De surrealistische werkelijkheid van On Body and Soul

Liefde in het abattoir

, Karin Wolfs

Een betoverende liefdesgeschiedenis die zich afspeelt in een slachthuis: dat is Berlinalewinnaar On Body and Soul van Ildikó Enyedi. ‘Deze film is alleen benaderbaar met een genereus hart.’

Alexandra Borbély in On Body and Soul

Enyedi zet de boel op z’n kop. Niet de droom, maar de werkelijkheid is surreëel. Berlinalewinnaar On Body and Soul (Teströl és lélekröl) van de Hongaarse cineaste Ildikó Enyedi opent met een hertenkoppel dat rondsnuffelt in een winters woud.

Daarnaast speelt de film zich af in een slachthuis voor rundvee, waar twee medewerkers – financieel directeur Endre en kwaliteitscontroleur Mária – verliefd raken op elkaar. Bepaald soepel gaat hen dat niet af: sinds vijftiger Endre gehandicapt is geraakt aan één arm durft hij niet meer te vertrouwen op zijn aantrekkingskracht. De jonge Mária is opmerkzaam, maar dodelijk verlegen tussen andere mensen. En zo schutteren ze wat af in de bedrijfskantine – het dagelijkse ontmoetingspunt. Tot ze bij toeval ontdekken dat ze ’s nachts dezelfde droom delen, waarin ze als vrije herten rondwaren in een bos.

Enyedi zag in acteur Géza Morcsányi, die Endre speelt, ‘een soort jonge Clint Eastwood’, vanwege zijn kalme, enigmatische présence. Maar Endre is kwetsbaar als een leeuw die z’n tanden is verloren. De nodige opgelopen blauwtjes hebben hem terughoudend gemaakt. De sociaal onhandige Mária (Alexandra Borbély) is op haar beurt bang voor het onbekende. Enyedi daarover tegen magazine Uncut: ‘Beiden hebben ooit besloten zich uit zelfverdediging voor anderen af te sluiten. Beiden nemen een risico door nu uit die verdediging te stappen.’

De Berlijnse jury liet onder aanvoering van Paul Verhoeven weten verliefd te zijn geworden op de film, ‘omdat hij mensen herinnert aan iets dat in het hedendaags leven te vaak wordt vergeten: compassie.'

‘Deze film is alleen benaderbaar met een genereus hart,’ voegde Enyedi daar zelf nog aan toe tijdens de prijsuitreiking. ‘Omdat we allemaal onze kwetsbare kanten hebben, maar enorm ons best doen die te verstoppen.’

Still uit On Body and Soul

Runderen en herten

Nadat haar film My Twentieth Century in 1989 in Cannes de Gouden Camera voor het beste debuut won, volgde een decennium waarin Enyedi nog vier speelfilms maakte. Maar vanaf 1999 gingen achttien lange jaren voorbij voordat ze On Body and Soul van de grond kreeg. Enyedi over die periode tegen website MUBI: ‘Ik ben tijd verloren die ik aan zinvol werk had kunnen besteden. Maar projecten doordrukken tot elke prijs is ook niet goed. Op bepaalde momenten van mijn leven voelde ik me onder druk gezet en opgejaagd. Er werd geen rekening met me gehouden. Net als met vee in het verloop van een zeer beperkt bestaan. Begrensd in leven, ruimte, vrije beweging en sociale interactie. Het zijn sociale dieren, maar ze krijgen de kans niet. Wat zij doormaken vind ik extreem wreed.’

Het was vanwege de runderen dat ze de herten koos, antwoordde Enyedi op de vraag waarom ze de op elkaar lijkende dieren als elkaars tegenhangers gebruikt. In On Body and Soul snijdt Enyedi van de hoeven van de herten in de sneeuw naar de hoeven van de runderen in een vrachtwagen voor het abattoir. Ze filmt hun koppen, close-up en in het donker, met evenveel aandacht als de gezichten van de mensen in haar film. Eenmaal in de slachterij verandert een rund – door enkele piepjes en een knal – in een object dat omhoog wordt getakeld. Kop eraf. Oornummer onder de scanner. Een machine knipt een beenbot door alsof het een luciferhoutje is.

Wrede routine
‘Sommige dieren werden geschaad tijdens het filmen, maar geen van hen omwille van deze film,’ vermeldt Enyedi droogjes op de aftiteling. Door haar liefdesgeschiedenis in een slachthuis te situeren wil ze de hypocrisie zichtbaar maken die in het dagelijks leven verstopt zit. Enyedi tegen filmportal Cineuropa: ‘We filmden in een heel keurig, EU-comfortabel slachthuis met moderne hydraulische machines. Superschoon en orderlijk. Maar dienstbaar aan een wrede dagelijkse routine. Zo zijn er ettelijke dingen in ons leven waar we op dezelfde manier blind voor pretenderen te zijn. Ik zou ook kunnen laten zien hoe de iPhone wordt gemaakt, of onze kleren.’

Enyedi zet de boel op z’n kop door tegenover de absurde, onthechte werkelijkheid van het werknemersleven in het abattoir het droombeeld van de vrije herten hyperrealistisch te verbeelden. Niet de droom, maar de werkelijkheid is surreëel. Ze wil daarmee tegenwicht bieden aan de overdreven aandacht die ze signaleert voor de onderdelen waarop mens en dier, of mensen onderling, van elkaar verschillen.

In plaats daarvan pleit ze voor meer aandacht voor het geheel dat ons verbindt. Wie zich door angst en behoefte aan veiligheid laat leiden, doet consessies aan zijn bestaan. Dat leidt tot een geestdodend, beperkt leven, zo routineus als in het abattoir. Enyedi kiest daarom voor personages die de moed hebben om het completere leven uit hun droom na te streven. Die hert durven te zijn in plaats van rund. Tegen webzine PopMatters zei ze daarover: ‘In je dromen ben je samen, deel je iets en ben je volledig jezelf. Zoals dieren volledig aanwezig zijn in elk moment van hun leven, omdat ze niet anders kunnen.’