steun vpro

Argos

Clandestiene operaties van Nederlandse commando’s in Afghanistan (deel 2)

Argos

Clandestiene operaties van Nederlandse commando’s in Afghanistan (deel 2)

Argos neemt de luisteraar opnieuw mee naar Afghanistan in de eerste helft van het jaar 2002. In die periode woedt er volop oorlog in het land. Enkele maanden eerder, in oktober 2001, zijn de Amerikanen - onder de naam 'Operatie Enduring Freedom' - Afghanistan binnengevallen om het Taliban-bewind te verdrijven en de Al Qaïda-kampen te vernietigen.

Nederland doet niet mee aan die oorlog in Afghanistan. Wel stuurt Den Haag eind 2001 militairen naar Afghanistan, soldaten van de luchtmobiele brigade, aangevuld met een detachement van het Korps Commando Troepen, Nederlandse Special Forces. Die gaan uitdrukkelijk niet meedoen aan de jacht op Taliban en Al Qaïda, maar zijn er uitsluitend om voor stabiliteit te zorgen, als onderdeel van de VN-vredesmacht ISAF, de International Security Assistance Force. Het mandaatgebied van ISAF - en dus van de Nederlandse militairen - beperkt zich in 2002 strikt tot de Afghaanse hoofdstad Kabul.

Dat is het officiële verhaal. Maar Argos presenteerde afgelopen woensdag - en doet dat vandaag weer - bewijsmateriaal dat erop wijst dat militairen van het Nederlandse Korps Commando Troepen in 2002 hebben geopereerd buiten het ISAF-gebied en buiten het ISAF-mandaat om en in Afghanistan wel degelijk hebben meegedaan aan Operatie Enduring Freedom.

Woensdag ging het vooral om operaties in en vanuit Kandahar, in het zuiden en oosten van Afghanistan. Vandaag in deel 2 van dit tweeluik vertellen we over operaties in andere delen van Afghanistan, vanuit Kabul. Dat gebeurt vooral aan de hand van getuigenissen van direct betrokkenen en van uitgebreid beeldmateriaal, dat duidelijk maakt waar de commando's precies hebben geopereerd.

In Argos vandaag opnieuw: werden deze acties van Nederlandse Special Forces gedekt door het mandaat? Is de Tweede Kamer juist geïnformeerd? En was de minister van Defensie wel op de hoogte? Deel 2 over een clandestiene oorlog in Afghanistan. Met politieke reacties van PvdA, VVD, SP, Groen Links en D66.

De Boeken met Aukje Holtrop
- Saul Friedländer: Nazi-Duitsland en de Joden. Nieuw Amsterdam/ Lannoo. ISBN: 97890-78230038
- Oliver Hilmes: Alma Mahler-Werfel. De biografie. De Arbeiderspers. ISBN: 97890 29565592
- Marjolein van Rotterdam: Huiselijkheid. Nederlanders en hun interieur. Veen Magazines. ISBN: 97890 8571 121 6

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Reactie van Argos op de kritiek van minister van Middelkoop

Over de brief die minister Van Middelkoop op 9 november 2007 aan de Tweede Kamer stuurde, en over de communicatie tussen Argos en het Ministerie van Defensie

Al op 5 september 2007, dus zes weken vóór de eerste Argos-uitzending over dit onderwerp (woensdag 17 oktober), mailt Argos-redacteur Huub Jaspers een elftal vragen aan het Ministerie van Defensie, inclusief data en locaties. Het ministerie reageert vijf dagen later met categorische ontkenningen. Ook daarna en nog vóór de uitzendingen is er herhaaldelijk, deels intensief, contact tussen Argos en het ministerie. Desondanks klaagt de minister dat het ministerie onvoldoende kans zou hebben gekregen op een weerwoord.

