Arnon Grunberg met een korte verhandeling over verbod en straf.

Een korte verhandeling over verbod en straf.

 1. Elke gemeenschap, dus ook elk gezin, 
bestaat naast al het andere (het gemythologiseerde verleden, een gevoel van gemeenschappelijke lotsbestemming) bij de gratie van het verbod. Je mag geen varkensvlees eten, je mag geen overspel plegen, je moet om tien uur thuis zijn. Zie ook onder: taboe.
 
2. De vraag die elk verbod met zich meebrengt: wie zorgt ervoor dat de ‘wet’ niet wordt overtreden? In het gezin zijn dat de ouders, in een staat is dat doorgaans de Grote Vader, de vervanging van God op deze aarde, de overheid en haar handen en armen: justitie en politie.
 
3. Moeten de overtreders van het verbod worden gestraft? Iedereen die weleens kinderen heeft opgevoed, weet dat opvoeding bestaat bij de gratie van vergevingsgezindheid. Gelukkig hebben slechts weinig ouders behoefte fulltime de rol van sadistische cipier te vervullen. 

 Ook de Grote Vader knijpt regelmatig oogjes toe. Gebeurt dit op grote schaal dan wordt het gedogen genoemd. Soms knijpt de handhaver van de wet een oogje toe in ruil voor contante betaling of betaling in natura. In de volksmond heet dit corruptie. Ouders die betaling in natura accepteren, worden doorgaans terecht van incest beschuldigd, hoewel een onschuldige schoudermassage bij wijze van straf of het voorkomen ervan toelaatbaar is.
 
4. Sommige burgers zijn voor strengere straffen, vrijwel altijd omdat zij menen dat de overtredingen door anderen worden begaan. Hun eigen overtredingen moeten door de vingers worden gezien of zijn helemaal geen overtredingen. De behoefte aan strengere straffen komt dus niet voort uit een verlangen naar een veiligere samenleving of walging over de overtreding, maar veeleer uit jaloezie: het broertje of zusje moet worden gestraft om de sensatie te kunnen voelen het lievelingetje van papa en mama c.q. de Grote Vader te zijn.
 
5. Het verbod genereert geheimen en een dubbelleven. 
 De overtreding hoeft niet ernstig te zijn. Menigeen zal niet in het openbaar in zijn neus peuteren, maar doet dat allicht gretig als hij veronderstelt door niemand gezien te worden.  Het slechte geweten, een ander neveneffect van het verbod, komt voort uit de gedachte dat papa en mama, of God, of de Grote Vader alles kunnen zien.