steun vpro

Argos

De Algerijnse asielzoeker Samir Laifa

Argos

De Algerijnse asielzoeker Samir Laifa

Oud-Parool-hoofdredacteur Sytze van der Zee publiceerde deze week het boek 'Stempeldag'. Het gaat over het leven van de Algerijnse asielzoeker Samir Laifa die op 4 april vorig jaar in het asielzoekerscentrum Nijmegen door een politiekogel om het leven kwam. Van der Zee ontdekte nieuwe feiten over de toedracht van het dodelijke schietincident.
Argos maakte op 10 april 1998 al een reconstructie. Deze week bekijkt Argos het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar de dood van Laifa, dat onlangs werd afgesloten. We spreken met een directe getuige van de gebeurtenissen in de nacht van 3 op 4 april 1998, die in alle verklaringen van het OM volstrekt buiten beschouwing gelaten wordt. Ook spreken we met auteur Sytze van der Zee.


--------
Argos over de lacunes en tegenstrijdigheden in het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar de dood van de 23-jarige Algerijnse asielzoeker Samir Laifa. Laifa kwam op 4-4-1998 in het asielzoekerscentrum Nijmegen door een politiekogel om het leven. Oud-hoofdredacteur Sytze van der Zee van het Parool publiceerde het boek 'Stempeldag' over de laatste drie weken van het leven van Laifa en ontdekte nieuwe feiten over de toedracht van het dodelijke schietincident.
Het programma bevat vraaggesprekken hierover met:
- de advocate van de familie van Samir Laifa (telefonisch);
- een taxichauffeur die direct getuige is geweest van het schietincident en wiens verklaring op essentiële punten afwijkt van die van de politie en het Openbaar Ministerie (telefonisch).
Het programma bevat tevens HA-fragmenten van een uitzending van Argos van 10-04-1998, waarin een reconstructie van het dodelijke schietincident wordt gegeven, en een samenvatting van de antwoorden die minister Korthals van Justitie gaf op Kamervragen over het gebeuren.
Aansluitend een vraaggesprek met journalist Sytze van der Zee over de getuigenis van de taxichauffeur en de gevolgen hiervan voor de conclusies van het Openbaar Ministerie.


-----------
Inleidende teksten, misschien niet volledig:
Tekst 1
Adjunct-directeur Kremers van het asielzoekerscentrum in Nijmegen in onze uitzending van 10 april 1999. Kremers benadrukte ook dat er alcohol in het spel was. Wij spraken hem een paar dagen nadat Samir Laifa door een politiekogel was omgekomen. Kremers’ verhaal was gebaseerd op wat zijn personeelsleden, de twee betrokkenen beveiligingsbeambten, hem direct na de schietpartij hadden verteld. Zijn verklaring week op details al meteen af van wat volgens krantenberichten de politie naar buiten had gebracht. En dat is tot op de dag van vandaag kenmerkend voor de hele zaak: van begin af aan zijn er steeds verschillende versies geweest over wat er zich in die nacht van 3 op 4 april 1998 heeft afgespeeld.

Wij spraken vorig jaar april ook met een andere asielzoeker uit het AZC-Nijmegen. Hij was die bewuste avond samen met Samir Laifa uit geweest en ook samen met hem in een taxi teruggegaan naar het asielzoekerscentrum.

Tekst 2
Het onderzoek naar de dood van Samir Laifa werd in april 1998 meteen ter hand genomen door de rijksrecherche. Die opereerde onder de directe verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie in Arnhem. Daarom spraken wij in onze uitzending van vorig jaar met de Arnhemse persofficier van Justitie Frielink. Die wilde aanvankelijk niet veel meer zeggen dan wat er in een summiere persverklaring van het OM stond. En dat kwam erop neer dat de uitkomsten van het rijksrecherche-onderzoek moesten worden afgewacht. Wel wilde persofficier Frielink antwoord geven op de vraag wanneer er in de zaak voor het eerst sprake was van een mes. Dat was namelijk één van die details waarover onmiddellijk verschillende lezingen de ronde deden. Volgens berichten in de pers zou Laifa al in de stad met een mes in de weer zijn geweest. Ook adjunct-directeur Kremers vertelde dat. Maar volgens de asielzoeker, die u net hoorde, met wie Laifa samen uit was geweest, was er pas in het AZC sprake van een mes.
Persofficier Frielink:

Tekst 3
En dan was er het mes zelf. Het Openbaar Ministerie heeft van begin af aan gezegd dat het om een fiks mes zou gaan. Volgens anderen was het niet meer dan een aardappelschilmesje.
Persofficier Frielink in april vorig jaar:

Tekst 4
Uiteindelijk blijkt het mes inderdaad 20 centimeter lang te zijn, maar dan in totaal. “Een vouwmes van het merk Opinel, met een houten handvat van acht en een lemmet van twaalf centimeter, waarvan de punt was afgebroken”, schrijft Sytze van der Zee in zijn boek.