Categorische ontkenningen

Vraag 3 in de Argos-mail van 5 september luidt: “Zijn Nederlandse commando’s of andere Nederlandse militairen in de periode december 2001 tot en met april 2002 op Kandahar Air Base geweest?” En vraag 5: “Waren Nederlandse commando’s in het eerste half jaar van 2002 betrokken bij een of meerdere operatie(s) of patrouille(s) buiten het toenmalige ISAF-mandaatgebied op of rondom de weg van Kabul naar Jalalabad?” Tevens stelt Argos soortgelijke vragen over diverse andere locaties (Shahi-Kot Valley, Gardez, Panshir Vallei). Argos-redacteur Huub Jaspers belt - zowel vóór als meteen na verzending van de vragen - met Robin Middel van de afdeling Persvoorlichting van het ministerie om de vragen toe te lichten. Daarbij geeft Jaspers aan: “Je zult begrijpen dat deze vragen niet zomaar uit de lucht komen vallen. Wij hebben concrete informatie die aangeeft dat dit gebeurd is.”

Op 10 september komt het schriftelijke antwoord van het ministerie bij Argos per e-mail binnen. Daarin staat onder meer: “Het KCT-peloton heeft van het begin af aan verkenningen uitgevoerd in het aan Nederland toegewezen operatiegebied, te weten de districten 8, 12 en Bagrami in het zuidoosten van Kabul. Een enkele keer werd het detachement ingezet voor specifieke opdracht buiten het vaste gebied van optreden. Zo vertrok op 27 maart 2002 een KCT-beveiligingsdetachement met vijf voertuigen en een ambulance (totaal twintig militairen) als onderdeel van een ISAF-hulpkonvooi naar een circa 200 kilometer noordelijk gelegen gebied waar zich twee aardbevingen en zware naschokken hadden voorgedaan. Deze eenheid keerde enkele dagen later terug.” Vervolgens staat in de brief van het ministerie, refererend aan de schriftelijke Argos-vragen van 5 september, de volgende zin: “Op alle onderstaande vragen kan een negatief antwoord worden gegeven (…).”

Op de vraag of Nederlandse commando’s destijds op de weg naar Jalalabad hebben geopereerd buiten het mandaatgebied, antwoordt het ministerie dus kort en krachtig: “Nee.” Hetzelfde categorisch “Nee” komt als antwoord op de vragen naar aanwezigheid in Kandahar en/of betrokkenheid bij ‘Operatie Anaconda’ en betrokkenheid bij andere operaties buiten het ISAF-mandaatgebied.

Dat mandaatgebied beperkte zich in die periode tot Kabul-stad (en de weg naar het vliegveld Bagram).

Herhaaldelijk aandringen

Op 15 oktober stuurt Argos opnieuw een e-mail aan het Ministerie van Defensie. Daarin staan een vijftal aanvullende vragen. In de brief wordt ook de eerdere correspondentie in herinnering geroepen en toegevoegd: “Wij verzoeken u opnieuw naar deze vragen te kijken.” Nadat de vijf nieuwe vragen geformuleerd zijn, staat in de brief: “Wij verzoeken u vriendelijk doch dringend serieus naar deze vragen te kijken.” Vervolgens wordt dit als volgt toegelicht: “We hebben inmiddels een grote hoeveelheid aan bewijsmateriaal vergaard dat aangeeft dat dit allemaal gebeurd is. Bewijsmateriaal in de vorm van (getuigen)verklaringen (deels anonieme, deels op de band, deels niet op de band maar wel met naam), officiële (Amerikaanse en andere) documenten, foto’s en ander beeldmateriaal, enzovoorts. Ook zullen Kamerleden van diverse partijen reageren op onze bevindingen.” Dan wordt in de brief aangegeven wat het verhaal is dat Argos voornemens is uit te zenden: “De kern van ons verhaal is dat Nederlandse commando’s in 2002 in het geheim betrokken waren bij Operation Enduring Freedom. Uit materiaal dat wij hebben vergaard en de gesprekken die wij hebben gevoerd, rijst de vraag of dit (destijds) voor de minister van Defensie geheim is gehouden.”

