verknipte karakters en kogelriemen

longread: de duistere kant

, Maarten Slagboom

Europese kunstenaars geven de duistere kant, ook die in zichzelf, ruim baan. Elke week plaatsen we een longread bij de afleveringen van 'Made in Europe'. Deze week: de duistere kant.

auteur: Maarten Slagboom

How do you take your coffee? vroeg de interviewer aan Fritz Lang. ‘Black…. as my soul,’ antwoordde de regisseur.

Wie vandaag de dag al die young adult-films bekijkt waarin een dystopische wereld wordt geschetst – van The Hunger Games tot Divergent en Mace Runner – moet weten dat ze alle schatplichtig zijn aan de klassieke film over een dystopie, de Duitse film Metropolis van Fritz Lang uit 1927. Metropolis is een stad in de verre toekomst waar de bevolking is verdeeld in denkers in de bovenwereld en werkers in de onderwereld. Zelf heeft Lang een leven lang een dubbelzinnige relatie met zijn film gehad. Eigenlijk nam hij er altijd afstand van, hij noemde het een mislukt project, en gaf de schuld ervan meestal aan zijn ex-vrouw Thea von Harbau, die het script schreef. Lang had graag gewild dat de stad aan het eind in vlammen opging, maar Von Harbau wilde per se een happy end. Ze kreeg haar zin: aan het eind van de film vormen de bevolkingsgroepen van de stad een eenheid. Achteraf gezien is dat misschien bepalend geweest voor de levensloop van Lang. Want was de stad in vlammen opgegaan, dan was Adolf Hitler misschien wel niet zo gecharmeerd geweest van zijn film en had Lang de benen niet hoeven nemen naar Hollywood. Met dat happy end was het immers niet ingewikkeld om in Metropolis ook een totalitaire wensdroom te zien, waarin de klassenstrijd wordt opgeheven, een natte droom voor nazi-Duitsland. Het is heel waarschijnlijk dat Lang in z’n maag zat met de film. Het is des te interessanter omdat Lang zelf tijdens zijn latere loopbaan geen gelegenheid voorbij liet gaan om een heldenverhaal over zijn vlucht uit Duitsland te vertellen, en dat verhaal blijkt niet helemaal te kloppen.

Niet helemaal, of zelfs helemaal niet.

megalomaan en dictatoriaal

In maart 1933 zou Lang zijn ‘uitgenodigd’ – laten we zeggen: ontboden - bij Goebbels op het Ministerie van Propaganda. De regisseur ging ervan uit dat Goebbels met hem over zijn film Dr Mabuse wilde praten. De misdadige dokter Mabuse zegt in die film dat we alles moeten vernietigen, en op de puinhopen een nieuwe wereld creëren. Goebbels zag daar naar verluidt het duizendjarige Derde Rijk in. Maar Goebbels had een grotere vraag. Althans, als we Lang mogen geloven. Aan regisseur William Friedkin vertelde hij het zo: ‘Goebbels zei: de Führer heeft uw films gezien en heeft gezegd: dit is de man die ons de nationaalsocialistische film gaat schenken! Ik begon overal hevig te transpireren en kon maar één ding bedenken: hoe kom ik hier weg? In een pauze heb ik gezegd: meneer de minister, weet u dat mijn moeder weliswaar katholiek was maar joodse ouders had? Waarop Goebbels zei: meneer Lang, wij bepalen wie een Ariër is. U moet de nieuwe leider van de Duitse film worden. Goebbels sloot het verhaal af: we bellen u binnen een paar dagen. Ik zei: ik ben blij en vereerd, en liep weg. Ik ging naar huis, pakte m’n spullen bij elkaar en het geld dat ik had. Het huis was inmiddels omsingeld door nazi’s, maar ze bleken veel te druk met hun avondpatrouilles. Ze hielden zich niet met mij bezig, dus ik heb de trein van acht uur gehaald en ben het land ontvlucht’.

Het is een verhaal dat hij in de loop der jaren steeds weer opdiste voor zijn interviewers, die het dankbaar aanhoorden. Hier creëerde de regisseur zijn eigen mythe. In werkelijkheid, zo wees zijn paspoort later uit, verbleef Lang nog maanden in Berlijn voor hij de wijk nam naar Amerika.

