De Westerlingen (4)

Teruggekeerde Europagangers in Libanon

Is het eigenlijk wel zo dat alle vluchtelingen staan te trappelen om naar het westen af te reizen? Willem Timmers ontmoet in Libanon vluchtelingen die er niet over peinzen om naar Europa te gaan. Ook treft hij er migranten die zijn teruggekeerd nadat een verblijf in ons vrije Westen toch niet beviel.

Over de aflevering

Libanon, vier keer zo klein als Nederland, heeft naar schatting zo’n een tot anderhalf miljoen vluchtelingen opgenomen uit buurland Syrië. Op een bevolking van vier miljoen mensen is dat een gigantische instroom die het land te verwerken krijgt. Willem trekt op met Adham, een Libanees die zijn eigen hulporganisatie runt in de Noord-Libanese stad Tripoli. Adham vindt het beter als vluchtelingen zoveel mogelijk geholpen worden in Libanon, door Libanezen die de Syriërs veel beter begrijpen dan Europeanen.

Financiële hulp uit het westen bij de opvang van de vluchtelingen is van harte welkom. Maar volgens Adham is het wel een probleem dat westerse hulporganisaties zich vaak moreel verheven opstellen. Ze komen bijvoorbeeld campagnes voeren voor abortus, wat indruist tegen de plaatselijke cultuur. Dat soort verschijnselen is Adham een doorn in het oog, net als de internationale NGO’s die clown-lessen komen geven terwijl: ‘Zullen we die kinderen eerst eens schoenen en te eten geven?’

Migranten kunnen volgens Adham de grote sommen geld die ze investeren in een onzekere en soms zelfs gevaarlijke overtocht naar Europa beter gebruiken om een handeltje op te richten in Libanon. Of hun kinderen naar school te sturen. Het is in Libanon, tussen de eigen mensen, toch gewoon veel beter toeven?

Dat beaamt ook Farouk, een bekende van Adham die is teruggekeerd na een teleurstellend verblijf in Duitsland: ‘De mensen daar zijn gewoon kil en individualistisch.’ Niemand vroeg daar op straat aan me hoe het gaat.’ Ook de sheik van Adhams moskee, die jaren in Europa heeft gewoond, heeft het er niet zo op: ‘Ik zag daar veel mensen, Duitsers, die alcohol dronken en achter de vrouwen aan zaten. Zonder enig religieus of moreel besef. Op die manier leven dieren ook.’

Achtergrondverhaal

Op zoek naar de vluchteling die niet bestaat

(dagboek van een westerling)

Door Willem Timmers

Toen ik zes jaar geleden de documentaire Framing the Other maakte, over een toeriste die een exotische stam in Afrika bezocht, probeerde ik me in alle opzichten van haar te distantiëren. Hoofdpersoon Nell, naïef als ze was, zat vol goede bedoelingen. Haar westers denken en haar drang tot opvoeden van deze ‘primitievelingen’ had alleen een averechts effect.

Met een koffer vol hartjesballonnen, paardenstickers, oversized T-shirts en dertien kilo balpennen kwam ze niet alleen om te kijken, maar zeker ook om te helpen. 'Want ook stammen moeten leren schrijven, het is goed voor ze, misschien kan ik ze dat wel leren,' hoor ik haar nog denken. Het was colonialism all over again, maar dan pijnlijk verscholen onder de noemer ‘toerisme’.

Daar sta ik dan, zes jaar later, in een vluchtelingenkamp in het noorden van Libanon. Een moment waar ik met gemengde gevoelens naar had toegeleefd. Pas als ik de four-wheeldrive uitstap en ik met regisseur Jack discussieer over het beste moment om onze meegebrachte hartjesballonnen uit te strooien, komt het besef. Shit! Ik ben nu toch niet die aapjeskijker uit mijn vorige film aan wie ik me zo had geërgerd?

'Shit! Ik ben nu toch niet die aapjeskijker uit mijn vorige film?'

Een luchtje aan het kamp

Regisseur Jack, geluidsman Joris en ik beginnen aan onze banjertocht door het kamp. Uit een soort reflex beginnen we in het wilde te schieten. We transformeren ons tot portretjagers op zoek naar zielig, opmerkelijk en exotisch prooi. Prooi zoals we er ons een voorstelling van hadden gemaakt in onze veilige, westerse bubbel.

We schieten de slechtst gebouwde tenten, de paar hoopjes zwervend afval, een mini-modderpoel waar kinderen om de beurt in springen (want ja, geen geld voor speelgoed, toch?) en we volgen een geit die een tent wordt uitgejaagd. Oh yes, een paar meter verderop staat een kind te huilen, met kapotgescheurde kleding en al. Precies wat we nog nodig hebben.