Ter toelichting op deze mail belt Argos-redacteur Huub Jaspers wederom met Robin Middel, die moeilijk bereikbaar is en Jaspers uiteindelijk verzoekt contact hierover op te nemen met Otte Beeksma, plaatsvervangend hoofd voorlichting van het ministerie. Op dinsdag 16 oktober bereikt Jaspers Beeksma. Ze voeren een lang telefoongesprek, waarbij Jaspers Beeksma probeert te overtuigen dat het ministerie niet kan volstaan met de eerder gegeven categorische ontkenningen. Jaspers vertelt Beeksma dat Argos de beschikking heeft over het ‘After Action Report’ van ‘Task Force 58’, waarin staat dat Nederlandse militairen begin 2002 op de militaire basis bij Kandahar Airfield waren. Op verzoek van Beeksma mailt Jaspers diezelfde dag (om 15.15 uur) aanvullende informatie, onder meer over ‘Operatie Jalalabad’. Dit is de naam van een digitale bestandenmap met foto’s die volgens de gegevens in de fotobestanden gemaakt zijn op 17 en 18 mei 2002. Jaspers geeft in de mail aan Beeksma ook aan dat op deze foto’s Nederlandse commando’s te zien zijn, die overduidelijk buiten het mandaatgebied bezig zijn met een inlichtingenoperatie. Volgens Afghanistan-kenners aan wie Argos de foto’s heeft voorgelegd, gaat het om diverse locaties buiten het toenmalige mandaatgebied, in afstanden variërend tot 120 kilometer buiten Kabul.

Onjuiste verklaring

Beeksma antwoordt nog diezelfde dag, dinsdag 16 oktober, om 17.50 uur: “De operatie van 17 mei was een door COM ISAF gemandateerde actie in verband met een vermeende dreiging (bomauto). Men had het vermoeden dat er een aanslag in Kabul gepleegd zou worden, in verband met de voorbereidingen van de Loya Jirga. Het waarschuwende ‘element’ (Observation Post) is 25 kilometer zuid van de ISAF-grens ingezet, om zodoende voldoende reactietijd te creëren om deze aanslag te verijdelen.”

Verder schrijft Beeksma: “Er zijn in december 2001 en januari 2002 geen Nederlandse Special Forces ingezet op Kandahar Airfield (KAF). Ik ken het After Action report van de TF 58 niet.”

Het verhaal van ‘Operatie Jalalabad’ en de buiten het mandaatgebied tegengehouden bomauto komt in de tweede Argos-uitzending (vrijdag 19 oktober) uitvoerig aan de orde. Op woensdagavond (17 oktober, 22.58 uur) heeft Jaspers in een e-mail aan Beeksma gevraagd of hij met de uitleg over de bomauto doelt op ‘Operatie Galaxy’. Dat wordt donderdagmiddag telefonisch door Beeksma bevestigd. Daarbij geeft Jaspers meteen aan dat de uitleg niet kan kloppen, omdat Argos beschikt over uitgebreide documenten over ‘Operatie Galaxy’. Hieruit blijkt dat deze operatie pas op 27 en 28 mei 2002 plaatsvond en derhalve onmogelijk de verklaring kan zijn voor ‘Operatie Jalalabad’ die tien dagen eerder plaatsvond. Jaspers geeft tegenover Beeksma (in hetzelfde telefoongesprek) aan dat in de Argos-uitzending van de volgende dag zal worden aangetoond dat de door het ministerie gegeven rechtvaardiging van ‘Operatie Jalalabad’ feitelijk onjuist is.

