steun vpro

Zelfportret in verhalen

, Katja de Bruin

De vele gezichten van de Franse schrijfster Colette worden allemaal zichtbaar in 'De eerste keer dat ik mijn hoed verloor'. Teksten gekozen, vertaald, geannoteerd en van een inleiding voorzien door Kiki Coumans.

Ze danste met ontblote borst voor een volle zaal en kuste haar vrouwelijke geliefde op de planken van de Moulin Rouge, maar ze was ook een kluizenaar die in de tuin van haar buitenhuis eindeloos kon kijken naar een spinnenweb of een badend vogeltje. De vele gezichten van de Franse schrijfster Colette worden allemaal zichtbaar in een prachtig nieuw Privé Domein-deel met de titel De eerste keer dat ik mijn hoed verloor. Vier jaar lang werkte Kiki Coumans aan dit boek. Ze las, vertaalde en rangschikte honderden teksten met als resultaat dit  ‘zelfportret in verhalen’.

Een enkeling zal zich nog vaag de paar romans herinneren die in de jaren zeventig vertaald werden, maar Colette is geen schrijver, die nog gelezen wordt. Haar tragiek is dat ze bekender werd door haar scandaleuze leven dan door haar literaire werk, en dat terwijl niemand betwist dat ze tot de Franse canon behoort. Toen ze in 1954 overleed, 81 jaar oud, weigerde de aartsbisschop haar een katholieke begrafenis te geven, omdat ze gescheiden was. In plaats daarvan kreeg ze, als eerste vrouw in de Franse geschiedenis, een staatsbegrafenis.

Geliefd maar controversieel, zelfs na haar dood, het past bij het buitengewone leven dat Colette leidde en dat door Coumans in haar voortreffelijke inleiding wordt geschetst. Het opgroeien op het platteland met een onconventionele moeder, haar vroege huwelijk met een veel oudere kunstcriticus die haar opdroeg wat pikante jeugdherinneringen op te schrijven die hij vervolgens onder zijn eigen naam publiceerde.

Colette werd schrijver tegen wil en dank en bleef haar leven lang beweren dat ze liever niet had geschreven. Coumans verklaart die houding door te wijzen op Colette’s verregaande perfectionisme: ‘Ik heb veel handschriften bekeken en dan zie je hoe ze eindeloos bleef corrigeren. Ze schreef niet alleen romans en verhalen, maar ook veel stukken voor kranten en tijdschriften. In dit boek heb ik zelfs teksten uit de Marie-Claire opgenomen. Wat ze ook deed, ze maakte zich er nooit vanaf. Een stuk ging pas de deur uit als ze helemaal tevreden was. Ik geloof dus niet dat ze dat zei om te koketteren. Wat ook meespeelt, is dat ze het heel moeilijk heeft gehad om geld te verdienen. Na haar scheiding nam ze zich voor nooit meer afhankelijk te zijn van mannen. Daarom is ze destijds ook gaan dansen, ze had alleen haar lichaam.’

gouden juweeltje

Colette was begin dertig toen ze in 1907 in het stuk La chair met ontblote borst op het toneel verscheen. Rond dezelfde tijd kreeg ze een verhouding met een gescheiden markiezin die zich kleedde als een heer van stand in een tijd waarin vrouwen nog officieel toestemming nodig hadden om een broek te mogen dragen. Het zou niet de enige opzienbarende relatie van Colette zijn. Toen ze achterin de veertig was, begon ze een affaire met haar zestienjarige stiefzoon, die vijf jaar standhield.

Dat ze geen sociale schaamte kende, was te danken aan haar ruimdenkende moeder Sido, een figuur die in haar autobiografische werk haast mythische proporties aanneemt. Als kind al had Colette geleerd zich niets aan te trekken van de bekrompen dorpsgenoten die van achter de gordijnen toekeken hoe Sido haar dochter vrij liet rondstruinen in het bos. Ook middenin de nacht. Sido noemde haar ‘Gouden Juweeltje’. Het juweeltje zou haar moeder in haar werk veelvuldig bezingen, ‘zo goed als ik kan.’

Het geboortehuis van Colette, in het onaanzienlijke dorpje Saint-Sauveur in de Bourgogne, ging in mei 2016 na een renovatie open voor bezoekers. ‘Een groot en ernstig huis,’ schreef Colette, ‘dat alleen aan de tuinkant glimlachte.’ Lyrisch schrijft ze over die tuin, waar Sido haar kinderen riep als het etenstijd was. ‘Zo’n mooie stem, en wat zou ik huilen van vreugde als ik die nog eens kon horen…’

zintuiglijke stijl

Coumans vertelt dat Sido pas heel laat een rol ging spelen in haar werk. ‘Pas in 1922 schreef ze voor het eerst over haar, in Het huis van mijn moeder. Toen was Sido al tien jaar dood. Het was een heel dominante, eigenzinnige vrouw. Colette ging maar drie keer per jaar bij haar op bezoek, terwijl ze heel veel reisde.

'Vlak nadat Sido overleed, is Colette zwanger geraakt, ze was toen al veertig. Haar eigen dochter heeft ze verwaarloosd. Die is grotendeels opgevoed door een Engelse nanny. Ze zagen elkaar heel weinig en dat meisje deed alles om de aandacht van haar moeder te trekken. Colette koos volledig voor het schrijverschap, zoals mannen dat ook deden. Daar was ze heel eerlijk over. Ze wilde geen middelmatige schrijver worden omdat ze een kind had.’

Dat ze die gevreesde middelmaat ontsteeg, bewijst dit fraaie zelfportret, waarin ze haar unieke zintuiglijke stijl aanwendt voor grote en kleine zaken: een rechtszaak tegen een Marokkaanse hoerenmadam, een bezoek aan de slagvelden bij Verdun in WO I, een reis per oceaanstomer naar New York.

Haar grootste kracht schuilt in haar vermogen tot observeren. Een kasteel ligt ‘als een buldog, laag en vierkant’ in het gras, een kat heeft een gezichtje ‘blauw als een zomers buitje’, de klaverzuring slaapt sierlijk in. Twee jaar voor haar dood schreef ze dat ze zichzelf nooit als ware avonturier had beschouwd. Daarvoor had ze te veel van rust en nietsdoen gehouden. ‘Het doet er niet toe, ik heb me onderweg in ieder geval goed vermaakt.’

De eerste keer dat ik mijn hoed verloor. Zelfportret in verhalen.

Colette: De eerste keer dat ik mijn hoed verloor. Zelfportret in verhalen.

(Gekozen, vertaald, geannoteerd en van een inleiding voorzien door Kiki Coumans, uitgeverij De Arbeiderspers)