Wat Facebook echt wil: onze geest en ons bewustzijn

Column

, Hans Schnitzler (leestijd: 8 minuten)

Volgens filosoof en publicist Hans Schnitzler leveren wij ons vrijwillig over aan het surveillancekapitalisme, zodat wij de gewetenslast niet meer hoeven te dragen. 'We leveren ons bewustzijn uit aan Facebook.'

Harvard-professor Shoshana Zuboff schreef een monumentaal en verontrustend werk over de nieuwe economische orde waarin wij ons volgens haar bevinden: The Age of Surveillance Capitalism.

Zuboffs boek, dat door sommigen al vergeleken is met Karl Marx’ Het Kapitaal en Thomas Piketty’s bestseller Kapitaal in de 21ste eeuw, gaat over de opkomst van een parasitaire economische logica waarin grootdatabezitters en datahandelaren als Google en Facebook de dienst uitmaken en waarin menselijk gedrag tot handelswaar wordt gereduceerd.

Tegelijkertijd kan The Age of Surveillance Capitalism gelezen worden als een pleidooi voor de verdediging van de menselijke waardigheid. Dat is ook niet zo gek, want in tijden waarin we steeds meer gaan samensmelten met geavanceerde technologieën wordt de vraag naar wat het betekent om mens te zijn actueler en urgenter dan ooit.

Daarmee betreden we een wijsgerig moeras. Door de eeuwen heen hebben filosofen zich het hoofd gebroken over de vraag wat de mens tot mens maakt. Is het de menselijke ratio, ons idee van vrijheid of autonomie, dat we een besef hebben van onze eigen eindigheid of moeten we de essentie van ons mens-zijn zoeken in het feit dat we verhalenvertellers zijn?

'de menselijke conditie is een technologische conditie'

Een alternatieve benadering van wat de mens zo bijzonder maakt is, gezien Zuboffs thematiek, minstens zo interessant: de gedachte dat we vooral technologische dieren zijn. De mens is uniek omdat hij een hybride wezen is, een kruising tussen natuur en technologie.

Zo meent de Franse techniekfilosoof Bernard Stiegler dat de mens geen aangeboren, natuurlijke kwaliteiten bezit om te overleven. We komen als het ware invalide ter wereld en zijn van meet af aan aangewezen op technologieën (of instrumenten) om te overleven.

In dit verband rept hij ook wel over onze prothetische conditie; of het nu het vuur is, de vuistbijl of de laptop, we zijn altijd al afhankelijk geweest van verlengstukken om onze gemankeerde natuur te maskeren en te compenseren. Kortom, de menselijke conditie is een technologische conditie.

technologie bepaalt ons zelfbeeld

De Canadese mediagoeroe Marshall McLuhan muntte ooit de oneliner: 'First we shape our tools, thereafter they shape us'.

Hiermee bedoelde hij dat zodra nieuwe technologieën hun weg vinden en ingebed raken in het sociale weefsel, deze op beslissende wijze gaan bepalen hoe we interacteren en samenzijn. Sterker nog, nieuwe technologische toepassingen bepalen op den duur ons zelfbeeld en wereldbeeld. Ook hier geldt: de mens ís zijn technologie.

Wanneer je deze gedachte in historisch perspectief plaatst, ontstaat er een precair beeld. Het is natuurlijk geen toeval dat de Grieken en Romeinen met hun imposante waterwerken, de technologische hoogstandjes van die tijd, het wezen van de mens in termen van lichaamssappen begrepen.

En dat men ten tijde van de Renaissance, toen klok- en uurwerken algemeen ingang vonden, de mens begon te interpreteren als een verfijnd mechanisme, hoeft al evenmin te verbazen.

En nu we in het informatietijdperk leven, zie je de gedachte postvatten dat de mens een informatie generende machine is. U bent de data die u genereert: net zo voorspelbaar, controleerbaar en manipuleerbaar als elke andere machine, luidt de eigentijdse stelregel.

Los van de vraag of dit dataïstische mensbeeld klopt, zijn we intussen wel een wereld aan het optuigen gebaseerd op dit principe. Het in Nederland gebruikte systeem risico indicatie (SyRI), een surveillancesysteem dat allerlei digitale bestanden aan elkaar koppelt om te voorspellen of iemand geneigd is tot belastingfraude, is hier een goed voorbeeld van.

Het succes van het dataïsme valt of staat met de hoeveelheid data die we produceren. Daartoe dient men de datamens zoveel mogelijk te laten sharen en swipen. Hoe meer we samensmelten met onze schermpjes, hoe meer datasporen we achterlaten en des te beter is ons gedrag in kaart te brengen, en te sturen.

strijd om aandacht

Kortom, de tech-industrie moet onze aandacht weten te kapen. Wat zich in het surveillancekapitalisme manifesteert is een strijd om onze aandacht.

Waar we onze aandacht op richten, bepaalt in hoge mate wat reëel voor ons is, en hoe we handelen. De strijd om onze aandacht is dan ook in wezen een strijd om onze geest – de zetel van ons vermogen om te denken, te willen en te oordelen. Wanneer we Mark Zuckerberg laten bepalen waar we onze aandacht op richten, dan bepaalt hij wat we denken, willen en hoe we oordelen. In feite leveren we in zo’n situatie ons bewustzijn uit aan een bedrijf als Facebook.

'de moderne mens is volledig op zichzelf teruggeworpen'

verlos me uit m'n lijden

Ergens vermoed ik dat dit uitbesteden van ons bewustzijn aan alziende en alwetende partijen tegenmoet komt aan een diepgeworteld menselijk verlangen. Na de ‘dood van God’ en het einde van de grote verhalen zweven we als een ‘niets zonder einde’ rond, om Nietzsche te citeren. Er zijn geen externe autoriteiten meer waar we op terug kunnen vallen.

Morele dilemma’s, de zoektocht naar waarheid of betekenis of het bepalen van onze identiteit: de moderne mens is volledig op zichzelf teruggeworpen. Kunnen we die verantwoordelijkheid wel aan? Is het misschien zo dat het nihilistische adagium dat ‘het bewustzijn een ziekte is’, ons meer dan ooit parten speelt? Dat we niets liever willen dan van deze ziekte verlost te worden?

De pijnlijke slotsom zou wel eens kunnen zijn dat de mens een dier is dat lijdt aan zijn bewustzijn, en dat het de surveillancekapitalist is die hem uit dit lijden verlost.

Hans Schnitzler is filosoof en schrijver. Deze column is een bewerking van de lezing die hij gaf tijdens de VPRO Tegenlicht Meet up ‘De grote dataroof’.