Opmerkelijk is dat Beeksma in de mail van 16 oktober 2007 een passage uit het eerdere emailbericht van het ministerie van 10 september herhaalt: “Het KCT-peloton heeft van het begin af aan verkenningen uitgevoerd in het aan Nederland toegewezen operatiegebied, te weten de districten 8, 12 en Bagrami in het zuidoosten van Kabul. Een enkele keer werd het detachement ingezet voor specifieke opdracht buiten het vaste gebied van optreden. Zo vertrok op 27 maart 2002 een KCT-beveiligingsdetachement met vijf voertuigen en een ambulance (totaal twintig militairen) als onderdeel van een ISAF-hulpkonvooi naar een circa 200 kilometer noordelijk gelegen gebied waar zich twee aardbevingen en zware naschokken hadden voorgedaan. Deze eenheid keerde enkele dagen later terug.”

Nog opmerkelijker is de zin, die Beeksma hieraan toevoegt (op 16 oktober dus, één dag voor de eerste Argos-uitzending): “Het KCT is niet ingezet buiten de ISAF AOR met uitzondering van bovengenoemde inzet in het kader van het humanitaire hulpkonvooi.” De inzet buiten de AOR (Area of Responsibility, dat is het mandaatgebied) op de weg richting Jalalabad wordt hiermee dus wederom expliciet ontkend. Maar dit is in strijd met de uitleg over de bomauto in diezelfde brief en het lijkt ook strijdig met het woordje “zo” waarmee de passage over het ISAF-hulpkonvooi begint. Het woordje “zo” impliceert immers dat er meerdere malen buiten de AOR is geopereerd. Kortom: verwarring alom.

Argos toont bewijsmateriaal aan ministerie

Op dinsdag 30 oktober hebben vertegenwoordigers van Argos en de Vpro op het Ministerie van Defensie een gesprek met secretaris-generaal Ton Annink, plaatsvervangend hoofd voorlichting Otte Beeksma, de chef kabinet van het Commando Landstrijdkrachten, kolonel Gijs van Keulen, en het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Joint Speciale Operaties van de Defensiestaf, luitenant-kolonel Henk van den As.

De minister klaagt in zijn toespraak tijdens het Argos-jubileum op 9 november (de toespraak staat gedocumenteerd op de website van het ministerie en wordt ook geciteerd in de media): “Na sterk aandringen kreeg mijn ministerie anderhalve week na de laatste uitzending over heimelijk optreden van Nederlandse militairen in Afghanistan inzage in het bewijsmateriaal.” Die opmerking over die anderhalve week is flauw. Het lag namelijk vooral aan de agenda’s van de betrokken vertegenwoordigers van het ministerie dat dit niet eerder kon.

Dat Argos de foto’s niet al vóór de uitzending aan het ministerie kon laten zien, had vooral te maken met het feit dat de bronnen van Argos dit als voorwaarde hadden gesteld. Het tonen van een deel van het materiaal aan enkele parlementariërs en enkele journalisten mocht (onder bepaalde voorwaarden) wel, het tonen aan het ministerie niet, omdat de bronnen (en ook Argos) bang waren dat door het tonen aan het ministerie de bronbescherming in gevaar zou komen en het ministerie achter de bronnen zou gaan aanjagen. Argos is – na overleg met de bronnen - pas akkoord gegaan met het verzoek van het ministerie tot inzage, nadat het ministerie de schriftelijke garantie had gegeven dat men de inzage niet zou gebruiken om achter het lek aan te gaan. Dit was eerder al wel mondeling toegezegd, maar de schriftelijke bevestiging kwam, na telefonisch en schriftelijk aandringen van Argos, pas op dinsdag 23 oktober binnen, in een e-mail die Otte Beeksma aan Huub Jaspers stuurde. Daarin staat: “Bij deze de schriftelijke bevestiging dat we op basis van jullie materiaal niet achter jullie bronnen aangaan.”

De afspraak werd vervolgens gemaakt voor dinsdag 30 oktober, omdat op de resterende dagen van de lopende week na de 23ste de vertegenwoordigers van het ministerie niet konden en op maandag 29 oktober Argos niet kon (de Duitse collega die bij het Argos-onderzoek betrokken was, moest speciaal voor de bijeenkomst uit Duitsland komen).

