In vliegtuigfilms en -series wordt het mens-zijn van alle poespas ontdaan: de grens tussen leven en dood blijkt plotseling flinterdun. Goud voor scenaristen, maar hoe kijkt een piloot naar het genre? ‘Wat je in films ziet, doet zich zelden in het echt voor.’

De zon is totaal van de leg: haar straling is plotseling dodelijk geworden. De enige manier om te overleven is op die helft van de aarde blijven waar het nacht is. In Into the Night – de eerste Belgische Netflixserie – reizen we mee met enkele mensen die dit proberen met een vliegtuig, nadat het door een Italiaanse soldaat is gekaapt. Hij is als een van de eerste aardbewoners op de hoogte van het gevaar en bestormt het toestel met een mitrailleur.

Op dat moment is de check-in net begonnen en zijn er nog maar vijftien passagiers aan boord. Zij vormen een dwarsdoorsnede van de bevolking qua leeftijd, opleidingsniveau en religie: een christen, een moslim, een pooier, een verpleegster, een bolletjesslikker en een moeder met een ziek kind. En dan zijn er nog twee jonge vrouwen: de ene is influencer op Instagram en zorgt voor comic relief, de andere was van plan zelfmoord te plegen, maar moet op zeker moment in actie komen om het toestel aan de grond te zetten.

 ‘Een van de betere vliegtuigfilms vind ik Sully, met Tom Hanks. Heel realistisch, ik kon me goed met hem identificeren.’

EVA MARSEILLE

Uiteindelijk draait het niet zozeer om de apocalyps die zich op de achtergrond voltrekt, maar om het drama dat zich achter gesloten deuren ontvouwt in het vliegtuig: wat gebeurt er tussen deze mensen? Daarbij heeft de schrijver en bedenker van de serie, Jason George, die eerder ook schreef voor Narcos en Scandal, zich uitgeleefd in het verkennen van morele dilemma’s, grijstinten en verschuivingen. Hoewel alle gemeenplaatsen van het vliegtuiggenre present zijn – kaping, noodlanding, verstekeling in het landingsgestel –, draait het uiteindelijk om de microsamenleving die ontstaat nu de rest van de mensheid is uitgestorven. In kijkersrecensies op internet klaagt een enkeling over onwaarschijnlijkheden en feitelijke onjuistheden, maar de meerderheid blijkt enthousiast over deze meeslepende vertelling met antropologische dimensies.

Ganzen

De serie Into the Night is gebaseerd op de sciencefictionroman Starość aksolotla (2015, Engelse vertaling: The Old Oxolotl) van de Poolse auteur Jacek Dukaj. Eva Marseille (Haarlem, 1985) is piloot bij een Aziatische luchtvaartmaatschappij. Hoe kijkt zij eigenlijk naar vliegtuigfilms en -series? Marseille: ‘Wat je in vliegtuigfilms ziet, doet zich gelukkig zelden voor in je dagelijkse werk, maar wel bij simulaties. Ik doe elke drie maanden een simulatie waarbij zich telkens verschillende problemen tegelijk voordoen. Dat heeft dus wel iets van een vliegtuigfilm. Het is elke keer weer even spannend en ik ben altijd blij als het erop zit.

Ook tijdens de opleiding moesten we al noodsituaties bestuderen, zoals de kaping van Air France-vlucht 8969 in Marseille. Dat was in 1994 en daarbij sprong de piloot uit de cockpit. Een van de betere vliegtuigfilms vind ik Sully uit 2016, met Tom Hanks in de rol van Chesley Sullenberger, de piloot die op 15 januari 2009 een noodlanding maakte in de rivier de Hudson, kort nadat hij met passagiersvlucht 1549 van US Airways was opgestegen van LaGuardia Airport in New York. De motoren waren uitgevallen na een aanvaring met een zwerm ganzen. Ik vond de film heel realistisch. De zware dagen bijvoorbeeld, die maken het herkenbaar. Ik kon me goed met het personage identificeren. Sommige van mijn collega-piloten zijn dol op het programma Air Crash Investigation van National Geographic Channel. Dat wordt soms ook wel als lesmateriaal gebruikt bij trainingen.’

Tom Hanks als piloot Chesley Sullenberger in Sully (2016)

In vliegtuigfilms zien we vaak hoe een gewone sterveling, zoals Bruce Willis in Die Hard 2, het toestel aan de grond weet te zetten. Kan dat eigenlijk wel?
Marseille: ‘Ik vind dat niet erg realistisch, maar ik ken wel één vergelijkbaar geval. Een jongen die zijn eerste vliegles kreeg van een instructeur die opeens onwel werd. Toen moest hij met behulp van aanwijzingen van de verkeerstoren zien te landen. Het lukte, maar dat was een klein vliegtuigje op een oefencircuit. Een boordcomputer van een Boeing, dat is een ander verhaal.’

Krijgen piloten een psychologische training voor kapingen en andere noodsituaties?
‘Dat niet, maar we leren wel wat we moeten doen bij een kaping. Een kaper niet tegen de haren in strijken, bijvoorbeeld. Verder volgen we bij kapingen een protocol en sturen we een squawk-code [code voor noodsituatie, zie ook kader, red.] naar Air Traffic Control, de verkeerstoren. Sinds 9/11 is het erg lastig geworden voor kapers om tot de cockpit door te dringen. Vroeger ging dat veel makkelijker. Nu kunnen we hem van binnenuit goed afsluiten.’

Hoe realistisch zijn vliegtuigfilms en -series nu al met al?
‘Het voornaamste verschil is denk ik dit: in vliegtuigfilms zie je meestal dat de cabin crew en piloten in noodsituaties improviseren, of handelen vanuit intuïtie of emotie, maar in werkelijkheid worden er in geval van nood vaste protocollen afgewerkt. Het is een bijna militaire, hoogst gestructureerde procedure, met weinig ruimte voor eigen interpretatie. Maar dat is voor een film natuurlijk minder interessant.’

Pilotentaal

Droomt u ervan tijdens een noodsituatie in de lucht heldhaftig op te treden en het toestel zo nodig aan de grond te zetten? Leer dan alvast dit pilotenjargon voor beginners uit uw hoofd.

Ditching: landen op water

Squawk-code: code om een kaping of andere noodsituatie te signaleren

Bird strike: botsing met een vogel

ATC: Air Traffic Control (verkeerstoren) 

George: automatische piloot 

Zulu: Greenwich Mean Time (GMT)

First officer: copiloot

Roger: bericht ontvangen en begrepen

Wilco: bericht begrepen en ik voer het uit (van het Engelse ‘will comply’)

Mayday: ik ben in nood/help mij (van het Franse ‘m’aidez’)