NWQ 2017: de vragen

Dit zijn de tien publieksvragen van de Nationale Wetenschapsquiz 2017. Meedoen kon t/m 21 december 2017 via www.nwo.nl/quiz.

Vraag 1: Waardoor kunnen mensapen geen spraakklanken produceren?

  • a. Door de positie van het strottenhoofd kunnen ze niet voldoende verschillende klanken vormen
  • b. Doordat hun keelzak ervoor zorgt dat alle geproduceerde klanken lager worden en daardoor te veel op elkaar lijken
  • c. Doordat ze niet in staat zijn hun stembanden voldoende te controleren

Met dank aan Bart de Boer, taalwetenschapper aan de Vrije Universiteit Brussel.

Vraag 2: Je bent aan het fietsen en je valt naar links. Wat moet je doen om niet verder om te vallen?

  •  a. Naar rechts sturen
  •  b. Je lichaam naar rechts bewegen
  •  c. Naar links sturen

Met dank aan Arend Schwab, biomechanicus aan de TU Delft.

Vraag 3: Rond het jaar 1900 hadden elektrische auto’s een groot marktaandeel, maar al snel werden ze verdrongen door auto’s met een verbrandingsmotor. Een van de oorzaken daarvan was:

 

  •  a. Elektrische auto’s werden niet stoer gevonden, omdat ze stil en gemakkelijk te bedienen waren
  •  b. De prijs van olie daalde sneller dan die van elektriciteit
  •  c. Elektrische auto’s veroorzaakten relatief veel dodelijke ongelukken

Met dank aan Peter-Eloy Staal (KNAC) en Jan Wouters (NCAD).

Vraag 4: Je verbindt twee ballonnen met een T-vormig tuitje. Als je begint te blazen, vullen beide ballonnen zich eerst een beetje. Wat gebeurt er daarna?

  •  a. De ballonnen worden tegelijkertijd groter
  •  b. Een van de ballonnen loopt vol
  •  c. De ballonnen worden om beurten steeds een beetje groter

Met dank aan Bas Overvelde, AMOLF.

Vraag 5: Er liggen zes stoeptegels op een rij. Onder een van deze tegels zit een pissebed. Je weet niet onder welke, maar je weet wel dat het beestje elke nacht willekeurig één plek opschuift naar links of rechts. Elke dag mag je onder één tegel kijken. Als je de tegels optimaal kiest, hoeveel dagen heb je dan maximaal nodig om aan te wijzen onder welke tegel de pissebed zit?

 

  •  a. 6 dagen
  •  b. 8 dagen
  •  c. 10 dagen

Vraag 6: Het mannetje van de wilde eend heeft groene veren op zijn kop en blauwe veren in zijn vleugel. Wat voor pigment zit er in deze veren?

  •  a. Groen en blauw pigment
  •  b. Roodbruin pigment
  •  c. Blauw en geel pigment

Met dank aan Doekele Stavinga, biofysicus aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Vraag 7: De familie Jansen woont sinds kort bij jou in de buurt. Als je twee willekeurige kinderen van het echtpaar Jansen tegenkomt, is de kans 50 procent dat ze allebei blauwe ogen hebben. Hoeveel kinderen heeft dit gezin?

  •  a. Drie kinderen
  •  b. Vier kinderen
  •  c. Vijf kinderen

Met dank aan Prof. dr. Henk Tijms, emeritus hoogleraar toegepaste wiskunde aan de Vrije Universiteit.

Vraag 8: Het verhaal gaat dat gevangenen vroeger over hun linnen lakens plasten voordat ze deze uit het raam hingen om te ontsnappen. Waarom zou dat een goede zet geweest zijn?

  •  a. Urine ontsmet direct de schaafwonden die je oploopt als je langs een laken naar beneden glijdt
  •  b. Urine vergroot de draagkracht van de lakens, doordat de vezels water opnemen zodat de cellulosefibrillen worden samengedrukt
  •  c. De combinatie van water en zouten in de urine zorgt ervoor dat de vezels in de lengte rekbaarder worden, zodat het laken een flink stuk langer wordt

Met dank aan Willem Böttger, lector Biobased Bouwen aan de Avans Hogeschool en de Hogeschool Zeeland.

Vraag 9: Je hebt een grote cilindervormige, glazen vaas met tien liter water en markeert het waterpeil met een streepje. Vervolgens haal je vier liter water uit de vaas en maakt daar ijsblokken van. De vaas houd je intussen afgedekt. Dan laat je de ijsblokken voorzichtig in de vaas zakken en wacht tot het wateroppervlak niet meer beweegt. Hoe hoog staat het water dan?

  •  a. Boven het streepje
  •  b. Precies tot het streepje
  •  c. Onder het streepje

Met dank aan Cindy van de Vries en collega's van wateronderzoeksinstituut Deltares.

Vraag 10: Bij de verslaggeving van een wielerevenement rijden motoren vaak dicht op de wielrenners. Wanneer verliest een renner snelheid door zo’n motor?

  •  a. Als de motor voor hem rijdt
  •  b. Als de motor achter hem rijdt
  •  c. Als de motor naast hem rijdt

Met dank aan Bert Blocken, afdeling Urban Physics en Wind Engineering, TU Eindhoven.

advertentie