Tijdens het gesprek met de vertegenwoordigers van het ministerie toont Argos aan dat ‘Operatie Galaxy’ op 27 en 28 mei plaatsvond en niet de verklaring kan zijn voor ‘Operatie Jalalabad’, die tien dagen eerder plaatsvond. De vertegenwoordigers van het ministerie beamen dit. Ook beamen zij dat op een Sheet, opgesteld door de commandant van het KCT-detachement in Kabul ter voorbereiding van het bezoek van toenmalig minister van Defensie Frank de Grave in maart 2002, onder de kop “wat willen wij niet kwijt” de volgende zes punten genoemd staan: echte verhouding met Duitsland; extractieplan; Duitse wijze van optreden; onvolkomenheden; wat is echt niet aan de hand; hoe is het geregeld met de Verenigde Staten.

Brief aan de Tweede Kamer

In de brief die minister Van Middelkoop op 9 november naar de Tweede Kamer stuurt, schrijft de minister dat de opmerkingen op de Sheet niet betekenen “dat de betrokken militairen belangrijke zaken voor de minister wilden verzwijgen”. Nee, het geeft – aldus de uitleg van Van Middelkoop - alleen maar aan dat “in de beperkte tijd” die er destijds voor het gesprek met minister De Grave was geen ruimte was om alle problemen van de missie met hem te bespreken. Genoemde punten staan echter niet in kleine letters ergens onderaan op de Sheet, maar onder de eerste kop meteen bovenaan. Tevens luidt het gebruikte werkwoord toch echt niet “kunnen”, maar: “willen”.

Over ‘Operatie Jalalabad’ komt de minister nu, na de categorische ontkenning in eerste instantie en de bomauto-verklaring in tweede instantie, met weer een nieuw verhaal. Opmerkelijk is dat nu – na de eerdere ontkenningen tot op de laatste dag voor de Argos-uitzendingen - officieel wordt toegegeven dat op 17 mei 2002 door Nederlandse commando’s werd geopereerd buiten de toenmalige AOR.

Over het waarom wordt nu gezegd dat het ging om een verkenningsopdracht van ISAF “met als doel de Surobi-dam”, volgens de minister zestig kilometer ten oosten van Kabul. De verkenning moest, aldus de minister, “voor het bereiken van de Surobi-dam worden afgebroken”. Daardoor zou de groep Nederlandse militairen zich op die dag slechts “ongeveer tien kilometer buiten het ISAF-gebied” hebben begeven.

Minister beschuldigt Argos van “UFO-journalistiek”

In de toespraak die minister Van Middelkoop op 9 november houdt tijdens het Argos-jublieum in Utrecht (die gedocumenteerd staat op de website van het ministerie), pakt de minister stevig uit. Hij beschuldigt Argos van “UFO-journalistiek”. Het klinkt “spectaculair en fascinerend”, maar het is allemaal “onjuist”. Om dit te ‘bewijzen‘ draagt de minister twee argumenten aan.

Allereerst beweert de minister dat een officieel ‘After Action Report’ van het Amerikaanse Korps Mariniers, dat Argos citeert, onjuiste informatie zou bevatten. Hij zegt dat de Amerikanen Deense militairen voor Nederlanders zouden hebben aangezien. De minister beweert dit, maar staaft dit niet met enig bewijs! Argos heeft vóór haar uitzendingen contact opgenomen met het Pentagon, het Amerikaanse Ministerie van Defensie in Washington, over het betreffende rapport. Het Pentagon bracht Argos-redacteur Huub Jaspers in contact met de opsteller van het rapport, luitenant-kolonel Michael Mahaney. Die bevestigde uitdrukkelijk de authenticiteit van het rapport en ook de daarin gedane uitspraken over de aanwezigheid van Nederlandse militairen op de basis in Kandahar begin 2002. Nadat Jaspers overste Mahaney per e-mail vroeg of die Nederlandse militairen ook betrokken waren geweest bij ‘Operatie Anaconda’ mailde Mahaney terug: “To the best of my knowledge Dutch forces did participate in Coalition operations at the time.” Verdere details kon hij helaas niet geven, omdat inmiddels de Director Public Affairs had ingegrepen met de mededeling: “After some discussions on our end – these questions are best answered by the Dutch military. It isn’t our place to speak for them.”

