Een korte verhandeling over het moeilijke gesprek.

1.
Een moeilijk gesprek bestaat uit een moeilijke boodschap. Men kan de bezorger of de ontvanger van die boodschap zijn. Enkele voorbeelden van moeilijke boodschappen: al het geld is op, ik ben gokverslaafd. Ik houd niet meer van je. Ik ben met onze zoon naar bed geweest, maar hij vond het lekker. Ik heb geen zin om verder te leven en helemaal niet als ik naar jou en de kinderen kijk. 

2.
Hoe bereidt men zich voor op het moeilijke gesprek? Als men zelf de boodschap moet overbrengen: tandenpoetsen, op een pepermuntje kauwen. Maak het allemaal niet ingewikkelder door uit de mond te stinken. 
Wie de ontvanger is van de boodschap kan zich niet voorbereiden.

Enige gelatenheid en gevoel voor eigenwaarde kunnen helpen, maar wie over een theatrale persoonlijkheid beschikt kan ook in furieuze woede ontsteken. 
Denk wel aan het gedicht ‘Het huwelijk’ van Elsschot: ‘Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad/ staan wetten in de weg en praktische bezwaren,/ en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,/ en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.’ 
Houd puur uit eigenbelang rekening met wetten. 

3.
Wie de moeilijke boodschap brengt moet beseffen: het gaat niet om mij, het gaat om de anderen. Spreek deemoedig, wees niet trots dat al het geld is verdwenen. Uw naasten zullen u verachten. 

Beken schuld, beloof beterschap, maar houd rekening met het ergste. 
Spreek in noodgevallen over Christus, de eerste steen en de zonden, zelfs al hebt u voordien nog nooit over Christus gesproken. Een noodgeval is niet voor niets een noodgeval. 

4. 
Het kan goed zijn om te oefenen. Voer elk kwartaal met familieleden, vrienden en collega’s een moeilijk gesprek. In dergelijke gesprekken kunnen kleinigheden worden behandeld, bijvoorbeeld: ik vind dat je geslachtsdeel stinkt en daar kan ik niet meer tegen.