Robbert Welagen 'Kerst met Evelyn'

Robbert Welagen ,

VPRO's Kerstverhalen 2014

'Haar wijsvinger gleed in de richting van mijn navel. Ik pakte haar hand en legde hem op het matras.' Het tweede VPRO kerstverhaal is geschreven door Robbert Welagen. In 2014 werd hij genomineerd voor zowel de BNG Literatuurpijs als de Libris Literatuur Prijs voor zijn tragikomische, autobiografische roman 'Het verdwijnen van Robbert.'

Kerst met Evelyn


De avond voor kerst vroeg Evelyn: ‘Heb jij al plannen?’

‘Niet echt,’ antwoordde ik.
‘Laten we ergens heen gaan,’ zei mijn hospita.

Die avond liepen we door de lege straten van Antwerpen. We waren er met de trein naartoe gegaan. Er lag sneeuw. Het was elf uur geweest. Ik keek naar een besneeuwd standbeeld en Evelyn hield een taxi aan. We stapten in en de taxi trok rustig op, vanwege de sneeuw. Versierde bomen en etalages gleden voorbij. Het was zo rustig dat we zonder te stoppen het hotel bereikten.


Op de kamer bestelde Evelyn wijn, ik ging op het tweepersoonsbed liggen.

Zij dronk wijn, ik viel in slaap.

Midden in de nacht werd ik wakker. Haar hand lag op mijn borst. Ik legde haar hand op het matras. Later die nacht werd ik opnieuw gewekt. Evelyn streek met haar vingers door mijn haren.

‘Wat doe je?’ vroeg ik.
‘Wat denk je?’

Haar wijsvinger gleed in de richting van mijn navel. Ik pakte haar hand en legde hem op het matras.

‘Dan niet.’ Ze draaide zich om.

‘s Morgens lag Evelyn met haar gezicht naar me toe.

‘Goedemorgen,’ zei ik.
‘Ik ben een beetje duizelig,’ zei ze.


Ik liep naar de badkamer en zag in de spiegel Evelyn op de bedrand een slordige staart maken. In de blouse van de vorige dag kwam ze mijn kant op gelopen. Gespiegeld zag ik haar borsten.

‘Ik ga douchen,’ zei ze. ‘Ga maar alvast naar beneden.’

In de ontbijtzaal zat ik aan een gedekte tafel bij het raam. Uitzicht op de besneeuwde hoteltuin. Bij de ober bestelde ik twee koffie. Ik at een broodje en dronk van mijn koffie. Ook van Evelyns koffie. Daarna ging ik kijken waar ze bleef.

Met natte haren lag ze te slapen. Ik ging op de bedrand zitten en maakte haar wakker.

‘Volgens mij was ik weer in slaap gevallen,’ zei ze en ze legde haar hand op mijn been.
‘Toe Evelyn, niet doen. Niet op die manier.’ Ik legde haar hand op het matras. ‘Kleed je maar aan. De buitenlucht zal je goed doen.’

We wandelden door de witte straten. Ik wees een café aan en we gingen achter het raam zitten. Voor haar bestelde ik koffie en een broodje. Evelyn keek naar buiten en zei: ‘Het is hier ook gewoon kerst.’

Er kwam een Afrikaanse man voorbij lopen. Om zijn nek hing een polaroidtoestel. Hij maakte een handgebaar naar me. Een foto is niet nodig, probeerde ik duidelijk te maken, maar hij zette het toestel al tegen zijn oog en zei ‘smile’.

De polaroid heen en weer bewegend kwam hij naar binnen. ‘Beautiful picture for mother and son.’ Hij vroeg er vier euro voor.

Je zag bijna niets op de foto. De flits weerkaatste in de ruit, waardoor er een grote lichtvlek was ontstaan. In de verte twee gestalten.

Evelyn bekeek de foto niet eens. ‘Jij mag hem hebben.’

Terwijl ze dat zei legde ze nog één keer haar hand op mijn been.