Het volgende meningsverschil was in april vorig jaar van begin af aan, wie er op het asielzoekerscentrum nu precies door Laifa met een mes was bedreigd. Die bedreiging vormde de directe aanleiding voor de fatale schoten.
Luistert u opnieuw naar persofficier Frielink in april vorig jaar.

Tekst 5
De Arnhemse persofficier van Justitie Frielink in onze uitzending van 10 april vorig jaar.
Vreemd was toen al het verhaal van adjunct-directeur Kremers van het AZC dat de politieagenten met hun rug naar de agressieve man toegekeerd zouden hebben gestaan. Zowel hulpverleners als andere politiemensen vertelden ons dat zij er juist op worden getraind om in dit soort situaties altijd oogcontact te houden met de persoon van wie de dreiging uitgaat. Of oogcontact met de plek waarop zo iemand binnen kan komen. En in het halletje, waar het drama zich afspeelde, het kleine portaal voor het receptie-kantoortje van het AZC, is daarvoor maar één mogelijkheid, namelijk de enige deur die toegang verschaft tot dat piepkleine portaal.

Maar er was april vorig jaar nog meer dat een onmiddellijk bevreemding wekte. Volgens de verklaringen van politie en OM waren er naast de twee beveiligingsbeambten van het asielzoekerscentrum en de twee politieagenten geen andere ooggetuigen aanwezig geweest op het moment dat de schoten vielen. Dat is niet waar, vertelde Hylke Wassenaar anderhalf jaar geleden tegen ons. Wassenaar is medewerker van de Vereniging Vluchtelingenwerk in het AZC-Nijmegen.

Tekst 6
Hylke Wassenaar van Vluchtelingenwerk in april vorig jaar. De Iraniër, die inderdaad tijdens het hele schietincident in de receptieruimte aanwezig was, werd ook daarna door het Openbaar Ministerie als directe ooggetuige volkomen genegeerd. Zo ook toen in juli vorig jaar de rijksrecherche zijn onderzoek naar de dood van Samir Laifa had afgerond. Belangrijkste conclusie: “de politieman die de fatale schoten heeft gelost, zal niet strafrechtelijke worden vervolgd, omdat hij uit nóódweer heeft gehandeld”.
Het enige dat het Arnhemse OM over het rijksrecherche-onderzoek naar buiten bracht, was een “mediabericht” op 14 juli 1998 van tweeëneenhalf kantje van persofficier Frielink. Het bevatte een aantal opmerkelijke passages. Alvorens we daaruit te citeren, is het voor een goed begrip noodzakelijk de plaats van het schietincident nog een keer goed te beschrijven.
Laifa kwam om in het halletje voor het receptiekantoor van het AZC. Tussen halletje en receptie zat een deur met daarin een balieluik. Die deur kon vanuit de receptieruimte worden afgesloten en was ook alleen vandaaruit te openen. In de receptie bevonden zich de twee beveiligingsbeambten van het AZC; de ‘bewakers’, zoals ze in het persbericht van het OM heten. Die hadden na de strubbelingen tussen Laifa en de Iraniër de politie gewaarschuwd. En die kwam – aldus het persbericht van het OM - met twee koppels. Een van de twee koppels verdwijnt in het persbericht onmiddellijk uit het zicht. De andere twee politieagenten kwamen bij de receptie, op het moment – aldus het ‘mediabericht’ - dat Laifa “even uit beeld was, zodat er een zeker moment van rust was”.

Tekst 7
“Meerdere dodelijke steken”, een “stekende beweging” en hij bleef “insteken”. Toch raakte niemand gewond.
Wordt deze beschrijving van de gebeurtenissen door alle betrokkenen gedeeld?
Het persbericht neemt dan een opmerkelijke wending: het aantal verklaringen die van belang zouden zijn, wordt teruggebracht tot drie.

Tekst 8
Er zijn dus “andere personen” geweest, maar hun verklaringen doen er volgens de rijksrecherche blijkbaar niet toe. Althans zo moeten we op gezag van Frielink´s mediabericht aannemen. Onder die “andere personen” moet zich dan ook de Iraniër bevinden, maar die wordt opnieuw genegeerd.
Het mediabericht gaat dan als volgt verder:

Tekst 9
“Een relevant tijdsverschil tussen het eerste en het tweede en het derde schot”, aldus het OM, dat daarmee wil zeggen dat Laifa ruimschoots de mogelijkheid is gegeven tussentijds met zijn bedreigingen te stoppen.
Maar hetzelfde persbericht zegt enkele alinea’s eerder:

Tekst 10
Er is nog een verschil van mening, aldus het persbericht:

Tekst 11
Het kan goed zo zijn, dat de schoten van de politieman inderdaad een “gepaste vorm van verdediging” waren, omdat “de asielzoeker niet op een andere wijze onder controle te brengen was”, zoals de persofficier in zijn mediabericht concludeerde. Maar het bericht liet verschillende vragen onbeantwoord en riep ook vragen op. Daarom vroegen we persofficier Frielink juli vorig jaar om een nadere toelichting op het onderzoek van de rijksrecherche. Hij weigerde. Vervolgens deden we een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur om inzage te krijgen in het rijksrechercherapport. De behandeling van dat WOB-verzoek werd opgeschort, toen de Nijmeegse advocate Besjes vorig jaar september een klacht indiende bij het Gerechtshof in Arnhem. Zij was de raadsvrouwe van Samir Laifa, die inmiddels optrad voor zijn ouders in Algerije. En die ouders konden zich niet neerleggen bij het niet-vervolgen van de politieman die Laifa doodschot, zo legde advocate Besjes deze week aan ons uit.

