Bilkerts moeten Bildts spreken

, Maartje Duin

Met zesduizend sprekers is het Bildts misschien wel de kleinste minderheidstaal in Europa. Gerard de Jong, hoofdredacteur van de Bildtse Post, en linguïst Durk Gorter ijveren om het Bildts een officiële status te bezorgen.

Het is juni en warm in Donostia, zoals San Sebastian in het Baskisch heet. In de gewelfde kelderruimte van het Victoria Eugenia Theater vinden de mensen verkoeling. Ze zijn hier voor een poëzievoordracht in drie minderheidstalen: het Baskisch, Catalaans en het Bildts.

De laatste taal wordt vertegenwoordigd door Gerard de Jong uit Sint Annaparochie. In het dagelijks leven is hij hoofdredacteur van de Bildtse Post (zie kader). Hier is hij als writer-in-residence van het Europese minderheidstalenprogramma Other Words. Zijn verblijf moet de eerste novelle in het Bildts opleveren: de start van een eigen literaire traditie.
De Jongs optreden is een succes. Het gedicht ‘Wyn’, over de eeuwige wind op de Oudebildtdijk, kan rekenen op een warm applaus, net als ‘Seeslag’ en ‘De lysters singe dyn naam niet meer’.
‘De klanken deden me denken aan een jeugdvriendin die Fries sprak,’ zegt een Baskische dichteres na afloop. ‘Very powerful,’ knikt een ander. Het feit dat het Bildts geen officiële status onder het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden heeft gekregen, levert Gerard de Jong extra respect op. En zesduizend sprekers? Misschien is hier wel een strijder voor de kleinste Europese minderheidstaal te gast.

De Jong geniet zichtbaar van de bijval. De bloedige onderdrukking van het Baskisch is natuurlijk onvergelijkbaar met de situatie in Noordwest-Friesland, benadrukt hij. En de Basken die zich daartegen verweerden, zijn vele malen dapperder dan hij met zijn krant. Vriendelijk maar beslist wuift de dichteres zijn bezwaren weg. ‘Wij minderheidstalen zijn allemaal broers en zussen,’ zegt ze. ‘Laatst ontmoette ik op een festival in Athene een aantal Koerden. Toen ik zei dat ik uit Baskenland kwam, begonnen ze Baskisch te praten! Ik heb meteen een paar zinnen Koerdisch geleerd. En nu vind ik dat ik ook wat Bildts moet leren.’

meertaligheid

Het contrast met de reacties in Nederland kan niet groter zijn. Buiten het Bildt lachen mensen Gerard de Jong nog net niet uit als hij over zijn missie vertelt. Een bedreigde streektaal in leven houden… aandoenlijke folklore vinden ze het.

Op zijn beurt begrijpt De Jong die achteloze houding niet. Hij ziet het Bildts als cultureel erfgoed, net als een oud gebouw. Dat je dat wilt beschermen, vindt hij vanzelfsprekend. Tegenwoordig zou hij hoogstens steun kunnen krijgen van de uiterste rechterkant van het politieke spectrum. Maar dat zijn nu juist types waar hij niet bij wil horen. Waarom zijn Nederlanders toch zo onverschillig als het aankomt op taal?

In een hotellobby vlakbij San Sebastians schelpvormige baai, een paar kilometer van het Victoria Eugenia Teatro, leggen we de vraag voor aan sociolinguïst Durk Gorter. Tien jaar geleden ruilde hij zijn professoraat aan de Universiteit van Amsterdam en de Fryske Akademy in voor een leerstoel aan de Universiteit van Baskenland. Zijn onderzoek richt zich op meertaligheid en minderheidstalen; San Sebastian is het mekka van Europa op dat gebied.
‘Nederlanders zien het spreken van hun eigen taal als opdringen,’ legt Gorter uit. ‘Die taalzwakke houding is uniek in de wereld en gaat ver terug in de tijd. Het is opvallend dat zo weinig landen Nederlands spreken, terwijl onze koloniën minstens zoveel gebied besloegen als die van de Engelsen en Portugezen.’