Na zijn vertrek groeide de Babelsberg-filmstudio, waar Lang en zijn collega’s hun duistere meesterwerken hadden gedraaid, uit tot de filmfabriek voor nazipropaganda. Langs vrouw Thea von Harbau, overtuigd nazi, maakte er carrière. Ze vond haar plek als scriptschrijver en regisseur naast Leni Riefenstahl, die ze zelfs voorbijstreefde in productiviteit. Ze groeide uit tot een van de bestbetaalde scriptschrijvers van nazi-Duitsland en regisseerde films als Elisabeth und ihr Narr en Hanneles Himmelfahrt. Lang zelf ging vol aan de bak in Hollywood, en tekende met Bertolt Brecht voor een uitgesproken anti-nazi-film: Hangman Also Die. Tot op de dag van vandaag zijn (film-)historici het er niet over eens of Metropolis nu in enigerlei mate proto-fascistisch was of juist heel humanistisch. De dubbelzinnige geschiedenis van Lang zelf maakt het mysterie alleen maar groter. Zelf was hij als regisseur ook van het totalitaire soort: megalomaan, dictatoriaal, niets en niemand ontziend. Zo liet hij voor Metropolis duizend figuranten kaalscheren en honderden ondervoede straatkinderen optrommelen die een week lang door ijskoud water moesten banjeren in de filmstudio, wat bij verscheidene kinderen een longontsteking tot gevolg had.

Biograaf Norbert Grob schetst Fritz Lang als een dandy met een decadente levensstijl, altijd present bij een opening en frequent bezoeker van dure restaurants. De filmkunst van Lang noemde hij in een interview ‘eine Kunst das Dunklen, Düsteren, das Geheimnisvollen’. Langs eerste Amerikaanse film Fury was volgens Grob zelfs zo duister dat de studiobaas van MGM zou hebben gezegd dat hij nooit meer met Lang wilde werken. Toch werden zijn films daarna alleen maar donkerder. Zijn laatste films tonen leugenaars, nietsontziende carrièremakers, mensen die moedwillig hun vrienden in gevaar brengen. ‘De typisch Amerikaanse held, die alle problemen trotseert, zich opnieuw uitvindt en aan het einde in de zon rijdt, die bestaat bij Lang niet,’ zegt Grob. ‘Aan het eind is er bij Lang ellende, nederlagen en dood’.

Langs werk bleef daarmee in hoge mate Europees. Tegelijkertijd is het ook waar dat Fritz Lang er, met zijn introductie van wat we film noir zijn gaan noemen, veel aan heeft bijdragen dat de Amerikaanse film minder zoetgevooisd werd. De stijl van Lang en andere Duitse expressionisten (onder wie F.W. Murnau) maakte school. Niet in de laatste plaats dankzij master of suspense Alfred Hitchcock, die zelf in de jaren twintig het vak leerde als camera-assistent in de Babelsberg Studio’s en zeer onder de indruk was van vooral Langs film M. De beroemde douche-scene in Psycho was zijn ode aan de Berlijnse filmschool, waarin het spel met schaduw en donker tot kunst was verheven. Overigens is de donkere kant van Hitchcock zelf vandaag de dag nog vaker onderwerp van gesprek dan zijn films. In de film Hitchcock wordt hij als een ware tiran neergezet, en uit de recente memoires van actrice Tippi Hedren rijst het beeld van een ziekelijke, seksueel obsessieve man die er niet voor terugdeinsde zijn actrices aan te randen. Volgens Hedren duurde de opname van de zolderscène in The Birds waarin ze wordt aangevallen door meeuwen liefst zes dagen, en werden er geen poppen naar haar gegooid zoals was afgesproken maar werd ze gepikt door echte vogels. Toen Hedren vervolgens niet inging op Hitchcocks amoureuze avances dwarsboomde hij haar verdere loopbaan.

