Le mépris van Jean-Luc Godard

De onttakeling van een huwelijk

, Oliver Kerkdijk

Enfin, in de zomer van 1963 ging Jean-Luc dus in Italië een film opnemen met Brigitte...

Brigitte Bardot in Le mépris

Nee, het circa vijftien centimeter hoge kapsel van Brigitte Bardot, een toch allerkoketst kenmerk van de onbetwist opwindendste filmactrice ter wereld, beviel regisseur Jean-Luc Godard allerminst. Maar hoe de capricieuze hoofdrolspeelster van zijn vers geëntameerde project Le mépris (zeer vrij naar Alberto Moravia’s roman Il disprezzo, ‘De verachting’, uit 1954) ervan te overtuigen die wonderblonde prachtkrullen toch uit hun suikerspin te bevrijden? Welnu, Jean-Luc zou geen Godard heten als hij niet op een eureka-idee was gekomen om zijn zin te krijgen. En aldus geschiedde. Zo vertelt de filmkunstenmaker later in een Frans tv-programma: ‘Ik zei tegen Brigitte, als ik nu vijftien meter op mijn handen loop, laat jij dan voor iedere meter je haar een centimeter omlaag?’ Waarop hij, in de studio, voor de verbaasde keuveljoker van dienst, even zijn colbertje uittrekt om met laconieke circusartiestensouplesse een paar meter door de studio te handwandelen.

Ach, goeie ouwe Godard. Begaafde kwajongen-cinedeconstructivist met zowel een Amerika-tic als een hardnekkige stuurafwijking naar links. Die laatste twee zaken harmonieerden niet echt, en dus verving hij zijn adoratie voor het land der onbegrensde buitenlandpolitiek gaandeweg met een onsje meer linksigheid. Dat sloeg rond de anarchistenchaos van 1968 – topleestip over de foprevolutie: Een Parijse beroerte van Cees Nooteboom – door naar maoïsme. Daar bleef J-LG de gehele jaren zeventig stevig last van houden, en zijn filmwerk ook.

Tijdens de draaidagen van Le mépris was Godard nog niet geïnfecteerd met de doctrine van de Chinees-communistische beroepssociopaat. Toch begon daar min of meer de politieke denkomslag van de Parijse cinefiel die Amerikaanse gangsterfilms en Franse vertalingen van overzeese misdaadromans verslond. In Le mépris zit overigens een van zijn knipogen naar de vermaarde Série Noire-reeks van uitgeverij Gallimard. Op de buitengewoon goed gelukte bips van een naakt zonnende BB ligt SN nummer 667: John Godeys Frappez sans entrer, ‘Kloppen zonder binnenkomen’.

Het rudimentaire vertimmerscenario, over de onttakeling van een huwelijk, weerspiegelt de werkelijkheid (of vice versa, dat weet je nooit bij Jean-Luc). Financieringsproblemen, kunst-en-vliegwerk-oplossingen. De Amerikaanse producent die in woede ontsteekt wanneer de artistiek behepte regisseur niet de film met de bestelde kommersjele ingrediënten aflevert. Paparazzi die productie en steractrice belagen. Schuivende zienswijzen, botsende keuzes. Kleine malentendus met dieptebomeffecten. Film over film. Film-in-film. Allemaal net het leven zelf.

Le mépris is als een verdwaalde zwaan die, in gracieuze slow motion over een boek heen stappend, op zonovergoten Capri voor de lens van het luimige toeval belandt. Daarbij wist cameraman Raoul Coutard zelfs die rotskust ontsierende betongruwel van de modernistische Villa Malaparte – waarvoor communist-literator Curzio Malaparte via Mussolini-connecties de bouwvergunning ritselde – elegant te esthetiseren. Prachtig haaks op de nieuwerwetse ad hoc-regie staan de classicistische strijkerspartituren van de grote Georges Delerue: de hoogromantische melancholie weet nog steeds (‘Thème de Camille’) tot tranen te roeren. Summa summarum? Jean-Luc Godard en Le mépris hebben anno 2017 één ding gemeen: zo worden ze niet meer gemaakt.