De opmars van echte misdaad

o.a. Making a Murderer, The Jinx en Captive

, Nick Boers

‘True crime’ is aan een opmars bezig, nu die series steeds meer afkijken van hun fictiebroertjes.

Poster voor de nieuwe serie Captive (Netflix)

Het is niet verwonderlijk dat true-crime-series als Making a Murderer, The Jinx en het nieuwe Captive (vanaf 9 december bij Netflix) juist nu in opmars zijn, nu ook zij eindelijk – in navolging van de betere kwaliteitsseries – inzetten op langere, complexere verhaallijnen, dieper uitgewerkte personages en meer filmische technieken. Dat vreet de kijker wel, getuige de liefde voor programma’s als The Wire, The Killing en The Fall. Het is alleen de vraag waarom we er zo lang op hebben moeten wachten voordat true crime ook de overstap maakte. Waarom bleef het genre zo lang aan de zijlijn?

Om te beginnen was er vooral iemand nodig die het anders durfde te doen. Hoewel moord en misdaad altijd goed scoren – of het nu gaat om boeken, tijdschriften, films of kranten: if it bleeds, it leads – zat true crime de laatste jaren vooral in een verdomhoekje. De zeldzaam doorwrochte documentaire (The Thin Blue Line, Paradise Lost, The Central Park Five), die was er ja, maar vooral zagen we week in, week uit Opsporing verzocht-reconstructies of Peter R. de Vries-achtige programma’s, vol met verborgen camera’s en ‘confrontaties’. Duw-en-trekwerk en een hoop geschreeuw.

Journaliste Sarah Koenig bewees twee jaar terug met Serial dat het anders kon. De podcastserie rond de ruim vijftien jaar oude moord op de Amerikaanse scholiere Hae Min Lee en de al dan niet terechte veroordeling van Adnan Syed sleurde in 2014 niet alleen de podcast definitief uit de nichesfeer door miljoenen luisteraars aan zich te binden, maar gaf tegelijkertijd ook het true-crime-genre nieuw elan.

Het succes zat (en zit) hem daarbij grotendeels in de niets ontziende focus op één enkele zaak, minutieus uitgewerkt in verschillende delen, met elke week een nieuw belangwekkend spoor dat de boel op zijn kop kon zetten. Koren op de molen voor de fanatieke fans, die door de wekelijkse opbouw ook de kans kregen om zichzelf op het speurwerk te storten. True crime, weg van de sensationele Panorama-covers en pulpboekjes, naar luisteravontuur en participatieproject.

Robert Durst in de HBO-serie The Jinx

Olifantspoten
Minstens zo invloedrijk in die ontwikkeling is The Jinx, de zesdelige hbo-miniserie uit 2015 over het leven van vermeend moordenaar Robert Durst. De excentrieke miljonair werd en wordt verdacht (hij staat momenteel terecht) van drie brute moorden, waaronder die op zijn eerste vrouw, zijn buurman en een oude vriendin.

Een onderwerp dat zich net zo goed had kunnen lenen voor een aflevering van een 13th Street- of TLC-serie – iets met een titel als Unsolved Mysteries of Suspected Killers – maar regisseur Andrew Jarecki en zender HBO besloten anders. In zes afleveringen werden kijkers geleidelijk in het leven van Durst en zijn misdaden gezogen, in een vorm die filmisch eerder deed denken aan True Detective, dan aan Peter R. de Vries. De grenzen van de journalistiek en ethiek werden daarbij niet met voeten getreden, maar met olifantspoten. Een uitermate effectieve aanpak, het true-crime-publiek, al die tijd waarschijnlijk al aanwezig maar simpelweg slecht bediend, kwam plots voor het voetlicht.

Doorslaggevend was daarin natuurlijk ook de climax van al die uren onderzoek en interviews: een bekentenis! Aangeslagen door vragen waar hij maar moeilijk antwoord op had, mompelde de inmiddels 71-jarige Durst wat tegen zichzelf in de badkamer, vergetende dat de opnameapparatuur nog aanstond: ‘What did I do? I killed them all, of course.’

Steven Avery in Making a Murderer (Netflix)

Stierenrijders
Het was de dag na de laatste uitzending voorpaginanieuws, temeer omdat de pensionado de dag vóór de uitzending ook nog eens gearresteerd werd. Over gratis marketing gesproken. Of het ook zo was gelopen als het Durst gelukt was zijn mond te houden? Duidelijk is dat het succes van Serial en The Jinx televisieproducenten en -zenders op het goede spoor heeft gezet.

In dat licht bezien is het succes van Making a Murderer afgelopen jaar ook helemaal niet raar. De tiendelige Netflix-serie, over de moord op journaliste Theresa Halbach, de veroordeling van Steven Avery en de al dan niet kwalijke rol van politie en justitie hierin, markeert de definitieve stap van true crime naar de mainstream.

Dat het ook juist Netflix was die deze stap faciliteerde, is niet verwonderlijk. Om de simpele reden dat de populaire streamingservice documentairemakers Laura Ricciardi en Moira Demos eindelijk datgene kon geven waar het de meeste van hun collega’s aan ontbrak: wereldwijd een ingebouwd publiek van miljoenen mensen die niet afhankelijk van uitzendtijd zijn, wat uitnodigt tot bingewatching. Totale onderdompeling in andermans totaal verkeerd gelopen leven: de rode draad in feite van true crime.

Het was niet voor niets dat de eerste aflevering van Making a Murderer op de dag van verschijning op Netflix ook op YouTube te zien was. De streamingservice zag de potentie en dat betaalde zich uit: de aandacht van media en kijkers was enorm.

Netflix zette dit jaar dan ook gelijk door, met onder andere Fearless (over stierenrijders) en Last Chance U (over een American footballteam dat bestaat uit buitenbeentjes): sportdocumentaires met een lange adem, waarvan vooral laatstgenoemde schatplichtig is aan de betere televisieseries, zoals Friday Night Lights. Series ook met iets minder sexappeal dan een Making a Murderer: het sensationele mag toch niet ontbreken.

Goed dus dat de streamingdienst vanaf 9 december Captive aanbiedt: een achtdelige serie over verschillende – bij het grote publiek bekende, maar ook onbekende – gijzelingen, tot in de puntjes toe onderzocht en geproduceerd door The Bourne Identity-regisseur Doug Liman. Met getuigenissen van de slachtoffers, onderhandelaren en zelfs de gijzelnemers. Dat wordt ongetwijfeld weer een hit.

Captive is vanaf vrijdag 9 december te zien bij Netflix