(tekst loopt door na video)

verknipte karakters

Als iets de Europese film van de Amerikaanse onderscheidt is het misschien dat het donkere gevoelens en pessimisme niet uit de weg gaat, ook niet als dat betekent dat de toeschouwer de bioscoopzaal uiteindelijk met een uiterst ongemakkelijk gevoel verlaat. Dat verschil bestaat nog steeds. Van zijn in Frankrijk geproduceerde film Elle zei Paul Verhoeven herhaaldelijk dat het een film is die niet in Amerika gemaakt had kunnen worden. Amerikanen zouden het niet accepteren dat het hoofdpersonage, nadat ze is verkracht, niet onmiddellijk uit is op wraak. ‘Geen enkele actrice wilde de rol van Michèle op zich nemen, en ook de financiering bleek lastig’. Dat Verhoeven onlangs twee Golden Globes won met Elle was dan ook een grote verrassing, niet in de laatste plaats voor de regisseur zelf.

Isabelle Huppert, die de vrouw speelt, voelt zich sterk aangetrokken tot ondoorgrondelijke, verknipte karakters, ook (of juist) als ze zieke trekjes hebben. Toen een regisseur haar een paar jaar geleden als belangrijkste aanwijzing gaf om het licht te houden, gaf ze toe dat ze dat best een opgave vond, omdat haar natuurlijke tendens is om het karakter dat ze speelt naar het duistere te trekken. Tegen The Telegraph zei ze daarover: ‘You know, the passage between a normal person to either an insane or a criminal one – it’s so difficult to conceive, and yet… That’s what this is about – how to understand people’s complexities, people’s ambiguities. How you can be bad and good, gentle and aggressive, sad and happy. It’s not that I get drawn to complex roles, it’s just that most of the time situations are complex in life.”

Een van de meeste indringende films waarin ze speelt is De Pianiste van de Oostenrijkse regisseur Michael Haneke. Oostenrijk lijkt het patent te hebben op zwaarmoedige, grimmige films. Veel cineasten zijn wars van elke vorm van pleasen. Zowel de films van Michael Haneke als van bijvoorbeeld Ulrich Seidl zijn in die zin onmiskenbaar Europees. De rigide pianiste die met een merkwaardig genoegen aan tissues ruikt die door mannen zijn gebruikt in een seks-cabine (De Pianiste), de mannen die in hun met nazi-parafernalia behangen kelder marsmuziek spelen (Im Keller), het zijn scenes die in al hun grimmigheid de duistere kant van de Eurpese ziel blootleggen. ‘Mijn films moeten de kijker verstoren,’ zegt Ulrich Seidl erover. ‘Ik laat zaken zien die de toeschouwer liefst zou verdringen. Maar ik vertel ook verhalen waar ik me zelf mee kan vereenzelvigen: verhalen over eenzaamheid, over niet vervulde verlangens. Die hebben we allemaal. Iedereen zit vast in zijn eigen gevangenis.’ Ook Michael Haneke zet zijn kijkers graag tegen de muur, zodat ze geen kant op kunnen. Over zijn extreem gewelddadige film Funny Games zei hij: ‘Die film was onverdraaglijk en dat is precies wat hij moest zijn. Laat het publiek vooral woedend worden. Ik wilde niet enkel de Spiessbürger provoceren, ik wilde dieper boren. Iedereen moest in verwarring uit de bioscoop komen, met een wee gevoel in de maag en woede in de buik. Zo zou het mijzelf als kijker ook zijn vergaan. Je kan niet van deze film houden zoals je van andere films houdt.’

Nick Cave en Blixa Bargeld

Ook de Roemeen Christian Mungiu zet zijn kijker tegen de muur. Tijdens het kijken naar zijn indrukwekkende film 4 maanden, 3 weken en 2 dagen, waarin een studente ten tijden van Ceausescu abortus wil laten plegen, terwijl dit streng verboden is, snak je als kijker voortdurend naar een uitweg. Was dit alles maar voorbij, denk je steeds. En telkens als de verlossing nabij is dringt het duister zich weer onverbiddelijk aan je op. Er is geen ontsnappen aan.

