‘Wie iets van Noord-Korea wil begrijpen moet zeker naar Noord-Koreaanse speelfilms kijken,’ zegt Johannes Schönherr, schrijver van North Korean Cinema: A History. ‘In de films zit altijd een ideologische boodschap, een boodschap bovendien die actuele problemen in het land aangaat, en de door het regime goedgekeurde oplossingen. En het is natuurlijk de leukste manier om Noord-Koreaanse cultuur te bestuderen.’
Opgegroeid in de DDR en naar het Westen gevlucht, begon Schönherr begin jaren negentig met het organiseren van zogeheten Trashfilm Roadshows. Hij toerde door Europa met Japanese cyberpunkfilms, bracht een show met vintage Amerikaanse porno naar Zuid-Korea en kwam via een vriend die in Berlijn een bioscoopje runde in contact met vertegenwoordigers van de Noord-Koreaanse ambassade. Die waren op zoek naar kopieën van westerse films – voor de privéverzameling van Kim Jong-il allicht. Schönherr reisde op uitnodiging af naar Pyongyang en trok niet veel later met een show van Noord-Koreaanse films de wereld over.
‘Ze leven in het paradijs, dankzij hun goddelijke leiders,’ zegt Schönherr, ‘dat is wat ze hun leven lang horen, in de scholen, in de fabrieken, in de bioscoop. Maar voor dat verhaal gaan de mensen niet naar de bioscoop. Ze willen een spannende avonturenfilm, een liefdesverhaal, een bloedige actiefilm. De propaganda nemen ze voor lief, het is alledaagse ruis, zoals de meeste kijkers in het Westen geen notie nemen van de voorspelbare formules van de Hollywoodfilms. Of Noord-Koreanen ook echt in de mythologie geloven, is nog iets heel anders. Maar als je van ochtend tot avond hoort dat de leider de grootste is, als je nooit iets anders hoort... Ik denk zeker dat bijvoorbeeld het grote verdriet bij de begrafenis van de leider tot op bepaalde hoogte authentiek was. Maar de begrafenis was tegelijk ook een tot in de details geregisseerde productie, met ontelbare camera’s. Iedereen wist waar hij moest staan, wat er van ze werd verwacht, hoe ze zich dienden te gedragen.’