Terwijl wij onze kleding à la Marie Kondo in een container gooien (‘Bedankt, trui, voor je warmte. Doei!’) kampen mensen in Rwanda met een kledingtekort. Wat heeft het een met het ander te maken?

De winter komt eraan, en dus worden de kledingkasten weer winterklaar gemaakt. Het resultaat? Vuilniszakken vol shirts, schoenen en broeken die naar de kledingcontainer worden verplaatst. Opruimgoeroe Marie Kondo weer tevreden en jij holistisch en schoon. We doen wat goed, denken we: we verspillen niets en maken er een ander blij mee. 

Maar is dat wel zo goed? We verschepen onze afdankertjes massaal naar het buitenland, waar het opnieuw verkocht wordt. In 2012 ging het om 90 miljoen kilo textiel (grofweg zo'n 140 miljoen spijkerbroeken). Nederland is al jaren één van de wereldwijde kampioenen in het exporteren van tweedehandskleding.

Zo kan het dat jouw sloppy second op één van de levendige tweedehandskleding-markten in Oost- of West-Afrika terecht komt. Wij blij, zij blij, zou je zeggen.

Maar die sloppy seconds vormen een obstakel voor de eigen kledingindustrie in die landen. De markten voor tweedehandskleding in Oost- en West-Afrika zijn gigantisch. Stapels kleding met alle mogelijke kleuren, vormen en materialen worden daar dagelijks uitgestald. Maar, niemand die omkijkt naar wat de eigen modeontwerpers in het land eigenlijk maken. Behalve, ironisch genoeg, expats. 

vrije handel

In een poging om de eigen industrieën een boost te geven, besloten de zes leden van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (OAG), bestaande uit Kenia, Oeganda, Rwanda, Tanzania, Burundi en Zuid-Soedan in 2015 om de import van Westerse kleding via het verhogen van importtarieven te beperken. Met als uiteindelijk doel: een volledig importverbod in 2019. 

Maar, vier jaar later hebben alle landen van de AOG, op Rwanda na, zich teruggetrokken uit het voorstel. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan dreigde Donald Trump om het vrijhandelsverdrag 'Africa Growth and Opportunity Act' (AGOA), in te trekken. Want: ‘Ho eens, het verbod op tweedehandskleding valt niet onder onze voorwaarden van vrije handel.’

De meeste landen die betrokken waren bij het voorstel bleken té afhankelijk van de handel met Amerika, en zo verschoven zij hun importverbodwens naar de achtergrond.

hoe kunnen we de mode veranderen met behoud van het plezier?

bescherming

Eén land, Rwanda, zette het plan dapper door. Waarom? Onderzoeker Charlie Robertson studeerde onlangs af op het transformeren van de Rwandese textielindustrie. Ook adviseerde hij de Rwandese regering. Hij legt uit:

‘De Rwandese handel met de VS is relatief klein. Bovendien zijn de Rwandezen trots op hun eigen industrie. De handel in tweedehandskleding tast hun waardigheid aan.’ 

Eerder deden Nigeria, Zuid-Afrika, Zimbabwe en Ethiopië de Westerse afdankertjes al in de ban door de importtarieven te verhogen. Maar Rwanda spant de kroon: in 2016 betaalde je voor één kilo kleding niet meer twintig dollar cent, maar 2,50 dollar. Sindsdien is de import dan ook met 96 procent teruggedrongen. 

Met de stop op de import van Westerse tweedehandskleding, moest de eigen kledingindustrie gaan bloeien. Maar Robertson zag dat tijdens zijn onderzoek niet gebeuren:

‘De lokale kleding die er op dit moment is, is niet van dezelfde kwaliteit als de kleding die uit het Westen werd geïmporteerd. Daarbij komt ook nog eens dat de kleding uit eigen industrie voor de gemiddelde Rwandees niet te betalen is. Met de tweedehands kleding uit het Westen had iedereen toegang tot kleding van goede kwaliteit.’  

'de handel in tweedehands kleding tast de waardigheid van Rwandezen aan'

kledingtekort

Sinds de stop is er volgens Robertson zelfs een tekort aan kleding ontstaan. Gevolg is dat er tot over de grens gezocht wordt naar kleding: koffers worden in bijvoorbeeld buurland Congo, waar nog wel Westerse kleding te vinden is, gevuld.

Het gevolg van de maatregel, hoe goed bedoeld ook: terwijl er een overvloed aan (goedkope) fast fashion kleding beschikbaar is, kunnen mensen in Rwanda niet aan een broek of shirt komen. 

Bovendien was voor Rwandese handelaars het verkopen van de tweedehandskleding hun bron van inkomsten. Voorheen waren er op één markt alleen al zo’n drieduizend verkopers.

Nu zijn dat er volgens Robertson nog amper driehonderd: ‘De overheid is de verkopers die moesten stoppen met de handel niet tegemoet gekomen. En er zijn ook geen nieuwe banen bijgekomen.

Toch ziet Robertson wel mogelijkheden. 'De kennis die deze verkopers hebben opgedaan zou gebruikt kunnen worden om de nieuwe markt op te zetten. Zij weten tenslotte wat het beste verkoopt en zo kunnen zij opnieuw aan de slag in de industrie. Een win-win situatie.’ 

'de Rwandese overheid had harder moeten werken aan de opbouw van de eigen industrie'

advies

Dat laatste is dan ook Robertsons advies aan de Rwandese regering, dat hij hen vorige maand presenteerde.

Volgens Robertson doet de overheid momenteel te weinig aan het stimuleren van de eigen industrie, waardoor die niet van de grond komt. Hij pleit er dan ook voor om de importtarieven toch weer gedeeltelijk en voor een beperkte tijd te verlagen: ‘De Rwandese overheid had het importverbod op geïmporteerde kleding geleidelijker in gang moeten zetten en tegelijkertijd ook harder moeten werken aan de opbouw van de eigen industrie.’ 

De Rwandese regering heeft inmiddels laten weten dat ze het beleidsadvies van Robertson mee zullen nemen tijdens de evaluatie van het huidige beleid, later dit jaar.