Direct op de Oostenrijkers en de Roemenen volgen waarschijnlijk de Duitsers. Die hebben dat onvertaalbare woord Sehnsucht. Volgen de Duden, de officiële Duitse spellinggids, is het zoiets als de ziekte van het lijdzaam begeren. Hunkering, die gepaard gaat met intense pijn. Niet verwonderlijk dat de Duitse avantgarde-groep Einstürzende Neubauten, met al het staalkabaal en heroïnegebruik, in haar vroegtijdagen een nummer had dat Sehnsucht heette. Sehnsucht kommt aus dem Chaos. Meine Sehnsucht ist die einzige Energie. Zelden heb ik iemand zo angstwekkend ijzig horen gillen als Neubauten-frontman Blixa Bargeld tijdens de concerten in die jaren. Alsof, zoals hij het zelf zong, zijn ziel brandde.

Nick Cave zag Blixa Bargeld voor het eerst op een televisiescherm, in een hotelkamer in Den Haag in 1982.  “He was the most beautiful man in the world,’ zou hij later schrijven, toen hij Bargeld al lang als gitarist had opgenomen in de gelederen van zijn begeleidingsgroep The Bad Seeds. ‘He stood there in a black leotard and black rubber pants, black rubber boots. Around his neck hung a thoroughly fucked guitar. His skin cleared to his bones, his skull was an utter disaster, scabbed and hacked and his eyes bulged out of their orbits like a blind man's. And yet, the eyes stared at us as if to herald some divine visitation. Here stood a man on the treshold of greatness; here stood a Napoleon victorious amongst his spoils, a conquering Caesar parading his troops, a Christ akimbo an Calvary. Blixa Bargeld.’

Het zijn die twee woordjes halverwege waar het om gaat: and yet. Een uitgemergeld wrak, en toch dat heilige vuur. Op de bodem is veel moois te vinden. Daar, aan de zelfkant van ons bestaan, daar gist het.

Dat de duistere kant in onszelf behalve tot veel leed vaak ook tot grootse kunst leidt, daarover kan ook performance-kunstenaar Marina Abramović meepraten. Ze publiceerde onlangs haar memoires, Walk Through Walls. Al op een van de eerste pagina’s stelt ze dat ze uit een duister oord komt. Ze heeft het over de wereld achter het IJzeren Gordijn, de wereld die bezitnam van de Babelsberg Studio’s nadat de nazi’s waren verdreven en het filmcomplex decennialang dienstdeed als propagandamachine voor de DDR. Meer specifiek heeft Abramović het over naoorlogs Joegoslavië ten tijde van maarschalk Tito. Het Belgrado van haar jeugd. ‘Een eeuwig tekort aan alles, saai en grauw alom. Dat is iets van het communisme en socialisme – het is een soort esthetiek die gebaseerd is op pure lelijkheid.’ Abramović beschrijft haar ouders in het boek als oorlogshelden, die tegen de nazi’s hadden gevochten aan de zijde van de Joegoslavische partizanen, maar die er thuis een hardvochtig, haast tiranniek bewind op na hielden. Ze beschrijft een liefdeloze jeugd vol fysiek geweld en ouders met een huwelijk waarin het permanent oorlog was. Met haar vader heeft ze nog wel enigszins een band, maar hij is het soort man dat zijn dochter voor haar veertiende verjaardag een pistool geeft en meeneemt naar een stripclub. Als Marina straf kreeg – en dat gebeurde nogal eens – diende ze die lijdzaam te ondergaan. ‘Ik denk dat mijn moeder me in zekere zin wilde drillen tot een soldaat, net zoals zij. Ze was dan misschien een ambivalente communiste, maar wel een harde. Echte communisten hadden een vastberadenheid waarmee je ‘door muren heen loopt’ – een Spartaanse vastberadenheid.’ Er was slechts één terrein waarop Abramović door haar moeder werd gestimuleerd: de kunst. Allengs spitste haar leven zich toe op twee bezigheden: kunst en automutilatie. De eerste keer dat ze tijdens een performance zichzelf snijdt en haar bloed laat vloeien beschrijft ze alsof het een orgastische ervaring was. ‘Al snel was ik door mijn tien messen heen en was het witte papier indrukwekkend bevlekt met mijn bloed. Ik had absolute vrijheid ervaren – ik had gevoeld dat mijn lichaam geen grenzen had, geen limiet; dat pijn er niet toe deed, dat niets ertoe deed – en dat bracht me in een roes. Ik was dronken van de overweldigende energie die ik terugkreeg. Op dat moment wist ik dat ik mijn medium gevonden had. Geen schilderij, geen voorwerp dat ik kon maken zou me ooit dat gevoel kunnen geven, en het was een gevoel dat ik absoluut moest blijven opzoeken, steeds opnieuw.’

