Cannes-sensatie Toni Erdmann

Humor op z’n Kaufmans

, Karin Wolfs

De Toni Erdmann uit de gelijknamige Duitse tragikomedie is gebaseerd op Tony Clifton, die weer een alter ego was van de Amerikaanse performancekunstenaar Andy Kaufman. Hoe een rollenspel sociale conventies kan ontwrichten.

‘Ben je eigenlijk wel een mens?’ laat vader Winfried Conradi (Peter Simonischek) zich ontvallen tegen zijn volwassen dochter Ines (Sandra Hüller), wanneer zij hem probeert weg te werken tijdens zijn spontane bezoek aan haar in Boekarest. Daar is zij business consultant bij een multinational, een veeleisende baan die haar leven tot in de kleine, ‘sociale’  uurtjes bepaalt.

In de Duitse tragikomedie Toni Erdmann – de verrassende sensatie van Cannes – blaast vader Winfried de aftocht om kort daarop zijn rentree te maken op de werkvloer als ‘consultant en coach’ Toni Erdmann: een wat wanorderlijk ogende zestiger in pak, met een halflange donkere pruik en een rij rommelige neptanden onder de bovenlip. Ines herkent haar vader direct in zijn vermomming, maar is te verbluft om hem te ontmaskeren, ook uit angst voor carrièreschade. Dus speelt ze het spelletje voor collega’s mee, maar snauwt ze hem af zodra die buiten gehoorsafstand zijn.

Regisseur Maren Ade baseerde haar Duitse Toni Erdmann op de Amerikaanse Tony Clifton, een alter ego met cultstatus van de legendarische, absurdistische Amerikaanse standup-performer Andy Kaufman. Die maakte eind jaren zeventig, begin jaren tachtig furore met ontregelende optredens waarin hij sociale conventies aan zijn laars lapte en lijnrecht tegen de verwachtingen van zijn publiek in ging. Dat bleef vaak in opperste staat van verwarring achter vanwege Kaufmans rolvastheid en omdat het verlossende woord dat het slechts een grap betrof, steevast uitbleef. Door Kaufman ontketende broodjeaapverhalen konden soms jaren naijlen, omdat ze enthousiast werden gevoed met nieuwe verwarrende episodes. Met als bijeffect dat van Kaufmans ontijdige dood in 1984 door longkanker werd aangenomen dat die ook wel in scène zou zijn gezet.

Conceptueel kunstenaar
Succes oogstte Kaufman met een buitenlandertypetje dat opzettelijk slechte imitaties neerzette in Saturday Night Live. Wanneer het publiek hem begon uit te lachen viel het mannetje uit zijn rol en barstte in tranen uit. Beroemd werd Kaufman met een variatie op dat typetje als automonteur Latka Gravas in de door hem zelf gehate sitcom Taxi. In zijn vijfjarencontract voor Taxi liet Kaufman vier gastoptredens opnemen van ene Tony Clifton, een brutale, nukkige, grillige, zelfingenomen Las Vegas-zanger met bakkebaarden, plaksnor, sigaret en zonnebril, die zijn publiek voortdurend schoffeerde. ‘Wil je humor zien? Hier heb je wat humor!’ riep Clifton terwijl hij een karaf water over een timide toeschouwer leeggooide. Het publiek bleef ontredderd achter, terwijl Kaufman en zijn rechterhand Bob Zmuda – die de toeschouwer speelde – zich krom lachten achter de schermen.

Kaufman beschouwde zichzelf niet als komiek, maar als conceptueel kunstenaar: ‘een zang-en-dansman die speelt met de hoofden van zijn publiek.’ Dat laatste is precies wat regisseur Ade beoogt met haar Toni Erdmann, een combinatie van Kaufmans sociaal onhandige typetjes en de ongelikte beer die Clifton was: geen van allen in staat aan de norm te voldoen. Met zijn slechte imitatie van een business consultant hoopt vader Winfried zijn dochter uit haar kille professionele rol te laten vallen om weer de mens te worden waarin hij haar herkent. Tegelijk laat Ade haar publiek reflecteren op het menselijk gehalte van de mores en codes in de o zo serieuze zakenwereld. Erdmann neemt bijvoorbeeld luidruchtig plaats op een bankje met een scheetkussen in de daktuin van het bedrijf, waar Ines net bij haar chef naar promotie hengelt. Tijdens een coke-feestje raspt hij kaas bovenop zijn hoofd. Wanneer Ines naar een belangrijke meeting moet, ketent hij zich met handboeien aan haar vast.

Nep-piemel
Waar Erdmann een tijdelijk en vooral ludiek verschijnsel is, was Clifton een fenomeen dat zijn schepper overleefde vanwege de venijnige duels die hij uitlokte met zijn onverschrokken gedrag. Niets blijkt mensen kwader te maken dan de structuur die hen houvast geeft aan de laars te lappen. Toen acteur Jim Carrey in 1999 Kaufman vertolkte in de biopic Man on the Moon, kwam een als Clifton uitgedoste man een persconferentie verstoren waar Carrey de film promootte. Hij schoffeerde de filmster, spoot graffiti op de sjieke hotelmuur, en dreigde ook Carrey in het gezicht te spuiten. Die ging daarop Clifton te lijf en gooide een kan ijsthee over diens hoofd met een passend citaat: ‘Wil je komedie zien? Dat is komedie!’ Clifton haalde daarop koeltjes een nep-piemel uit z’n broek – ‘Ik zal je laten zien wat grappig is’ – en bewaterde (met hulp van een pompje) de tafel.

De hamvraag: viel Carrey nou uit zijn rol of was hij medespeler in deze post-mortem prank? Uiteraard ontkende hij dat het een stunt betrof. Kaufman kon zich geen mooiere ode aan zijn werk wensen. Wie met dezelfde ogen naar Toni Erdmann kijkt, snapt waarom dit ingenieuze filmkunstwerk de pers in Cannes op de banken kreeg: de zeldzaam ontregelende komedie vermijdt de makkelijke lach, maar stelt ons in staat misschien wat vaker om onze ingesleten rolpatronen te lachen. Als het lukt om die te zien.