Het tweede argument waarmee Van Middelkoop in zijn toespraak zijn typering “UFO-journalistiek” onderbouwt, is het volgende: “En dan de foto van Nederlandse commando’s bij wat volgens Argos en zogenaamde deskundigen een Pakistaanse grenspost is. Een Nederlandse militair is na de uitzending van Argos nogmaals naar de plek afgereisd en heeft foto’s gestuurd met GPS-coördinaten om te bewijzen dat dit toch echt een controlepost aan de rand van Kabul is.” Leuk dat de minister kosten noch moeite heeft gespaard om dit vast te stellen. Maar misschien had hij toch eerst even goed naar de Argos-uitzendingen moeten luisteren, voordat hij het programma van “UFO-journalistiek” beschuldigt en Afghanistan-kenners met het woordje “zogenaamde” probeert te diskwalificeren. De conclusie die hij nu zelf op basis van de GPS-coördinaten trekt, is namelijk exact dezelfde als de conclusie die in de Argos-uitzending van 19 oktober wordt verwoord door Afghanistan-kenner Robert Kluijver. “Ik zie op deze foto de controlepost die aan het begin van Kabul Gorge is. Dat is dus als je de weg van Kabul naar Jalalabad neemt naar het oosten, dan is dit het einde van de vlakte van Kabul. Hier volg je dan de rivier de Kabul-rivier, de bergen in. Dit is dus een controlepost die daar altijd heeft gestaan. Die beschermt natuurlijk ook Kabul vanuit het oosten. We zien daar een, twee voertuigen met een Nederlands nummerbord. Ze gaan richting Jalalabad. Ik denk dat dit commando-jeeps zijn maar hier is het natuurlijk wel honderd procent zeker dat ze Nederlands zijn met hun nummerborden.”

Onbeantwoorde vragen

Verschillende andere journalisten meenden op deze ene foto een Pakistaanse grenspost te herkennen. Argos koos ervoor om de uitleg van Kluijver in de uitzending te gebruiken, omdat hij vaker dan de anderen op deze plek is geweest en Argos een hoge dunk heeft van zijn (geografische) kennis van Afghanistan. Dit blijkt ook terecht want, met uitzondering van één foto, bevestigt de check die het Ministerie van Defensie heeft laten uitvoeren exact de duiding zoals Kluijver die geeft in de Argos-uitzending van 19 oktober. In het ene geval waar Kluijvers duiding afwijkt van die van het ministerie, kan de Argos-redactie niet met stelligheid zeggen welke duiding de juiste is. Dit is echter ook nauwelijks nog van belang. Cruciaal is dat het ministerie nu erkent dat, in strijd met eerdere ontkenningen, een deel van de foto’s gemaakt is buiten het toenmalige ISAF-mandaatgebied.

