Leren schrijven loont

Katja de Bruin ,

Inge Schilperoord volgde de Schrijversvakschool en is nu met Muidhond genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. Wordt schrijfonderwijs dankzij haar succes eindelijk serieus genomen?

Nieuwsuur
Uitreiking Libris Literatuurprijs
maandag 9 mei, 22.00 uur, NPO 2

Nooit meer slapen
Live interview met de winnaar
maandag 9 mei, 0.00 uur, NPO Radio 1

There are three rules for writing a novel. Unfortunately, no one knows what they are, is een vaak aangehaalde uitspraak van W. Somerset Maugham. Daar denken ze op de Schrijversvakschool heel anders over.

Schrijven, zo wil het cliché, komt voort uit innerlijke noodzaak. Dat leer je niet in een klasje van een docent die zelf in een grijs verleden een paar matig ontvangen romans publiceerde. ‘De beste schrijfcursus bestaat uit veel lezen; daar is geen docent of zak met geld voor nodig’, aldus Arjan Peters in zijn column in de Volkskrant van 19 maart. Waarna hij memoreert hoe Remco Campert in december 1950 een tochtige kamer in hartje Parijs betrok om daar neerslachtige verzen uit zijn typemachine te ranselen.
Waarmee het romantische stereotype van de schrijver maar weer eens bevestigd werd.  

Een jaar eerder beloonde diezelfde Arjan Peters Muidhond van Inge Schilperoord met vijf sterren. Een kleine sensatie; het gebeurt maar zelden dat een debuut zo goed wordt besproken. Peters noemde het boek ‘een duistere en grootse prestatie.’ Dat Schilperoord haar meesterwerk niet heel alleen op een tochtig kamertje schreef maar ermee afstudeerde aan de Schrijversvakschool, deed klaarblijkelijk niets af aan haar prestatie.

Een debutant die een schrijfopleiding volgde en genomineerd wordt voor zowel de ECI Literatuurprijs, de Fintro Literatuurprijs (voorheen Gouden Uil) als de Libris Literatuurprijs; het is de ultieme wraak op iedereen die zich laatdunkend uitlaat over confectieproza.

Genomineerd voor de Libris Literatuurprijs 2016

gêne

Toch is het taboe op schrijfonderwijs nog lang niet verdwenen. Schrijvers die ooit een cursus of opleiding volgden, haasten zich te benadrukken dat ze er zonder die hulp heus ook wel waren gekomen. Op de website van de Schrijversvakschool worden trots de prestaties van oud-leerlingen als Niña Weijers en Anne Eekhout opgesomd. Weijers laat desgevraagd weten dat ze er ooit een cursus van een paar weken heeft gevolgd en ook Eekhout heeft er naar eigen zeggen niet zo lang gezeten. Zij deed een korte cursus en volgde het eerste jaar van de opleiding.
Er lijkt sprake van enige gêne wanneer het over dit onderwerp gaat.

Vincent Overeem, oud-student en nu docent aan de Schrijversvakschool herkent daar wel iets in.

‘Toen ik debuteerde heb ik ook wel eens verdoezeld dat ik die school heb gedaan. Die behoefte heb ik nu helemaal niet meer. Het oude idee dat je in je eentje op je zolderkamertje moest schrijven is niet te verenigen met zo’n school.

Als ik het niet had gedaan was ik er ook gekomen, alleen was het langzamer gegaan. In mijn geval heeft die school mij enige zekerheid gebracht om door te gaan. Als beginnend schrijver zoek je bevestiging. Die kan zo’n opleiding je bieden en dat helpt je vooruit. Maar het heeft geen enkele zin om te zeggen: ik wil schrijver worden dus ik ga naar de Schrijversvakschool.

Ik geloof niet dat je talent kunt creëren, je hebt talent of je hebt het niet, maar je kunt het wel versnellen door iemand feedback te geven of enthousiast te maken. Voor mij was het heel belangrijk dat Arie Storm tegen me zei dat ik talent had.’

Ook Hans Hogenkamp, directeur van de Schrijversvakschool, volgde ooit zelf de opleiding.

‘Wat mij aansprak was het meritocratische. Voor jezelf is het lastig vast te stellen of je talent hebt. Dat is een belangrijke reden voor mensen om zich tot onze school te wenden. Als je het wel hebt, kom je in een omgeving terecht waar dat talent zich kan ontwikkelen. In je eentje is die weg veel langer en zwaarder. Voor je het weet zit je op dat spreekwoordelijke zolderkamertje en heb je weer anderhalf jaar verspild aan doodlopende wegen.

Tijdens de opleiding krijg je dingen aangereikt die het proces enorm kunnen versnellen. Daarom is die laatdunkende houding ten opzichte van het schrijfonderwijs rationeel gezien onterecht.

