een roestige vrachtwagen als metafoor
Kun je als Congolese choreograaf eigenlijk wel een stuk maken dat níet over Congo gaat? Nou nee, vindt Djino Alolo Sabin. ‘Alles gaat altijd over Congo.'
De piki piki is dé perfecte metafoor voor zijn vaderland, dat al jaren even muurvast zit als de gestrande truck, als gevolg van geweld, corruptie en zelfverrijking van opeenvolgende regimes. Het koloniale België, de regimes van Mobutu, Laurent Kabila en diens zoon Joseph, en tegenwoordig Tshisekedi – het is allemaal één pot nat. ‘Wie er ook aan de macht is, je blijft arm, onveilig en werkeloos.’
Het persoonlijke kán dus niet anders dan politiek zijn. Eigenlijk, zegt de danser en choreograaf, kun je in Congo überhaupt niet over ‘het persoonlijke’ spreken. ‘Alles gaat altijd over Congo.’
Als danser was Djino Alolo Sabin (Kisangani, 1992) al een ‘volleerd autodidact’ toen zijn landgenoot Faustin Linyekula hem uitnodigde voor een vijfjarige opleiding in zijn instituut Studios Kabako.
De toen 16-jarige street dancer kreeg er les van diverse toonaangevende Afrikaanse choreografen.
In Senegal volgde hij een stage aan de École des Sables van Germaine Acogny, de ‘moeder van de Afrikaanse moderne dans’. Daar werd hij opgemerkt door gastchoreograaf Olivier Dubois, die hem uitnodigde voor de Europese tournee van Souls. Nadien volgden engagementen bij gerenommeerde Europese choreografen als Maguy Marin en Boris Charmatz. Piki Piki is zijn tweede choreografie.