De uitleg die de minister in zijn brief aan de Kamer van 9 november geeft, roept een aantal vragen op die niet worden beantwoord: wat is de juridische betekenis van het feit dat Nederlandse commando’s een operatie uitvoerden buiten het toenmalige ISAF-gebied? Wat was de relatie van deze operatie met Operatie Enduring Freedom (OEF)? (Het ging hier om OEF-gebied.) Was er bij dergelijke operaties, bijvoorbeeld bij de ‘Operatie Jalalabad’ op 17 mei 2002, een (Amerikaanse) back-up vanuit de lucht (met helikopters of bijvoorbeeld een AC-130)? Wat waren de Rules of Engagement (ROE’s) waarmee Nederlandse militairen buiten het mandaatgebied op pad werden gestuurd? Wat zouden de consequenties zijn geweest als een Nederlandse militair buiten het mandaatgebied gewond geraakt of gedood zou zijn? Wat zou er zijn gebeurd als Nederlandse militairen zelf buiten het mandaatgebied geweld zouden hebben gebruikt (met doden of gewonden als gevolg)? Hoe en aan wie moest van dergelijk geweldgebruik melding worden gemaakt? Waren bij de operatie op 17 mei 2002 ook militairen van een of meerdere andere landen betrokken? Waarom werd deze operatie vroegtijdig afgebroken? Gingen niet-Nederlandse militairen verder dan “de groep Nederlandse militairen”?

En: hoe vaak gebeurde het destijds dat (verkennings)operaties buiten ISAF-gebied werden uitgevoerd? Wat dit laatste betreft is de volgende formulering in de brief van de minister aan de Kamer interessant: “Na afloop is bij het Nederlandse ISAF-detachement de uitvoering van dergelijke opdrachten nauwgezet geëvalueerd.” Het staat er echt in meervoud: “opdrachten”. Terwijl het ministerie in de email van 16 oktober (zie hierboven) nog schreef: “Het KCT is niet ingezet buiten de ISAF AOR met uitzondering van bovengenoemde inzet in het kader van het humanitaire hulpkonvooi.”

Feiten en interpretaties

Op 15 november hebben drie vertegenwoordigers van de Vpro (Argos) opnieuw een gesprek op het Ministerie van Defensie. Aan de andere kant van de tafel zitten dit keer: de plaatsvervangend secretaris-generaal, de kabinetschef van het Commando Landstrijdkrachten, het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Joint Speciale Operaties van de Defensiestaf en drie andere hoge ambtenaren. De vertegenwoordigers van het ministerie presenteren de bevindingen van het zeer gedetailleerde onderzoek dat onder leiding van kolonel Van Keulen, de chef kabinet van het Commando Landstrijdkrachten, is uitgevoerd.

Het meest opvallende is dat – in contrast met de eerder door de minister uitgesproken harde woorden - bij de vaststelling van de feiten nauwelijks verschil blijkt te bestaan tussen de conclusies van het ministerie en de in de Argos-uitzendingen gepresenteerde feiten. Zoals gezegd is er één foto, die Robert Kluijver in de Argos-uitzending op een andere locatie duidt dan het ministerie. Terwijl Kluijver denkt dat het een plek betreft op ongeveer 120 kilometer ten oosten van Kabul, denkt het ministerie dat de locatie ergens anders is, veel dichter bij Kabul (in dit geval zelfs binnen het mandaatgebied).

De opheldering van dit ene verschil is echter nauwelijks nog van belang, omdat het ministerie inmiddels toegeeft dat andere foto’s uit dezelfde serie inderdaad genomen zijn buiten het toenmalige ISAF-gebied. Dat is de kern waarom het in dit geval gaat bij de vaststelling van de feiten.

Een feitelijk verschil betreft de datum van ‘Operatie Jalalabad’. Argos beschikt over foto’s, die volgens de informatie in de electronische bestanden genomen zijn op 17 en 18 mei 2002. Volgens de naspeuringen van het ministerie werd deze operatie echter uitsluitend op 17 mei uitgevoerd. Dit is ondermeer van belang om te kunnen vaststellen hoe ver oostelijk (richting Pakistan) de militairen bij deze operatie kunnen zijn gekomen. Volgens het ministerie is de datum van 18 mei in de gegevens van sommige foto’s gekomen door bijvoorbeeld een vergroting van die foto’s achteraf. Dit is mogelijk. Maar ook dit doet niets af aan de kern van de zaak, de vaststelling van de feiten.

