere dank aan Ruud van Soelen, voor zijn ondersteuning, kennis en gastvrijheid in Mali

Mede mogelijk gemaakt door het Nederlands Letterenfonds

Marjolein Visser (27) studeerde Psychologie en Gezondheid en Culturele Antropologie en Ontwikkelingsstudies en deed onderzoek voor o.a. VluchtelingenWerk. Ze won o.a. Writing For Success en tweemaal stond ze in de landelijke finale van Write Now!. Afgelopen jaar werd ze geselecteerd voor het Slow Writing Lab, het ontwikkeltraject van het Nederlands Letterenfonds. Marjolein geeft schrijflessen aan ouderen in Het Verhalenhuis en aan asielzoekers. Marjolein zit in een talentontwikkeltraject van Productiehuis De Nieuwe Oost.