Yves Petry 'Stil protest'

Yves Petry ,

VPRO's Kerstverhalen 2014

'We liepen samen een eindje op en ik gaf zoveel af op de lelijkheid van de stad en op de leeghoofdige drukte om ons heen dat ons weerzien een nogal zure toon kreeg, mede als gevolg van zijn stilzwijgen.' Het vierde VPRO kerstverhaal is geschreven door de Vlaamse schrijver en essayist Yves Petry.

Stil protest


Laatst liep ik in een winkelstraat van onze hoofdstad een verre vriend tegen het lijf, bezig met zijn eindejaaraankopen. We liepen samen een eindje op en ik gaf zoveel af op de lelijkheid van de stad en op de leeghoofdige drukte om ons heen dat ons weerzien een nogal zure toon kreeg, mede als gevolg van zijn stilzwijgen. Het gesprek zou interessanter zijn geworden als hij mijn uitlatingen had tegengesproken of gerelativeerd of beantwoord met enige ironie. Maar hij was zelfs te terughoudend, of wellicht te onverschillig, om me te vragen wat ik hier dan eigenlijk kwam zoeken.

Op een gegeven moment zei ik dat ik een andere kant uit moest. Opgelucht dat we afscheid konden nemen, werden we allebei plots gegrepen door een vluchtig gevoel van wederzijdse warmte. We wensten elkaar van harte het beste toe voor het nieuwe jaar. Toen stond er ineens een donkere man voor ons, klein van stuk, onverzorgd van uiterlijk. Hij duwde ons een petitie onder de neus en probeerde in gebrekkig Frans uit te leggen waar die over ging. Het had te maken met oorlog en vervolging en dakloosheid en kou en honger. Ik ben er vrij zeker van dat mijn vriend niet precies doorhad welk verzoek hij onderschreef toen hij de petitie tekende, en zijn gezicht werd heel even uitdrukkingsloos toen hem na zijn symbolische gebaar gevraagd werd om een milde gift. Ikzelf tekende niet, zelfs niet toen de man bleef aandringen en zei dat het Kerstmis was voor iedereen. Ik gaf geen verklaring voor mijn weigering, knikte nog eens naar mijn vriend en vertrok.

Ik zal geen al te beste indruk bij hem hebben nagelaten. Ik begrijp ook weer waarom hij altijd maar een verre vriend is gebleven.

Natuurlijk kan ik mij moeiteloos verplaatsen in de situatie van die vluchteling. Een beetje helderheid van geest volstaat om te beseffen dat ik hem had kunnen zijn – en wat dat inhoudt. Omgekeerd heeft hij geen idee van wat het is om mij te zijn. Daar zou ik in zijn plaats ook geen last van hebben. Ik neem het hem niet kwalijk. Maar dat ik met mijn zogenaamde vriend, met wie ik zoveel meer gemeen heb, evenmin kan praten over mijn intellectuele ontheemding, over mijn gevoel net zo goed een vreemdeling op de dool te zijn, zelfs al heb ik een dak boven mijn hoofd en de juiste papieren op zak, maakt dat ik zijn goedaardigheid niet kan uitstaan. Mijn noden zijn hem niet elementair genoeg, mijn frustraties te hersenschimmig. Ze stellen in zijn ogen nauwelijks wat voor vergeleken met de reële want materiële ellende van zoveel anderen. Dat een bedelaar als vanzelf kan rekenen op zijn goede wil, en ík zogezegd niets te klagen heb, was de reden waarom ik die petitie niet wilde ondertekenen.

Kerstmis voor iedereen. Een dakloze mag zich zonder meer gelukkig prijzen dat het weer uitzonderlijk zacht is voor de tijd van het jaar. Iemand als ik wordt dan weer geacht daarin een voorteken te zien van een ophanden zijnde catastrofe.