Er is ook iets vreemds aan de hand in dit kamp. Het voldoet niet helemaal aan het beeld dat we ervan hadden voordat we kwamen. En dus waarschijnlijk ook niet aan dat van de doorsnee westerse kijker. Schrijnend is het allerminst, zo op het eerste gezicht. We zien vooral veel lachende gezichten, vriendelijke mensen met schone kleren die ons welkom heten in hun tent en heel veel bedrijvigheid, zoals aardbeien die worden geplant en geplukt op daken van tenten. Ik word lichtelijk achterdochtig. En zenuwachtig, want gaan we hier wel het verhaal vinden dat we zoeken?

Westerse onverschilligheid

Jack en ik besluiten om wat mensen te interviewen. We lopen van tent naar tent, van Aisha via Abdullah naar Fatima, het ene vluchtverhaal nog schrijnender dan het andere. Na ieder interview vragen we of we nog wat extra shotjes mogen draaien. 'Doe maar wat je normaal ook zou doen. Dan volgen we jou in jouw echte leven, zodat we het beeld over je interview heen kunnen te plakken in de montage. Dat kijkt lekker weg,' zeg ik. De twijfel en onbegrip druipen van Aisha’s gezicht af, maar toch maakt ze voor de derde keer haar bed op en doet ze heel naturel. Wij blij.

Na ieder interview kijk ik Jack aan. Zonder het hardop te durven zeggen, stellen we ons allebei dezelfde vraag. Is dit verhaal wel heftig genoeg? Zou de Nederlandse kijker, die al 6 jaar lang dit soort verhalen hoort en onderhand wel verzadigd is, er nog voor te porren zijn? Of zou die wegzappen en moeten we verder zoeken? Moet het nog intenser, met meer leed, verdriet en verlies? Ik haat mezelf om mijn groeiende onverschilligheid en mijn westerse sensatiezucht. Mijn journalistieke jagersinstinct lijkt te zegevieren over mijn empathisch vermogen. Damnit!

Wake-up call

Wanneer ik ’s avonds mijn bevindingen deel met onze researcher Daisy, zie ik vooral een blik vol herkenning op haar gezicht. We zijn blijkbaar niet de eersten die op zoek zijn naar die ideale vluchteling. Daisy krijgt maandelijks verzoeken van televisiemaatschappijen om de meest exotische vluchteling te vinden zoals die is bedacht en geprofileerd in het Westen.

Een soort Idols, maar dan met je vluchtverhaal en vertelkunst als onderscheidend talent. Onlangs had ze een mooi verhaal gevonden van een vluchteling dat voldeed aan de omschrijving van een Duitse televisiezender.

De vluchteling woonde echter niet in een tentenkamp, maar op drie hoog in de buitenwijken van Beiroet. Da’s jammer. Die zoektocht moest dus verder gaan, en als het even kon dan moest die vluchteling het liefst ook nog vertoeven in de buurt waar kamelen stonden te grazen. Want dat was volgens hen nou echt Midden-Oosters, niet wetende dat er in heel Libanon geen kameel te vinden is.

Wanneer ik de volgende dag terug ben in het vluchtelingenkamp, spreek ik een groep vrouwen tijdens hun wekelijks klasje over zelfredzaamheid. Daar krijg ik de spiegel voorgehouden waar ik onbewust al de hele reis naar zocht. Ik word gevraagd welk verhaal ik kom halen en welk belang het heeft, zowel voor mij als voor hen.

Ze hebben al teveel televisieploegen zien komen en gaan die enkel het beeld komen bevestigen dat ze hadden. Zonder ruimte voor uitwijking en zonder enig interesse voor het echte verhaal. Ze hebben er genoeg van om enkel afgeschilderd te worden als hulpeloze, zielige slachtoffers zonder toekomstperspectief. Of als barbaren die hun kinderen al op jonge leeftijd uithuwelijken. Want dat soort verhalen, daar lusten wij westerlingen pap van.

Vrijheid, blijheid?

Hoe langer ik met ze spreek, hoe meer de verschillen vervagen. En op de vraag of ze allemaal naar het Westen willen en een westerling als ik willen zijn komt een nogal verdeeld antwoord. Eén ding word me wel duidelijk: ik zou me voor mijn naïviteit en arrogantie moeten schamen. Nee, die vrijheid waar wij altijd zo mee pronken is klaarblijkelijk niet voor iedereen het hoogst haalbare goed. Een eyeopener die me nog lang zal achtervolgen.

Mijn wijze les? ‘De vluchteling’ bestaat niet. Zeker niet zoals ik me die had voorgesteld. Mijn beeld is achterhaald, naïef en vervormd, waarschijnlijk door de grote hoeveelheid films, nieuwsprogramma’s en televisiereportages waar ik zo van smulde.

Misschien is het dus tijd om ‘de ander’ met een meer open vizier tegemoet te treden. Om echt te luisteren naar wat de ander wil vertellen in plaats van het invullen van een vooraf bedacht verhaal. En om eens te focussen op de gelijkenissen in plaats van de verschillen. Niet altijd even makkelijk en vermakelijk, maar wel zo fair.

En laat ik die tv wat vaker uit zetten. Behalve op vrijdagavond, want De Westerlingen is een goede reality check om te beseffen dat ons westerse superioriteitsgevoel lang niet altijd meer legitiem is.