Ook bij uitgeverijen doen ze aan talentontwikkeling, op basis van feedback van redacteuren en uitgevers kan een schrijver zich verder ontwikkelen. Wij zorgen dat mensen op het niveau komen dat ze iets publicabels afleveren, met bewezen succes. Er is onderhand geen enkele literaire uitgeverij die geen werk van een van onze studenten heeft uitgegeven. Wij worden duidelijk gezien als kweekvijver van talent. Van de mensen die bij ons afstuderen bereikt denk ik wel driekwart het hoogste doel: publicatie bij een goede literaire uitgeverij.’

Judith Eykelenboom bereikte dat doel. Haar roman Biefstuk verscheen in januari bij Prometheus, nadat ze in 2015 de opleiding had afgerond.

‘Mensen die het vierde jaar halen, moeten wel talent hebben. Het is echt niet zo dat iedereen kan schrijven. Ik vond het een feest om naar school te gaan. Wat mij erg hielp was dat je elke week werk moest inleveren. Die stok achter de deur mis ik nu wel eens, ik schrijf nu veel minder. Soms zelfs een hele week niet. Dat kon echt niet toen ik nog in zo’n klas zat. Op donderdag moest je iedereen je werk sturen en dat werd op zaterdag besproken. Je kreeg continu spiegels voorgehouden.

De leraren zijn ook allemaal schrijvers. Eén leraar vond ik slecht. Hij vond mij ook slecht, we lagen elkaar gewoon niet, maar voor de rest heb ik van elke leraar wel iets meegekregen. De een wil dat je heel zorgvuldige zinnen maakt, de ander richt zich meer op de ruwe energie die in een tekst zit. Je hebt zelf ook al die kanten in je dus het is interessant om van verschillende mensen les te hebben.’

Nicolien Mizee, al vijftien jaar docent, gaf Eykelenboom les in het tweede jaar.

‘Ik vond haar meteen heel goed’. Toch is kwaliteit niet het enige waar ze als docent op let. ‘Toen ik 25 jaar geleden zelf de opleiding deed, hadden we allemaal een uitkering. Nu zijn mijn cursisten broodmagere, gestreste mensen die het hebben over of ze wel of niet overgaan en bij welke uitgeverij hun werk het beste past. Terwijl ik het vooral belangrijk vind dat ze plezier hebben.’

Mensen die net beginnen, schrijven vaak volgens de heersende mode, zegt Mizee. ‘In van die korte, afgebeten zinnetjes, of zoals Peter Buwalda. Ze denken ook dat een verhaal altijd slecht moet aflopen. Anders is het geen literatuur.’

Mizee noemt al die interviews waarin schrijvers verkondigen dat verhaallijnen en personages zich vanuit het niets aandienen ‘een ramp’. Ze laat haar cursisten juist plots bedenken en karakterdossiers schrijven. Ook lezen ze de eerste pagina van een aantal klassiekers, waaronder Kaas van Elsschot, Een nagelaten bekentenis van Emants en Liefde in tijden van cholera van Márquez. De centrale vraag is: wil ik na die eerste pagina doorlezen?

Muidhond heeft Mizee nog niet gelezen, maar ze vindt het wel erg leuk voor de school dat het boek van Schilperoord zo’n succes is.

Zelf is Inge Schilperoord royaal in haar lof voor de opleiding.

‘Ik heb er heel veel aan gehad. Niet hoe je een mooie zin of een plot schrijft, maar wel hoe je op een andere manier naar teksten kunt kijken. Eigenlijk heb ik meer dingen afgeleerd dan aangeleerd. Laatst hoorde ik Oek de Jong zeggen dat het wel vijf tot zeven jaar kost om schrijver te worden. Dat klopt denk ik wel. Je moet vooral heel veel schrijven, meters maken. Ik vond het prettig om dat in zo’n omgeving te doen. Daarvoor schreef ik ook al, maar ik verzandde vaak in mijn eigen woorden, ik had geen afstand meer. Ik vond het moeilijk om stukken weg te gooien waar ik zelf eigenlijk heel tevreden over was. Je leert daar op een functionele manier naar kijken. Wat voegt dit toe? Zo werd het steeds makkelijker om dingen weg te smijten waar je op had zitten ploeteren.’

Van de mensen die aan het eerste jaar beginnen, haalt het merendeel de eindstreep niet. Het is hard werken, zegt Schilperoord, die de opleiding volgde naast haar baan als forensisch psycholoog. ‘Je moet wel een zekere verbetenheid en drang hebben om het echt te willen. Het is ook niet zo dat ze iedereen er doorheen slepen. In het derde jaar zat ik nog in een klasje van vier.’
Ook zij kent de vooroordelen over schrijfcursussen.

‘Inmiddels hoor ik ze niet meer rechtstreeks, maar toen ik de opleiding nog volgde wel. Het heeft mij altijd verbaasd. Niemand zegt zoiets ooit tegen iemand die conservatorium of kunstacademie heeft gedaan. Natuurlijk moet je aanleg hebben. Als je nul gevoel hebt voor muziek kun je ook niet in vier jaar worden opgeleid tot concertpianist. Eerlijk gezegd begrijp ik het punt niet. In andere landen kun je leren schrijven op universitair niveau, daar speelt dit helemaal niet. Ik vind dat het tijd wordt om er normaal over te doen.’