Broer

, A.L. Snijders

A.L. Snijders denkt terug aan 1955 na het horen van een gedicht van de Dichter des Vaderlands.

Erik Akerboom, korpschef van de Nationale Politie, en Ester Naomi Perquin, Dichter des Vaderlands, zitten aan tafel bij DWDD. De Nationale Politie bestaat vijf jaar, de dichter heeft een bundel gedichten gemaakt. Ze leest er een voor, ik lees mee zoals het op het scherm verschijnt. 

‘Hoe meet je de zwaarte van een klap die nooit kwam, zoek je de fiets waar niets mee is, die er nog staat?
De brand in een leegstaand schoolgebouw, nooit uitgebroken, laat geen sporen na. Hier is de eindeloze lijst van dingen die niet zijn gebeurd, hier is de nooit betaalde prijs voor toeval, dronkenschap, loslippigheid. Hier is het dodelijke ongeluk, de schade die je nooit veroorzaakt hebt. Hier klinkt de niet geslaakte kreet van twee uit bed gebelde ouders. De stad zwermt van ongehoord geluid. Je luistert ’s nachts naar de zachte voetstap van de dochter die onaangetast de trap op sluipt.’   

Matthijs, Erik en Ester praten over het gedicht, ik praat niet mee, ik zit aan de andere kant van het glas, ik denk aan 1955, ik woonde in Amsterdam, ik fietste naar een vriend, eind van de avond, waarschijnlijk lente.
Waar de brede straat een flauwe bocht maakte werd ik gepasseerd door een oudere politieagent, ook op de fiets. Hij zei in het voorbijgaan: ‘Voortaan hand uitsteken, broer.’ Ik antwoordde: ‘Ik ben je broer niet.’ Hij remde en liet me stoppen. Hij wilde mijn naam weten, ik zei op goed geluk dat hij daartoe niet het recht had. De wederzijdse irritatie groeide, maar het was met een sisser afgelopen, denk ik. Een lenteavond in Amsterdam, 1955, mijn leven was net begonnen, mijn geboortehuis lag op roepafstand. Het toeval was op zijn hand. Ik de verte reed een Volkswagen Kever van de politie. We werden gezien, ze hielden in en kwamen naar ons toe, ik werd hardhandig op de achterbank gezet. Op het politiebureau volhardde ik in mijn naamloosheid. Ik werd gefouilleerd maar ik had niets bij me wat naar A.L. Snijders verwees. Ik werd in een cel gezet en zou pas vrijgelaten worden als ik toegaf. Dat deed ik tegen het einde van de nacht, maar ze hielden me vast totdat ze zeker waren. Mijn ouders woonden op één hoog aan de straat. Ze werden wakker van lichtbundels die langs de ramen van hun slaapkamer gleden. Mijn vader kwam op het balkon en bevestigde mijn bestaan. Na een half uur stommelde ik de trap op. Ik voelde me slecht behandeld, maar bij nader inzien geloof ik niet dat ik een plaats in het gedicht van Ester Naomi Perquin verdiend heb.