Dichter Ellen Deckwitz is één van de vaandeldragers van de poëzie in Nederland. Met gevoel voor humor en fantastische beelden weet ze de harten van de lezers te veroveren. Maar van wie leerde ze het? Naar wie keek ze op? Wie gaf haar de moed? Kortom: op welke schouders staat Ellen Deckwitz?

#1 Tomas Tranströmer - Het wilde plein

Tomas Tranströmer in 2014

Tomas Tranströmer in 2014

‘Ik denk dat ik een jaar of vijftien was en ik wist al wel een beetje iets van poëzie. Ik las Annie M.G. Schmidt, nonsensgedichten en light verse van Drs. P. Maar op een dag sloeg ik in de mediatheek van de middelbare school een bundel van Tomas Tranströmer open. Die bundel opent met “Ontwaken is een parachutesprong uit je dromen.” Holy canoli! Dacht ik. Wat is dit? Toen ging ik verder doorbladeren. In het gedicht Storm wandelt iemand in het donker door het bos. Hij ziet de sterrenbeelden boven zich en hoort ze stampen in hun stallen. Die avond liep ik zelf naar huis en ineens zag ik de meerwaarde van dat soort gedachten. Het kán natuurlijk niet, dat gestamp van die sterrenbeelden, maar wat als het wel kan? Ik leerde dat gedachten, ook onrealistische, je kunnen helpen om er weer even tegenaan te kunnen.'

'Ik werd, zoals het respectabele personen betaamt, een beetje gepest op de middelbare school. Eén van die meisjes die me pestte had van dat hele lange uitstekende neushaar. Telkens als ze weer gemene dingen over mij zei keek ik naar haar en zag ik hoe die neusharen uit hun gaten kwamen groeien tot ze als een soort Otto von Bismarck snor over haar schouders hingen.  Heerlijk. In die manier van denken ben ik schatplichtig aan Tranströmer. Niet alleen in mijn werk, maar ook in mijn leven. Het leven is geen lolletje, maar je kunt zelf bepalen waar je met je gedachten de focus legt. Net zoals in het boek De keuze, van Edith Eva Eger. Daarin leert een meisje in Auschwitz van haar moeder dat ze zich, omringd met ellende, kan focussen op minder verdrietige dingen, en kan kijken naar het grappige, interessante of desnoods mooie om je heen. Al is het maar een klein groen grassprietje. Die blik kan je trainen met poëzie en literatuur.'

#2 Radiohead - Kid A

'Ik kom uit ’82 en groeide op met Radiohead. Toen ik voor het eerst OK Computer hoorde was ik helemaal blown away. Maar, OK Computer zag je in principe wel aankomen als je Radiohead al een beetje volgde. Het was een meesterwerk, maar niet heel verrassend in hoe dat meesterwerk eruit zag, het viel te extrapoleren uit hun eerdere werk. En toen maakten ze Kid A. Over dat album schreef het NRC: “Kid A is de commerciële zelfmoord van Radiohead. Maar wat is het een prachtige dood.” '

'Het was totaal anders dan wat ze ervoor deden: rauwere teksten, elektronica, drum ’n bass. Ze hebben alles wat ze hadden opgebouwd aan ervaring binnen een genre weggegooid, en dat werd Kid A. Dat probeer ik in mijn eigen werk ook te doen. Ik vind dat je nooit voorspelbaar moet worden: met elke bundel die ik schrijf wil ik iets anders proberen. Mijn eerste bundel was een soort streekroman in bundelvorm en mijn tweede was een beetje die Netflix serie Sex Education, maar dan acht jaar eerder, haha.'

#3 La Reine Margo

Patrice Chéreau

'Ik herinner me een film die ik op mijn 11e voor het eerst zag. Echt zo’n filmhuisfilm die ’s avonds laat bij de VPRO werd uitgezonden: La Reine Margot.

De film, gebaseerd op het boek van Alexandre Dumas, speelt zich af in Frankrijk in de 16e eeuw. Er zijn grote spanningen tussen de protestanten en katholieken in het land, en om dat te sussen moet een protestantse prins trouwen met een katholieke prinses. Ze zitten hier allebei niet op te wachten, en het eindigt in een bloedbad waar The Red Wedding van Game of Thrones nog wat van kan leren. En dán begint het verhaal pas echt, en blijkt het hof een slangenkuil waar zelfs Machiavelli niets mee zou kunnen.

De film zelf is echt een bende: alles gaat van de hak op de tak, chaos alom. Maar wat er, naast het geweldige spel, zo goed aan is is dat je er als kijker gewoon ingeflikkerd wordt. Je begint in een overvol Parijs: elke AirBnB is al vergeven en in een herberg in de stad moet een Katholieke man het bed delen met een protestant. Waar gáát dit over, denk je dan. Hoe denken die mensen? Waarom zijn ze zo raar? Je loopt constant achter de feiten aan als kijker en heel langzaam ontdek je iedereens motieven. Bovendien zijn er hele stukken uit het boek niet naar de film gehaald, dus je moet alle lijntjes zelf aan elkaar knopen. Maar het werkt! Juist door de dingen die je niet weet wordt het interessant.
Van deze film heb ik iets geleerd wat wezenlijk is voor alles ik maak: onderschat nooit de lezer.'