Nog steeds zijn onze politici slechte ambassadeurs van het Nederlands, vindt Gorter. ‘Waarom denk je dat Angela Merkel Duits spreekt als Trump op bezoek is? Daarmee laat ze zien: mijn taal is belangrijk, ik ben belangrijk. Zo zou Willem-Alexander zijn speeches in het buitenland ook vaker in het Nederlands moeten houden, met een tolk. Taalaanwezigheid is politieke aanwezigheid, daar zijn we ons veel te weinig van bewust.’

taalattitude

Even nonchalant gaan Nederlanders om met minderheidstalen in eigen land. Gorters specialisatie is het Fries, met zo’n 400.000 sprekers onze tweede rijkstaal. ‘Er is erkenning vanuit Den Haag, het heeft een zeker aanzien als cultureel erfgoed. Maar daar blijft het dan ook bij. Fries als taal op de werkvloer, Friestalig onderwijs, moet dat? “Doe maar gewoon,” is de mentaliteit, en “gewoon” is Nederlands. Als je in een winkel Fries spreekt tegen een bediende voor wie dat niet de eerste taal is, wordt dat als onfatsoenlijk gezien. En als er op het schoolplein één niet-Friestalig kind bij is, schakelen de anderen over op het Nederlands. We gaan heel krampachtig om met meertaligheid, terwijl switchen tussen twee talen een vaardigheid is die je snel kunt trainen.’

Er speelt nog iets anders mee. ‘Kinderen hebben snel het idee dat het Fries minder waard is dan Nederlands. Voor een positieve taalattitude zou je ze moeten uitleggen dat dat gevoel met politiek te maken heeft.’

Nergens weten ze dat beter dan in Baskenland. Tijdens de Francodictatuur van 1939 tot 1975 was het Baskisch verboden en kregen kinderen slaag als ze op school hun moedertaal spraken. Als gevolg is er een hele generatie die het Baskisch niet beheerst. Maar na Franco’s dood vond een ware revival plaats. Lesboeken werden vertaald in het Baskisch, leraren massaal omgeschoold. Wie wil, kan nu zijn hele opleiding in het Baskisch volgen, van kleuterschool tot universiteit. De taal heeft 700.000 sprekers en dat worden er steeds meer. Met zijn gesubsidieerde kranten, omroepen en literatuur is het een van de weinige succesvolle minderheidstalen.

‘Van boeren met bakkebaarden tot jonge kosmopolieten, over de hele politieke linie leeft het besef: het Baskisch is een bedreigde taal en als wij niets doen, verdwijnt-ie,’ zegt Gorter. ‘Neem de Korrika: een estafetteloop waarbij mensen voor elke gelopen kilometer worden gesponsord. Het geld gaat naar instituten voor het behoud van de Baskische taal. Daar doen 600.000 mensen aan mee, die samen in elf dagen gedurende 24 uur per dag zo’n 2500 kilometer lopen!’ In Friesland komt zo’n evenement niet snel van de grond, denkt Gorter. ‘Daar leven twee sentimenten naast elkaar. Enerzijds “onze taal zal altijd blijven bestaan”, en anderzijds “het zal mijn tijd wel duren, als-ie verdwijnt, is dat natuurlijk verloop”.’ Beide zijn een excuus om niets te doen.’

voertaal

Een vergelijkbare houding heerst in het Bildt, waar taalactivisten als Gerard de Jong een minderheid binnen hun eigen minderheid vormen. De Bilkerts beschouwen hun taal als belangrijk onderdeel van hun identiteit, maar gaan er zelden voor op de barricaden. Bildts onderwijs op school krijgt weinig prioriteit, de voertaal op het gemeentehuis is Nederlands. En recentelijk ging de gemeenteraad akkoord met een gemeentelijke herindeling. Alle kritische stukken in de Bildtse Post ten spijt: per 1 januari 2018 vallen de Bildtse dorpen onder de Friese fusiegemeente Waadhoeke. Gerard de Jong en zijn geestverwanten vrezen dat een actief Bildts taalbeleid daardoor nóg lager op de agenda komt te staan.

