Onzekerheid

, Arnon Grunberg

Een korte verhandeling over onzekerheid.

  1. Niemand is vrij van onzekerheid. Zouden mensen werkelijk geen onzekerheid kennen, dan zouden zij matig functioneren in de samenleving; het verdwijnen van alle onzekerheid moet wel leiden tot ondraaglijke overmoed. Eigenlijk zouden we onderscheid moeten maken tussen onzekerheid die onze prestaties verbetert en onzekerheid die ons verlamt.
     
  2. Noem de dingen op waarover u onzeker kunt zijn: uw intelligentie, uw uiterlijk, de vraag of u een goed mens bent, de angst dat mensen niet of niet genoeg van u houden c.q. u aardig vinden, of u goed bent op uw werk, of u goed bent in bed, of u stinkt, of u de juiste kleren draagt. Noem vervolgens de dingen waarover u werkelijk onzeker bent, dan valt het mee, niet?
     
  3. Men zegt dat pubers het onzekerst zijn. Als u lijdt onder uw onzekerheid, kunt u concluderen dat u de puberteit nooit echt heb verlaten. Dat heeft voor- en nadelen.
     
  4. Als het de anderen zijn die u onzeker maken en u liefde en erkenning moeten geven, kunt u concluderen dat u afhankelijk bent van anderen. Kinderen kunnen radicaal zijn in het uitspreken van vernietigende oordelen over anderen, maar ook volwassenen beheersen deze vaardigheid verbazingwekkend goed. Het is de confrontatie met de ander die onzeker maakt: ‘Hij meende de beste schilder van zijn tijd te zijn tot hij zijn schilderijen aan de buitenwereld toonde.’ De ware autonome persoon zal niet onzeker zijn. De vraag is of zo’n persoon bestaat, hooguit een boeddhistische monnik misschien.
     
  5. U bent niet alleen onzeker, u maakt ook onzeker. Onderwijs en kennisoverdracht bestaan voor een deel uit onzeker maken, maar de goede leraar maakt niet uitsluitend onzeker.
     
  6. Jezelf, de dingen die je maakt, je familieleden verstoppen zijn manieren om onzekerheid te bevechten, maar het maakt het leven wel ingewikkelder.
     
  7. Over onzekerheid praat je niet gauw, maar als u op een complimentje zit te wachten over uw lelijke handen, dan verklaart u: ‘Ik vind mijn handen oerlelijk, ik probeer ze zo goed mogelijk te verbergen, maar dat lukt niet altijd.’
     
  8. De gedachte dat geld onzekerheid kan verminderen, is een voor de economie levensnoodzakelijke illusie.