Beroemd is haar performance waarin ze bezoekers uitnodigt om met haar lichaam te doen wat ze maar willen. Het is een duister soort sensatie die zich van de kunstenares meester maakt. ‘Het werd heftiger. Een aantal mensen tilde me op en droeg me rond. Ze zetten me op de tafel, deden mijn benen uit elkaar en staken het mes vlak bij mijn kruis in het tafelblad. Iemand stak spelden in me. Iemand anders goot langzaam een glas water over mijn hoofd. Iemand maakte met het mes een kras in mijn hals en zoog het bloed op. Daar heb ik nog een litteken van. Er was één man, een heel klein mannetje, die alleen maar heel dicht bij me kwam staan terwijl hij zwaar ademde. Die man vond ik eng. Verder niets of niemand. Maar hem wel. Na een tijdje stopte hij de kogel in het pistool en legde het wapen in mijn rechterhand. Hij bewoog het pistool naar mijn nek en raakte de trekker aan. Er klonk gemompel in het publiek en iemand greep hem vast. Er ontstond een knokpartij. Een deel van het publiek wilde me blijkbaar beschermen, de rest wilde dat de performance verder ging. ’s Ochtends keek ik in de spiegel en zag dat een hele streng haar grijs geworden was. Op dat moment besefte ik dat het publiek je kan doden.’

(tekst loopt door na video)

corpse paint, spikes en kogelriemen

Kunstwerken waarin de duisternis overheerst zijn dus nogal eens verweven met de duistere kant van hun scheppers. Een van de meest lugubere voorbeelden daarvan is het verhaal van The Black Metal Inner Circle. Dat was een select gezelschap black metal-muzikanten waarvan een aantal het geflirt met de duisternis al te letterlijk nam. Black metal is een van de vele subgenres van heavy metal: net iets satanischer, net iets misantropischer. Aanvankelijk is black metal in veel gevallen ook een beetje tongue in cheek, het gaat gepaard met veel spektakel en theater, met corpse paint, spikes en kogelriemen. Maar in het Noorwegen van de jaren negentig was het tongue in cheek-element langzaam maar zeker naar de achtergrond verdwenen. Het verhaal van de black metalscene werd grimmiger. The Black Metal Inner Circle verzamelde regelmatig in Helvete (‘Hel’), een platenzaak in een duistere kelder in hartje Oslo. Het was wat je noemt een locatie in stijl: zwart geschilderde muren, een grote grafsteen voor de ruit.

Muur black metal in voormalig platenzaak Helvete

In 1991 pleegde een van de meest prominente leden van het gezelschap, Mayhem-zanger Per Yngve Ohlin die zichzelf bij leven al ‘Dead’ noemde, zelfmoord. Hij werd gevonden met zijn polsen en hals doorgesneden en een schietwond aan zijn hoofd. Foto’s van hoe hij werd aangetroffen werden later gebruikt al basis voor hoesontwerpen. Het incident maakte het genre alleen maar populairder, de fascinatie binnen de scene voor satanisme en ‘Het Kwaad’ alleen maar groter. Hoe extremer, hoe beter. Wat volgde was een reeks zelfmoorden alsook een golf van brandstichtingen in kerken, met de verbranding van de Staafkerk van Fantoft (1992), niet ver van Bergen, als sinister startschot. Gevoel voor symboliek en mythevorming kon de dader niet ontzegd worden. De brand werd gesticht op 6 juni rond 6 uur ’s ochtends. Drie zessen: Het Getal van het Beest, symbool van de Antichrist. Vermoedelijke dader was Varg Vikerness, een invloedrijke muzikant die platen maakte onder de naam Burzum. Vikerness werd niet lang daarna ook veroordeeld voor de moord op Øystein Aarseth, de oprichter van de platenzaak Helvete en de ‘ideoloog’ van het inktzwarte gedachtegoed van de black metal-scene. Volgens officiële berichten stak Vikerness hem 23 keer. Over het motief is veel gespeculeerd. Vikerness kwam in 2009 vrij, maar werd in 2013 opgepakt vanwege het voorbereiden van een terroristische aanslag in Frankrijk. Ook verscheidene andere leden van ‘The Black Circle’ werden gearresteerd en veroordeeld voor brandstichting, moord en explosievenbezit. Overigens maakte producent Ridley Scott vorig jaar bekend dat hij plannen heeft voor een film over de Noorse black metal-scene in de jaren negentig. De mythevorming rond dit lugubere groepje metalmuzikanten levert op haar beurt dus waarschijnlijk stof voor een Hollywoodfilm.