Tekst 12
Die negatieve beschikking van het Arnhemse Hof kreeg advocate Besjes overigens pas na een jaar, namelijk vorige maand.

Ondertussen had in september vorig jaar de toen nog niet zo lang aangetreden nieuwe minister van Justitie Korthals ook verslag gedaan van de dramatische gebeurtenissen in het Nijmeegse asielzoekerscentrum. Hij deed dat in antwoord op vragen uit de Tweede Kamer. Geheel onopgemerkt is gebleven dat de minister in dat verslag ineens met details op de proppen komt die fundamenteel afwijken van het mediabericht van het OM van twee maanden eerder. Toch zijn beide verslagen gebaseerd op hetzelfde rijksrechercherapport. Zo vertelt minister Korthals dat niet twee, maar alle vier te hulp geschoten politieagenten zich tijdens het schietincident in en voor de receptie van het AZC bevonden:

Tekst 13
Ook zouden volgens Korthals meerdere politiefunctionarissen “herhaalde en luid uitgeschreeuwde waarschuwingen” hebben gedaan aan Laifa om het mes te laten vallen. Wel schrijft ook Korthals dat er maar drie getuigen serieus zijn te nemen:

Tekst 14
Fragmentarisch of niet, deze “andere” getuigen, onder wie volgens Korthals nog twee politiefunctionarissen en naar we moeten aannemen ook de Iraniër, zouden toch op zijn minst uitsluitsel moeten kunnen geven over de essentiële vraag hoeveel ruimte er tussen de schoten heeft gezeten. Iedereen die in de receptie was, móét die schoten hebben gehoord. Overigens beweert Korthals dat er zelfs “enkele seconden” hebben gezeten tussen het eerste schot en de twee andere schoten.

Steeds meer onopgehelderde vragen dus. Die zouden kunnen worden opgelost als we de beschikking zouden hebben over het rijksrechercherapport. Maar vorige week kregen we te horen dat ons WOB-verzoek is afgewezen.
Gelukkig is er sinds afgelopen woensdag het boek ‘Stempeldag’ van oud-Paroolhoofdredacteur Sytze van der Zee. In zijn laatste hoofdstuk reconstrueert ook hij de gebeurtenissen in Samir Laifa’s laatste nacht. En hij komt met een verrassende nieuwe getuige. In de verklaringen die het Openbaar Ministerie naar buiten heeft gebracht, is namelijk nog wel terug te vinden dat de taxichauffeur die Laifa naar het AZC had gebracht en niet betaald kreeg , hem achterna is gerend, waarna een schermutseling volgde. Maar onbekend was dat die taxichauffeur vervolgens door een van de beveiligingsambtenaren naar binnen is geroepen in de receptie van het AZC. En daar heeft hij het hele schietincident van begin tot einde meegemaakt en heeft hij alles gezien. En nog opmerkelijker: hij geeft een op essentiële punten geheel andere lezing van de gebeurtenissen.
Ook wij spoorden de taxichauffeur op en spraken deze week met hem:

Tekst 15
Die asielzoeker, die volgens de taxichauffeur ook in de receptie aanwezig was, was de al eerder vermelde Iraniër. Zijn aanwezigheid in de receptie wordt nu dus ook door de taxichauffeur bevestigd.
Die vertelt verder. Dat de doorgedraaide Samir Laifa het halletje bij de receptie binnenkwam.

Tekst 16
De verklaring van de taxichauffeur wijkt dus op essentiële punten af van de verklaringen van politie en OM. Met zijn verklaring komen de belangrijkste conclusies van het OM zelfs op losse schroeven te staan. Als inderdaad niet de bedreigde politieagent heeft geschoten maar diens collega. En als er inderdaad geen pauze tussen de schoten heeft gezeten, zoals ook al een van de beveiligingsbeambten volhield.
In de verklaringen die het Openbaar Ministerie in Arnhem naar buiten heeft gebracht, is niets terug te vinden van deze afwijkende lezing van de taxichauffeur. En dat is des te vreemder, omdat de chauffeur wel uitvoerig door de rijksrecherche is verhoord.

Tekst 17
Door de getuigenis van de taxichauffeur komt een opmerking uit het verslag van minister Korthals van Justitie van september vorig jaar in een nóg vreemder daglicht te staan: