steun vpro

zondag 2 april, 11.20 uur, NPO 1

Thomas Möhlmann en Joke Hermsen

Jeroen van Kan praat met Thomas Möhlmann over zijn dichtbundel 'Ik was een hond'. Ook te gast is Joke Hermsen. Zij schreef 'Melancholie van de onrust', het essay voor de Maand van de Filosofie.

VPRO Boeken
Zondag 2 april om 11.20 uur op NPO 1

Presentatie: Jeroen van Kan

Thomas Möhlmann

Jeroen van Kan ontvangt Thomas Möhlmann over zijn nieuwste dichtbundel Ik was een hond.  In een tijd waarin steden zinken en buitenwijken branden, kan de dichter niet langer verwonderd aan de zijlijn blijven staan. Gesterkt door een leger van illustere voorgangers en hedendaagse inspiratiebronnen, schrijft Thomas Möhlmann zich in Ik was een hond een weg naar een bewoonbare toekomst. Familie, liefde, politiek: alles van waarde weert zich. Waar we precies vandaan komen is aan het oog onttrokken en waar we eindigen is onbekend, maar 'we leven nog, alles wat je denkt, alles wat/ je wilt, kunnen we wat mij betreft nu nog worden'.

Thomas Möhlmann publiceerde twee poëziebloemlezingen en de bekroonde en geprezen dichtbundels De vloeibare jongen (2005), Kranen open (2009) en Waar we wonen (2013). Hij is redacteur van poëzietijdschrift Awater en doceert aan ArtEZ Hogeschool voor de kunsten in Arnhem. Zijn poëzie las hij voor op talloze binnen- en buitenlandse podia, van Berlijn, Bratislava en Istanbul tot Lowlands, Crossing Border, Carré en het Concertgebouw.

Joke Hermsen

Ook te gast is Joke Hermsen over haar essay voor de Maand van de Filosofie, getiteld Melancholie van de onrust. Hierin onderzoekt Hermsen het kantelpunt waarop de mens nog net over voldoende moed, daadkracht en hoop beschikt om het tij te doen keren en een nieuwe verhouding tot de wereld en zichzelf te zoeken.

Over het essay schrijft zij: 'De mens is volgens Nietzsche een weemoedig wezen, een homo melancholicus, die weet heeft van verlies, vergankelijkheid en verlatenheid. We proberen deze weemoed om te buigen tot hoop, tot reflectie of kennis, creativiteit of dagdromen, macht of verstrooiing. Maar wat gebeurt er als het tij flink tegenzit en onze melancholie door onrust, angst en teloorgang van idealen slechts naar de duistere kant van het verlies getrokken wordt? Kan zij dan nog vruchtbaar, in de zin van creatief of hoopvol, gemaakt worden? Of reageren wij dan als de zwaan van Jan Asselijn en blazen we woedend en bang naar eenieder die in onze buurt komt en ons nest bedreigt? Wat is er nodig voor deze veerkracht van het denken, die ons dezer dagen steeds vaker lijkt te ontbreken?'