Overigens waren ze in de metalscene als sinds het prille begin niet vies van een mooie mythe. Zo ging het verhaal dat metal-bassist Geezer Butler, die zijn hele appartement zwart had geverfd en overal kruizen had opgehangen, ’s nachts een visioen had gehad van een zwarte gestalte, een silhouet aan de rand van zijn bed. Het zou de inspiratie hebben opgeleverd voor het nummer Black Sabbath, dat bovendien ook de naam zijn band zou worden. Maar Black Sabbath was óók de Engelse titel van de Italiaanse horrorfilm die in de bioscoop werd vertoond pal tegenover de studio waar de groep haar titelloze debuut opnam. Zoals het hoort bij mythes spreken de bronnen elkaar tegen en is het aan de liefhebber om het beste verhaal eruit te pikken. Het leidt in elk geval geen twijfel dat de jongens van Black Sabbath liefhebbers waren van het horrorgenre dat zich sinds de dagen van Fritz Lang en zijn collega’s in Babelsberg steeds verder had ontwikkeld, en dweepten met alles wat te maken met satan en de duisternis.

Daarmee stapten de jongens uit Birmingham, als centrum van de Britse metaalindustrie een decor van stalen kathedralen en rokende fabrieksschoorstenen, in een lange traditie. Zo maakt het nummer Black Sabbath gebruik van wat door kenners ‘het interval van de duivel’ wordt genoemd, de tritonus, of ‘de onheilige drietoon’. In de middeleeuwen werd deze opeenvolging van tonen al verboden omdat het met de duivel geassocieerd werd: men sprak van de diabolus in musica. Het gebruik van dit verboden interval was het idee van gitarist Tony Iommi. Aan diezelfde Iommi kleeft nog zo’n verhaal dat te mooi is om dood te checken: op zijn laatste werkdag in een metaalfabriek in Birmingham zou hij de topjes van twee vingers van zijn rechterhand hebben verloren, waarmee hij als linkshandige gitarist de akkoorden pakte. Dokters vertelden hem dat hij nooit meer gitaar zou kunnen spelen. Hij bleef echter spelen en gebruikt daarom tot op vandaag nog altijd extra lichte snaren en draagt een plastic bescherming over de beschadigde vingers (hij gebruikte eerst stukjes leer, maar dit kwam zijn gitaarspel niet ten goede). Om zijn vingers nog verder te ontzien stemde Iommi zijn gitaar omlaag van E naar D. Hierdoor ontstond het diepe grommende gitaargeluid dat sinds halverwege de jaren tachtig door veel metalbands wordt gebruikt maar dat eind jaren zestig nog volstrekt uniek was. Juist dat gebruik van dissonanten (zoals de onheilige drietoon) maar ook veel toon- en tempowisselingen was een belangrijk onderscheid met de reguliere ‘hardrock’.

