Nog steeds bouwen we in Nederland met dezelfde vervuilende grondstoffen, terwijl de alternatieven al lang voor handen zijn. Wat gaat er mis? We vroegen het 3 spelers in de biobased bouw.

Om de woningnood op te lossen moeten er in 2030 één miljoen huizen gebouwd worden. Tegelijkertijd liggen veel nieuwbouwprojecten stil omdat zij stuiten op internationale afspraken over CO2-reductie en stikstof. Waarom stappen we niet over op biobased materialen, zodat we het probleem bij de kern aanpakken?

Met biobased materialen zoals hout, hennep, vlas en stro kun je volledige (!) huizen bouwen, die niet duurder hoeven te zijn dan regulier gebouwde huizen. Er zitten talloze voordelen aan bouwen met en wonen in hennep. 

We spraken drie partijen die biobased (ver)bouwen: de boer, de architect en de bouwgroep. Bij wie ligt volgens hen de bal om de grondstoffentransitie werkelijkheid te maken? 

volgens de boer

Al 25 jaar lang is hij bezig met het verbouwen en verwerken van hennep: Albert Dun, eigenaar van Dun Agro in Oude Pekela. Het bedrijf gebruikt alles van de plant, waar het onder andere textiel en kalkhennep van maakt, en gebouwen mee isoleert. 

En de zaken lopen goed: ‘We exporteren nu tachtig procent van onze hennepproducten naar het buitenland: in Duitsland en Denemarken zijn ze goed bezig op het gebied van biobased bouwen.’ Dat biobased bouwen in Nederland nog niet van de grond is, vindt Dun onbegrijpelijk. ‘Ik wil ook graag samenwerken met Nederlandse woningbouwcorporaties, maar dan moeten ze wel willen.’ 

waar gaat het mis?

‘We lopen telkens tegen architecten aan die niet genoeg weten van duurzame materialen en opdrachtgevers die de stap niet durven te wagen. Men vindt het te ingewikkeld om zich te verhouden tot een alternatief bouwproces.’ Dun hamert op de voorbeelden die er zijn. ‘Inmiddels hebben we wereldwijd al veel huizen gebouwd met hennep. In Nederland zijn we nu bezig met een ecodorp in Boekel, wat bestaat uit 35 biobased huizen. Er is genoeg om naar te kijken.’

Volgens Dun is het aan de opdrachtgevers om de stap wagen, maar architecten kunnen daarbij helpen. ‘De architecten moeten de materialen in handen krijgen, zich erin verdiepen en de mogelijkheden ervan ontdekken. Opdrachtgevers moeten vervolgens durven voor die opties te kiezen.’ 

Maar ook de overheid kan de opdrachtgevers een steun in de rug geven: ‘Er moet een duurzaamheidslabel komen voor de bouw. Of nog beter: een heffing op materialen die veel CO2 uitstoten. Zo worden alle partijen gestimuleerd om naar biobased te gaan kijken.’ 

'Architecten moeten de materialen in handen krijgen'

volgens de architect

Daan Bruggink is eigenaar van architectenbureau Orga Architecten, en laat zich al zijn hele carrière inspireren door materialen uit de natuur. Veel bouw ligt stil, maar Bruggink heeft het druk: naast een basisschool en particuliere woningen staat een biobased wildopvang in de steigers, dat gebouwd wordt vlak naast een beschermd Natura 2000-gebied.

waar gaat het mis?

Ook Bruggink wijst naar de opdrachtgevers van grotere projecten: er worden wel stappen gemaakt, maar die zijn nog te klein. ‘Wat nu veel gebeurt in grotere projecten, is dat de onderdelen van kalkzandsteen worden vervangen door hout, terwijl de rest van het bouwproces hetzelfde blijft. Dat is zonde, want dan is hout duurder. Juist met volledig biobased bouwen valt de meeste winst te behalen. Allereerst in het snelle en veilige proces, want de materialen zijn licht. Maar de troef van biobased bouwen is het gezonde binnenklimaat. Als de biobased basisschool een paar jaar staat, zullen we in de cijfers minder ziekte terugzien.’

Maar ligt de bal dan ook niet bij de aannemers? 'Als er geen opdracht is, gaat niemand het bouwen en blijven we vastzitten. Je kunt namelijk niet van bouwgroepen verwachten dat ze uit zichzelf in transitie gaan. Het is in Nederland namelijk zo geregeld dat uitvoerende partijen altijd het risico dragen: elke vastgedraaide schroef is hun verantwoordelijkheid. Dat aannemers in eerste instantie niet meewillen naar biobased zou je conservatief kunnen noemen, maar eigenlijk is het risicomijdend. De overheid kan opdrachtgevers wel aansporen door bijvoorbeeld materiaal-eisen te stellen. Dat soort eisen werken ook bij de energietransitie.’  

Bij biobased moeten bouwers de materialen door en door kennen

volgens de bouwgroep

Folkert Linnemans is sinds zes jaar werkzaam als innovator bij Bouwgroep Dijkstra Draisma. Het bedrijf bouwt onder andere met hout, produceert in hun eigen fabriek, en is lid van Bowinn, een campus voor bouwinnovatie in Dokkum. Linnemans kijkt naar de gebruiksmogelijkheden van verschillende biobased materialen, met op dit moment lisdodde in de test. 

waar gaat het mis?

‘Om biobased te bouwen moeten verschillende ketens met elkaar samenwerken. Dat is ook de algehele uitdaging van de grondstoffentransitie, want elke keten heeft zijn eigen toelevering en afzet. Veel bedrijven laten zich uit het veld slaan door deze uitdaging. Maar zij moeten júist die stap zetten.’ 

De bal ligt dan ook bij de opdrachtgevers. Want, zonder hen geen reden om te gaan ontwerpen en bouwen. ‘Maar,’ zegt Linnemans, ‘de bouwbedrijven kunnen wel vast beginnen. Je ziet dat veel bouwers weinig weten van de materialen waar ze mee werken. Ze kopen bijvoorbeeld isolatiemateriaal in, verwerken het in een product, en verkopen het. Zeker bij biobased is het ontzettend belangrijk dat bouwers hun producten door en door kennen. Pak bijvoorbeeld een nieuw biobased isolatiemateriaal, ga het testen, zet het in klimaatkamers, laat het een keer wegrotten, kijk hoe je dat tegen kunt gaan, test het op windlast en ga zo maar door. Doe kennis op van de producten waar je mee wilt werken. Zo wordt het allemaal minder eng.’

 

Conclusie

De opdrachtgevers zijn aan zet, maar die kunnen het niet alleen. De overheid moet een duurzaamheidslabel voor de bouw ontwikkelen en een CO2-heffing op materialen invoeren. In de tussentijd moeten bouwers en architecten zorgen dat ze biobased materialen als hun broekzak kennen: klaar voor de grondstoffentransitie.