Koudeoorlogskind

, Lokien de Bie

In haar boek 'Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog' ontleedt schrijfster/sociologe Jolande Withuis de relatie met haar vader, een overtuigd communist, en haar jeugd tijdens de Koude Oorlog: ‘Wij waren de vijand.’

‘Nee, ik heb mijn vader nooit durven vragen wat hij nu eigenlijk vond van de onthullingen over de massamoorden en decennialange terreur door Stalin,’ vertelde schrijfster/sociologe Jolande Withuis (1949) tijdens het openhartige VPRO Marathoninterview op kerstavond 2017. ‘Dat was niet aan de orde, te intiem. Hij antwoordde niet of maakte er een grap van. Daar deed ik ook aan mee hoor, wij leefden voor de grappen. Voor een deel weet ik dus niet hoe mijn vader omging met zulke emotievolle zaken, wat hij ervaarde, erbij voelde. Dat is een raadsel waar ik na zijn dood mee bleef zitten en ben gaan uitzoeken.’

Haar pogingen tot ontraadseling zijn nu te lezen in het boek Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog, waarin Withuis de levensgeschiedenis van haar vader, de bekende schaakjournalist Berry Withuis (1920-2009), reconstrueert. Met behulp van onder meer zijn bvd-dossier, want de in een gereformeerd gezin in Zutphen geboren Withuis wordt al jong overtuigd communist en redacteur van dagblad De Waarheid. In 1960 gaat hij als zelfstandig schaakjournalist schrijven voor onder andere AD en Vrij Nederland en hij ontwikkelt zich ‘tot de grote roerganger van het Nederlandse schaak’, in de woorden van schaakvriend Hans Ree.

Toch is het geen biografie over haar vader geworden, volgens de schrijfster. ‘Meer een boek over mijn jeugd, het opgroeien in een communistisch gezin tijdens de Koude Oorlog.’ Withuis: ‘De term Koude Oorlog kende ik als kind nog niet. Wat ik wel wist was dat de mensen om ons heen ons als vijand zagen en dat we altijd op onze hoede moesten zijn.’ Nadat de cpn vlak na de oorlog (door moedig verzetswerk van vele communisten) een ongekende populariteit beleeft – De Waarheid is even de grootste krant van Nederland – verdampt die volksliefde snel. Het anticommunisme blijkt niet verdwenen.

gemalen peper

Withuis schrijft: ‘De oude haat tegen de nazi’s richtte zich met dezelfde energie tegen de nieuwe “totalitaire” dreiging, de Sovjet-Unie, en dichterbij tegen diegenen die werden beschouwd als hun binnenlandse handlangers: wij. Het gezin waarin ik was geboren. Wij waren de vijand, de aanstaande collaborateurs, de vijfde colonne.’

Het gezin Withuis – vader Berry, moeder Jenny, dochter Jolande, zoon Max en hond Fide (‘De hond was het enige levende wezen bij ons thuis dat werd aangeraakt. Aangezien wij elkaar niet knuffelden, knuffelden wij allen de hond. Hij had een mooi leven, onze Fide.’) – bewoont een etagewoning in de Amsterdamse Witte de Withstraat. Een door de politiek beheerst gezinsleven, de gedwongen loyaliteit aan de partij, de vijandige buitenwereld (uitsluiting, beroepsverboden) en dichterbij: geweldadigheden tegen communisten en familie (‘Mijn moeder zette boven aan de trap onze metalen vuilnisbak en een zak gemalen peper klaar en eenieder die met kwaaie bedoelingen onze trap opkwam, kon die vuilnisbak op zijn hoofd of de peper in zijn gezicht krijgen’), het ‘anders zijn’ op de lagere school en het gymnasium (‘de waarden op school stonden haaks op de waarden thuis’) worden raak beschreven.

Afgewisseld met de ‘heerlijke’ logeerpartijtjes bij oma en de tantes in het ‘paradijselijke’ Zutphen (‘Mijn Zutphense familieleden waren hartelijk en geestig, hadden alle tijd om met mij halma en scrabble te spelen, en bij hen kon ik, anders dan thuis, terecht met vragen over mijn vaders jeugd. Wat het belangrijkste was: hier waren we niet de vijand. Hier hoorden we bij de gewone wereld en aaiden vreemde mensen mij, een kleine Withuis, zomaar over mijn bol’).

diepe krassen

Op haar karakteristieke wijze, een literaire stijl met aandacht voor sociologische en historische gezichtspunten gecombineerd met persoonlijke ervaringen, weet Withuis een haarscherp en ontroerend portret te schetsen van het kind dat opgroeit in het – in haar kinderlijke beleving – ‘vrolijke, vrije en ongebonden gezin’ en de allengs groeiende twijfel over de politieke overtuiging van haar vader (‘mijn vader was mijn held’). Die eerste barsten in het totalitaire geloof – ontstaan tijdens haar studie sociologie/antropologie (‘precies in de periode dat lidmaatschap van de cpn bij mijn medestudenten “bon ton” werd’) – leiden tot het ‘stukje bij beetje ontdoen van de druk die ik voelde om mijn leven in te richten zoals ik dacht dat mijn vader het wilde, en weer een stapje richting van mijn persoonlijke bevrijding.’ De breuk met haar afkomst opende voor Withuis de weg naar het schrijverschap en een wetenschappelijke carrière, maar leidde tegelijkertijd tot een verwijdering tussen haar en haar ‘ongrijpbare’ vader.

In het begin van haar boek schrijft Withuis: ‘Hoe ver ik me de afgelopen veertig jaar ook van zijn politieke overtuiging heb verwijderd, nog steeds komt soms opeens aan het licht hoe diep de krassen zijn die mijn vader in mijn ziel heeft gekerfd.’ Verderop lezen we dat haar persoonlijke bevrijding gepaard ging met ‘jaren van ziekte en paniekaanvallen – rond 1970 tijdens een partijvergadering begonnen en over het hele leven uitgebreid met invaliderende gezondheidsklachten.’ Typerend voor Withuis’ eerlijke, maar nergens beschuldigende schrijfstijl worden die ‘diepe krassen’ op dezelfde liefdevolle toon beschreven als de laatste jaren van haar vader. ‘Las hij eerder meestal door als er bezoek kwam, nu keek hij blij op als ik mijn fiets voor het raam zette (...) en legde hij de krant opzij. Opeens had ik gewoon een vader die zich verheugde als hij zijn dochter zag. Hij was die laatste jaren duidelijk trots op mijn schrijverij, hoewel hij zelden inging op de strekking van mijn werk, dat hem vaak moet hebben gekwetst.’

Jolande Withuis: Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog (Uitgeverij De Bezige Bij)

advertentie