Wat is er voor nodig wil een kleine taal overleven? ‘Het Bildt is een redelijk afgebakend gebied, waar de dorpen dicht bij elkaar liggen,’ zegt Gorter. ‘Dat betekent veel taalcontact en dat is gunstig.’ Maar, waarschuwt hij, de Bilkerts moeten oppassen dat hun taal geen symbolisch randverschijnsel wordt. Daarvoor zullen ze zich toch met de politiek moeten bemoeien. ‘Geef Bildtse les op school en stimuleer dat de taal ook op het schoolplein wordt gesproken. Zet Bildtse plaatsnamen op de borden, laat aan bezoekers zien dat je taal er is. Gebruik ook het Nederlands, het Fries of allebei, doe daar niet te moeilijk over. Dat ’s-Gravenhage hetzelfde is als Den Haag hebben we ook geleerd.’

Maar het allerbelangrijkst, benadrukt Gorter, is dat de Bilkerts Bildts moeten blijven spreken zolang ze het leuk vinden. En Gerard de Jong? Die moet vooral doorgaan met zijn strijd tegen de culturele eenheidsworst. ‘Diversiteit is belangrijk. Als iedereen dezelfde taal spreekt, wordt de wereld een woestijn. En het is niet alsof we elkaar dan opeens beter begrijpen.’

Doorgaan met de strijd: tijdens zijn verblijf in Baskenland zal De Jong het vaker horen. Een paar dagen na het poëzieoptreden wisselt hij ervaringen uit met Iñigo Astiz van de Baskische krant Berria. Het dagblad heeft zestig journalisten in dienst en 13.000 lezers. De Jong voert in zijn eentje de redactie over een weekblad met 1700 abonnees. Wat denk jij, vraagt hij Astiz: ‘Ben ik een Don Quichot die tegen windmolens vecht?” ‘Natuurlijk,’ antwoordt de Bask, maar zonder Don Quichots had het Baskisch nu niet meer bestaan. Bovendien: jij woont in een land vol windmolens!’

Redder van het Bildts

Als een gemeentelijke herindeling streektaal het Bildts bedreigt, komt Gerard de Jong in actie. Bij de dood van zijn opa, hoofdredacteur van de Bildtse Post, heeft hij zich immers voorgenomen om goed voor de taal te zorgen. De Jong publiceert Bildtse stukken in de krant, pleit op radio en tv voor taalbehoud. Maar na een bezoek aan taalactivisten in Baskenland slaat de twijfel toe. Zitten de 6000 Bilkerts wel op De Jongs enthousiasme te wachten? 

't Bildt en het Bildts

’t Bildt verwijst naar het woord ‘opbillen’, ofwel het aanslibben van land. In 1505 trok hertog George van Saksen arbeidsmigranten uit Zeeland en Zuid-Holland aan voor de drooglegging van de toenmalige Middelzee. De ‘slikwerkers’ bleven er wonen en vormden een kleine gemeenschap met een eigen taal. Grammaticaal vertoont het Bildts overeenkomsten met het Fries, maar de woordenschat doet oud-Nederlands aan.

Een verzoek tot erkenning onder het Europese Handvest van regionale talen en talen van minderheden werd eind 2016 afgewezen door minister Plasterk. De Taalunie noemde het Bildts geen aparte taal, maar een variëteit van zowel het Nederlands als het Fries. Taalwetenschapper Durk Gorter: ‘Taalerkenning is een politiek spel. Onder een volgende minister kan het Bildts alsnog een taalstatus krijgen.’