Veel grotere verschillen zitten er bij de interpretatie van deze feiten. Het ministerie bestrijdt dat een deel van de opdrachten, die in 2002 in Afghanistan werden uitgevoerd door Nederlandse commando’s, verband hielden met Operatie Enduring Freedom (OEF), zoals Argos berichtte op basis van gesprekken met militairen die destijds bij ISAF zaten (onder wie ook een commando van het Nederlandse KCT-detachement in Kabul in 2002).

Bij de ‘Operatie Jalalabad’, die op 17 mei 2002 buiten het ISAF-gebied - en dus in OEF-gebied - werd uitgevoerd, zegt het ministerie dat het desalniettemin ging om een pure ISAF-missie. Helaas kan het ministerie het bevel voor deze missie tijdens het gesprek op 15 november, in tegenstelling tot andere bevelen, niet tonen. Het zou in dit geval gaan om een door de commandant van de Kabul Multi National Brigade (KMNB) mondeling gegeven opdracht. Dit laatste is opmerkelijk. Het gaat immers om een opdracht buiten het mandaatgebied en uitgerekend zo’n opdracht wordt dan niet schriftelijk gegeven! Juist in een dergelijk geval is het toch van groot belang om de militairen die de opdracht moeten uitvoeren, de vereiste rugdekking te geven.

Volgens de ex-ISAF-militairen met wie Argos sprak, kwam dit in de praktijk destijds veel vaker voor: er werden opdrachten gegeven die politiek en/of juridisch niet toegestaan waren en die – om de militaire superieuren buiten schot te houden – derhalve niet op papier werden gezet. De bronnen van Argos voegen daaraan toe dat het daarbij soms om OEF-missies ging, missies die te maken hadden met de Amerikaanse oorlog tegen de Taliban en Al Qaeda en niet met de ISAF-veiligheidsmissie.

Opvallend is tenslotte dat zowel in de brief van de minister aan de Tweede Kamer als tijdens het gesprek op 15 november tussen hoge vertegenwoordigers van het ministerie en leden van de Argos op verschillende onderdelen van de Argos-uitzendingen niet of nauwelijks wordt ingegaan door het ministerie, bijvoorbeeld niet op getuigenverklaringen van betrokken met wie Argos sprak.

Conclusies

Het Ministerie van Defensie spreekt zichzelf bij herhaling tegen en komt met verklaringen, die op basis van bewijsmateriaal waarover Argos beschikt feitelijk weerlegd kunnen worden. Het ministerie laat een reeks belangrijke vragen onbeantwoord. Door Argos met veel lawaai te beschuldigen van “UFO-journalistiek” en te schermen met een klacht bij de Raad voor de Journalistiek probeert de minister de aandacht af te leiden van de vragen die op tafel liggen en van de ongerijmdheden en tegenstrijdigheden in zijn eigen verhaal.

Om de tegenstrijdigheden in de verklaringen van het ministerie aan de hand van één voorbeeld nog een keer te verduidelijken een korte samenvatting van de gang van zaken rondom ‘Operatie Jalalabad’: Deze wordt in eerste instantie door het ministerie categorisch ontkend (email van 10 september). Vervolgens wordt, nadat Argos aangegeven heeft over door commando’s gemaakte foto’s te beschikken, een uitleg gegeven die vanwege de verschillende data onmogelijk kan kloppen (het tegenhouden van een bomauto). Nadat Argos dit gedetailleerd aantoont, komt het ministerie ineens met het verhaal op de proppen dat deze operatie niet “ver buiten het toenmalige ISAF-verantwoordelijkheidsgebied van Kabul en omgeving” zou hebben plaatsgevonden. Het veronderstelde ‘ISAF-doel’ van de operatie kan het ministerie niet aantonen. Tevens blijven een reeks van vragen onbeantwoord die oprijzen na de summiere verklaring van het ministerie.

Hilversum, 18 november 2007

Huub Jaspers en Gerard Legebeke, Redactie Argos, Radio 1