Pech gehad

In gesprek met revalidatiearts Willemijn Faber

, Ilse van der Velden

In Stuk maken we kennis met personeel en patiënten van revalidatiecentrum Heliomare. De VPRO Gids plaatst bij elke aflevering een interview met een van hen. Deze week: revalidatiearts Willemijn Faber.

Half december, Heliomare in Wijk aan Zee. Een gebouw met lange, donkere maar geen sombere gangen, met kunst aan de muur en rolstoelgebruikers die elkaar kruisen. Daartussendoor komt revalidatiearts Willemijn Faber aangelopen. Korte maar warme handdruk, vriendelijke en open uitstraling, een indruk die wordt bevestigd gaande het gesprek. De positieve instelling en opgewekte nuchterheid van Willemijn Faber zou het anker kunnen zijn waaraan revalidanten, geconfronteerd met een nieuwe en beangstigende afhankelijkheid, zich kunnen optrekken.

U bent revalidatiearts. Wat is dat voor proces, revalidatie?  
Faber: ‘Iemand die hier binnenkomt, maakt iets verschrikkelijks door. Alles verandert na een dwarslaesie: huis, baan, partner, hoe je poept en plast, hoe je seks hebt. Alles moet aangepast, het leven staat totaal op zijn kop. De uitdaging is dan om iemand hier zo zelfstandig mogelijk en weer enigszins gelukkig de deur uit te krijgen. Dat lukt best vaak.'

'Daar moet ik bij zeggen dat wanneer er echt niets te bereiken valt, iemand niet hier terechtkomt maar naar een verpleeghuis gaat. En soms lukt het ons ook niet. Er zijn mensen die per se niet willen of kunnen revalideren, die sturen we naar huis tot de bereidheid of de mogelijkheid eventueel alsnog komt. Er zijn ook mensen die heel depressief raken, en er zijn er die om euthanasie vragen. Wat ik me ook kan voorstellen.'

'Het is goed om op te merken dat we in Stuk niet helemaal een representatieve steekproef zien van de populatie hier, want de mensen die het dekbed over hun hoofd trekken, wilden niet meewerken aan deze documentaire. Maar gelukkig wil de grootste groep echt werken aan herstel. En dan is revalidatie een proces van vooruitgang en verbetering. Een positief proces dus. Iemand komt horizontaal binnen en gaat verticaal weer naar buiten, als het goed is. Vooral jonge mensen slagen er toch vaak in een heel nieuw leven op te bouwen. Dat is hoopgevend.’

Waarom koos u dit vak?
‘Mijn ouders zaten in de zorg, dus het lag voor de hand. Ik heb lang getwijfeld tussen neuroloog, huisarts en psychiater, en de revalidatiearts is een beetje van alles. Ik bemoei me overal mee, van de dagelijkse medische zorg tot het op touw zetten van de benodigde hulp en hulpmiddelen thuis, waken over het geestelijk welzijn. Mijn dag is nooit hetzelfde.’

Gelooft u in het noodlot?
‘Niet dat het in de sterren staat geschreven en dat wij zelf geen invloed hebben, maar ik geloof wel dat er zoiets bestaat als pech. En wat me opvalt, is dat pech vaak dezelfde mensen treft. Het is natuurlijk totaal niet te verklaren, maar een ongeluk komt inderdaad vaak niet alleen.'

'Daar zie ik hier geregeld voorbeelden van. Iemand krijgt een dwarslaesie en diens partner krijgt kanker. Zoals Paul White overkwam, een voormalige revalidant van Heliomare die ook voorkomt in Stuk [en in een volgende aflevering van deze interviewserie, IvdV]. Maar er zijn ook genoeg mensen die het noodlot zelf opzoeken, door on the edge te leven.'

'Afgelopen tien jaar heb ik mijn populatie, mensen met een dwarslaesie, zien veranderen van vooral jonge, onbesuisde mannen in steeds meer zestigplussers. Zestig is het nieuwe veertig hè, dat soort denken is daarvan toch wel de oorzaak. Mensen willen zich jong voelen en gaan in bomen klimmen. Of ze gaan voor het eerst skiën op hun zestigste, dat soort dingen. En als je op die leeftijd dan een keer valt, kán dat genoeg zijn om een dwarslaesie op te lopen, doordat het wervelkanaal al is vernauwd, een natuurlijk gevolg van ouder worden.’