Tekening van een amulet gevonden in 1877 in Zweden, voorstelling van Thors hamer

Sinds de jaren negentig is er een duidelijke toenadering tussen black metal en de voorchristelijke Europese mythologieën. Steeds meer bands dragen oeroude germaanse, keltische of vikingsymbolen en zingen in de moedertaal of oud-Scandinavische talen. Het schiet een beetje heen en weer tussen oppervlakkige Lord of the Rings-interesse en een hang naar nationalisme, soms zelfs op het rechts extremistische af. De populariteit van de vikingtijd en mythologieën,  sterk gevoed door populaire HBO-series als The Vikings, heeft de interesse aangewakkerd voor het heidense, voor-christelijke geloofssysteem dat meestal Ásatrú wordt genoemd, inclusief mythologische goden zoals oppergod Odin (ook bekend als Wodan), en voorwerpen zoals de Mjölnir, de hamer van dondergod Thor, die symbool staat voor de strijd van de ‘heidenen’ tegen de christenen. Elke keer dat Thor zijn hamer gooit, die natuurlijk nooit doel mist, dondert en bliksemt het. Het genre heeft dus, als je dat zo kunt zeggen, een folkloristische lading gekregen. Saillant detail: Anders Breivik had in de Glock die hij bij zich droeg ook de naam Mjölnir gekerfd, zoals hij zijn geweer de naam Gungnir had gegeven, naar de speer van Odin.

metalwinkel Neseblod Records, opvolger van Helvete - 2010 Oslo

Helvete, de platenzaak waar in de jaren negentig de leden van de Black Metal Inner Circle zich ophielden is een tijd gesloten geweest, maar tegenwoordig zit er weer een metal-winkel in onder de naam Neseblod Records. Nog steeds laten metal-pelgrims zich fotograferen bij het op de muur gekalkte ‘Black Metal’ in de roemruchte kelder. Daar waar het allemaal gebeurde. De zucht naar mythes houdt nooit op, evenmin als de fascinatie met Het Kwaad. In Roemenië wemelt het van de locaties waar ‘de echte’ Dracula gewoond zou hebben. Met ‘de echte’ wordt meestal gerefereerd aan de historische figuur Vlad de Spietser, een meedogenloze heerser uit de 15e eeuw, maar het is op z’n minst twijfelachtig of Bram Stoker, de schrijver van Dracula, zijn personage modelleerde naar hem. Dracula-vorsers, van wie wij er twee opvoeren in onze uitzending, zullen niet rusten voor de onderste steen boven is. We stapelen mythe op mythe, en de honger naar nieuwe mythes blijft. Zoals we vroeger griezelden bij Dracula-films groeit nu een generatie op met de figuur Voldemort, de ‘Dark Lord’ uit de Harry Potter-reeks. Voor wie wil is er een uitgebreide route uit te stippelen langs locaties in Schotland en Engeland waar de Dark Lord zich misschien ophoudt. En als u toch in Schotland bent, vergeet dan even niet te stoppen bij Loch Ness. In dat meer bevindt zich nog altijd een onwaarschijnlijk monster.

Europese kunstenaars geven de duistere kant, ook die in zichzelf, ruim baan. ‘Ik houd mijn publiek niet voor de gek, zoals Amerikaanse films doen, die elk gevaar in honderd minuten oplossen,’ zegt Michael Haneke. ‘Alles komt goed! Voor die verdoving betaalt het publiek graag en daarmee verdient Hollywood veel geld. Maar een romanschrijver zou niet serieus worden genomen als hij met oplossingen en een vrolijk einde aan zou komen zetten. Het is typisch iets wat van film wordt verlangd. Film wordt niet als kunst beschouwd.’

Natuurlijk zijn er Amerikanen die de Europese diepe zielekelders wel kunnen waarderen. Neem de populaire stand up-comedian Louis C.K. In het radioprogramma The Opie & Anthony Show vertelde hij enthousiast over Haneke’s film De Pianiste die hij onlangs zag. Interessanter dan zijn scherpe oog voor wat de film zo goed maakt zijn de domme reacties van het presentatieduo, dat alleen maar kan schateren om hoe C.K. vertelt over die gekke Franse film met die suffe titel. Waarop C.K. zegt: ‘If you’re a fucking American retard that watches Mel Gibson movies, it’s slow. If you just fuckin’ take a breath! This is a sick, twisted movie. One of the best I’ve ever seen.’

Later dit voorjaar kan Louis C.K. zijn hart ophalen. Dan gaat de nieuwe film van Haneke in première, over een welgestelde Europese familie die probeert stand te houden in een Europa dat geteisterd wordt door de migratiecrisis. Volgens actrice Isabel Huppert, die opnieuw een grote rol voor haar rekening neemt, is het een film die toont, zonder enige psychologie. Titel van de film? Happy End.

Maarten Slagboom is researcher en eindredacteur van Made in Europe