Esther Gerritsen was getuige van een pijnlijke val.

Ik sta bij de sleutelmaker als er midden voor de deur een vrouw met haar fiets een enorme smak maakt en gilt. Ik loop snel naar buiten, en help de vrouw overeind, een meneer pakt haar fiets en zegt: ‘Ik zag het gebeuren.’

De vrouw huilt en zegt: ‘Het is mijn eigen schuld, het is mijn eigen schuld.’ Haar spijkerbroek is gescheurd en haar knie bloedt behoorlijk. Weer zegt ze dat het haar eigen schuld is, want ze keek op haar telefoon.

De man herhaalt nog eens dat hij het zag gebeuren, en de vrouw zegt iets over hoe ze op haar telefoon keek en de man iets over hoe ze daardoor inderdaad ineens aan haar stuur trok. ‘Ja,’ beaamt ze, ‘het is mijn eigen schuld,’ en ze huilt nog erger.

Ik heb nu haar telefoon vast en haar fiets, en de man zegt: ‘Ach, een traan,’ en zonder nadenken steekt hij zijn hand uit en met een vinger veegt hij een traan van haar wang.

De vrouw zegt nog eens ‘sorry,’ al weet ik niet tegen wie en huilt maar door. Zo veel verdriet en dan ook nog bloed, een kapotte broek en je eigen schuld, dat is me te veel. ‘Ach,’ zeg ik, ‘dat doen we toch allemaal, met onze telefoon.’ En de man zegt dat ze die knie met soda moet schoonmaken.

Het lijkt allemaal heel normaal, hoe we ons met haar bemoeien, haar aanraken en adviseren. Dertig seconden geleden was het nog ondenkbaar dat een vreemde man een traan van haar wang zou vegen, maar nu is het de gewoonste zaak van de wereld.

Als ze weer is gekalmeerd, en op de stoep rustig haar vriendin gaat bellen om te zeggen dat ze ietsje later is, ga ik weer naar binnen bij de sleutelmaker, waar ik mijn portemonnee op de toonbank heb laten liggen. Mijn sleutels zijn nu wel klaar.

‘Ach,’ zeg ik, ‘haar hele knie was kapot.’ ‘Zoals ze hier fietsen,’ moppert de sleutelmaker, ‘dat is ook niet normaal.’ ‘... en ze was zo overstuur,’ zeg ik. Waarop de sleutelmaker zegt: ‘Het is een wonder dat het niet vaker gebeurt,
belachelijk hoe ze hier fietsen.’

En ik weer: ‘Ach, ze moest zo huilen,’ en nu pas lijkt de sleutelmaker te beseffen dat het misschien tijd is voor mededogen in plaats van algemene verontwaardiging. Hij kijkt me ineens vragend aan, bijna hulpeloos en zegt: ‘Moet ze misschien een glaasje water?’