'Dit werk leert je wel relativeren. Het is niet zo leuk wat je hier allemaal ziet – en dus moet je leren te zien wat er wél is, wat er wel goed gaat.'

- Willemijn Faber

Hoe vindt u dat we daar mee omgaan?
‘Pech moet weg, dat is wel wat we allemaal vinden in de moderne maatschappij. Maar dat kan nou eenmaal niet. De werkelijkheid slaat je op onverwachte momenten om de oren en daar moeten mensen dan wel mee leren dealen. Vaak lukt dat, gelukkig. Dit werk leert je wel relativeren. Het is niet zo leuk wat je hier allemaal ziet – en dus moet je leren te zien wat er wél is, wat er wel goed gaat.’

Ondergaat ieder zijn lot op zijn eigen manier, of zijn er ook overeenkomsten?
‘Het klassieke scenario dat ik hier veel zie, is dat mensen heel positief binnenkomen omdat ze uit het ziekenhuis weg zijn. Vaak hebben ze daar te horen gekregen dat het in het revalidatiecentrum allemaal weer goed komt. Die stemming houdt dan een paar weken aan, tot ze merken dat het helemaal niet een, twee, drie goed komt.'

'Vaak zien we mensen dan terugvallen. Dan is het de kunst om toch kwaliteit van leven terug te krijgen en sommige mensen zijn daar veel beter in dan andere. Bepalend daarbij is niet zozeer de hoogte van de dwarslaesie, waarbij geldt dat hoe hoger die is hoe meer beperkingen iemand heeft, maar veel meer iemands karakter en de omgeving.’

(artikel loopt door onder video)

advertentie

U doet dit werk nu tien jaar. Wat is de belangrijkste les die u heeft geleerd?
‘Hoe bepalend je karakter is voor je kwaliteit van leven. Meer dan wat ook. Hoe we de dingen zien is allesbepalend, gegeven het feit dat we het leven niet zelf in de hand hebben. We hadden hier onlangs iemand die vrijwel niets meer kon, en toch zat hij voor de deur te genieten van het zonnetje. Het vermogen dat te kunnen, gun ik iedereen. Het zit helaas niet in een potje, maar er zijn patiënten aan wie ik er graag wat van zou uitdelen. Mensen kunnen hun karakter mee of tegen hebben, daar verandert een revalidatieteam niets aan. Wat wij wel kunnen, is iemand weer mogelijkheden laten zien. Wat kan er nog wél.

Het leven kan totaal onverwacht een dramatische wending nemen, daar wordt u in uw werk dagelijks mee geconfronteerd. Wat doet dit met u?
‘Met mij niet zoveel. En dat kan ook niet, want de mensen hier hebben er niets aan als ik de hele dag huilend rondloop. Sinds ik kinderen heb is het wel veranderd, ik zie overal gevaar. Bij het trampolinespringen houd ik mijn hart vast, ik zie de ergste scenario’s voor me, omdat ik heel goed weet hoe ongelukken kunnen gebeuren op zo’n ding.'

'Het buurjongetje heeft nu een quad. Ik ben pas naar een dwarslaesiecongres geweest. Er hing een poster over kinderen met een dwarslaesie door quadongelukken met daarop de tekst: ‘Why kids can’t fly.’ Dat probeer ik te negeren, anders hebben ze geen leven. Nu al verzuchten mijn kinderen tijdens de jaarlijkse werkweek steevast: “Oh god, ze gaat toch niet mee hè. Want dan mogen we weer niks.”’

Heeft dit werk uw kijk op het leven veranderd?
‘Nee, dat geloof ik niet. Ik geloof maar ten dele in de maakbaarheid van het leven. Maar om me heen zie ik dat maakbaarheidsgeloof des te meer, en dan kan de realiteit rauw op het dak vallen. Mensen zijn de afgelopen tien jaar steeds veeleisender geworden. Pech moet toch iemands schuld zijn, is de gedachte. Ze vragen niet, nee ze éisen dat hun broer of zoon beter wordt. Maar niet alles laat zich nu eenmaal oplossen, en daar kunnen we steeds slechter tegen met z’n allen. Dat vind ik zorgelijk.’

Willemijn in 'Stuk, een noodlotsvertelling in vier delen'.