De patsers van de cinema!

Adil El Arbi en Bilall Fallah over Patser

, Gerhard Busch

De derde film van het Vlaamse regisseursduo Adil El Arbi en Bilall Fallah heet Patser, 
een grappig, maar vaak ook grimmig misdaaddrama. Met een opvallende bijrol voor Ali B.

Op de kunstacademie ­Sint-Lukas in Brussel leren Adil El Arbi (29) en Bilall Fallah (32) elkaar kennen. Daar vallen ze al snel op. Niet alleen omdat ze de enige twee studenten zijn van Marokkaanse afkomst, ook omdat ze de enige twee studenten zijn die Hollywoodfilms willen maken. Ze werken al vanaf het begin mee aan elkaars projecten en besluiten ‘ergens in het tweede of derde jaar’ samen films te gaan maken. 

Terwijl de meeste medestudenten van toen nog wachten op hun eerste speelfilm, presenteren zij deze week alweer nummer drie, Patser genaamd. Een grappig, maar vaak ook grimmig misdaaddrama over de cokehandel in Antwerpen en Amsterdam. 

Ik spreek de makers begin januari in kun­stencentrum DE Studio in Antwerpen. Voor de deur staat een grote gouden auto met op het nummerbord het woord ‘Patser’. Die zal later gebruikt worden bij de promotie. Kan je ermee op een selfie, want Patser is een publieksfilm. Minder rauw dan voorgangers Image (2014) en Black (2015), maar nog steeds een realistisch portret van het leven van de straat.

In de begintitels staat ‘De derde film van Adil & Bilall.’ Is dat een knipoog naar Tarantino?
El Arbi: ‘Jazeker. Er zitten nog veel meer knipogen naar andere makers in deze film. Je zou er een spel van kunnen maken.’

En als andere makers aan jullie films zouden refereren, wat zouden we dan zien?
El Arbi: ‘Films met meer allochtonen. En veel scheldwoorden. Heel kleurrijk.’
Fallah: ‘En veel montages met muziek. Clipachtig.’
El Arbi: ‘Maar ook met maatschappijkritiek. We zijn opgegroeid met Martin Scorsese, Spike Lee en Oliver Stone. Regisseurs die heel gestileerde films maken, maar ook iets over hun wereld willen zeggen. En dan zonder politiek correct te zijn. Wij casten veel acteurs van andere origine en hopen dat hun carrières daarmee gelanceerd worden. Want de Vlaamse filmwereld is nog steeds superblank. In Nederland lijkt het beter. Jullie hebben Ali B, Achmed Akkabi en Nasrdin Dchar. Wij hebben niemand.’

Jullie misschien?
El Arbi: ‘Zonder dat je dat wilt dan. Want we zijn geen heiligen. We gebruiken te veel scheldwoorden en maken te veel fouten om rolmodel te zijn.’
Fallah (lachend): ‘Ik wil wel model zijn. Mag dat ook? Calvin Klein, bel ons!’

'Een film moet een event zijn en gouden kloten hebben'

Fallah Bilall

Jullie hadden het net over Ali B. Die zit ook in de film, als de Amsterdamse cokedealer Hassan Kamikaze.
Fallah: ‘Ik ken Ali B al vanaf dat ik klein was. Hij was mijn held. Hij rapte in het
Nederlands en dat hadden we niet in Vlaanderen.’

Zei hij meteen ja?
El Arbi: ‘Awel, we hebben die rol speciaal voor hem geschreven. We vroegen hem of hij de bad guy wilde spelen, en hij zei: “Ja man, natuurlijk.”’
Fallah: ‘Hij is meer dan alleen acteur. Hij is een echte filmmaker en dacht mee over de scènes.’
El Arbi: ‘En hij is heel intens. Op de set was hij net Tony Montana. Uit Scarface.’

Wat is het toch met die film? Hij is al jaren immens populair onder allochtonen. Terwijl Montana een coke snuivende, gevaarlijke gek is… 
Fallah: ‘Maar hij is ook een immigrant die van nul iets opbouwt. Weet je wat grappig is: gangsters van nu zijn sterk geïnspireerd door gangsterfilms. En wij maken dan weer films over die gangsters.’

Ligt daar niet ook een gevaar? Dat jullie de clichés alleen maar versterken?
El Arbi: ‘Wij spelen met de archetypes, maar gaan er daarna wel de diepte mee in. Waardoor het originele karakters worden. Onze held Adamo is voor de helft Italiaan is en voor de helft Marokkaan. Daarom weet hij niet goed waar hij thuishoort.’

En dan heb je ook nog Yasser, die bij de politie werkt…
El Arbi: ‘Voor mij is hij de verpersoonlijking van de Marokkaan in Europa. Hij probeert goed te doen, maar hoort eigenlijk nergens bij. Niet bij de politie, waar hij te maken heeft met racistische collega’s, en niet in zijn eigen gemeenschap, waar ze hem zien als een verrader.’

In wie herkennen jullie je het meest?
El Arbi: ‘Yasser…’
Fallah: ‘…maar ook in Adamo. Want wij zijn de patsers van de cinema!’
El Arbi: ‘We maken films om op te vallen.’
Fallah: ‘Een film moet een event zijn. Hij moet gouden kloten hebben. Tegelijkertijd zijn we natuurlijk ook superonzeker. We proberen maar wat.’

Ondertussen zijn jullie al wel in Hollywood geweest. Gaan wellicht Bad Boys 3 maken, misschien Beverly Hills Cop 4. En jullie hebben al twee afleveringen geregisseerd van de serie Snowfall. Daarvoor schoten jullie op locatie in de beruchte wijk South Central. Waarom?
Fallah: ‘Authenticiteit is heel belangrijk voor ons.’
El Arbi: ‘We willen de mensen uit zo’n wijk, of dat nou South Central, Molenbeek of ’t Kiel in Antwerpen is, betrekken bij een film. Dat maakt het rauwer en echter. Die wijken zijn als personages voor ons.’
Fallah: ‘We willen dat de kijker ook echt in die wereld terecht komt.’

Komen jullie zelf makkelijk binnen?
El Arbi: ‘In South Central zijn we bijna vermoord. Kwam er een auto keihard op ons afrijden, zodat we echt uit de weg moesten springen.’
Fallah: ‘Ze zagen direct dat we outsiders waren.’
El Arbi: ‘Gelukkig heb ik altijd een ketting met een hanger in de vorm van Afrika om mijn nek hangen. Dan bedaren ze al snel en is het van: Oké, oké, gij zijt niet blank.’
Fallah: ‘Dan zijn we een van hen. Want we kennen hun struggle.’