steun vpro

Boeken

H.L. Wesseling & Tessel Pollmann

De Leidse historicus en emeritus hoogleraar H.L. Wesseling over zijn Charles de Gaulle-biografie 'De man die nee zei'. Een boek over de standvastige Franse staatsman die kon weigeren wanneer dat nodig was. En historica en onderzoeksjournaliste Tessel Pollmann vertelt over 'Mussert & Co', een boek waarin ze uitlegt waarom Mussert gevaarlijker was dan vaak gedacht wordt.

Charles de Gaulle was nooit bang om nee te verkopen. De in 1970 overleden staatsman, die in 2005 verkozen werd tot grootste Fransman aller tijden, blijft voor de Fransen en misschien ook wel voor de rest van de wereld hét symbool van een onafhankelijk en krachtig Frankrijk. De Leidse emeritus hoogleraar H.L. Wesseling is sinds zijn studententijd geïnteresseerd in Frankrijk. Met De man die nee zei schreef hij een beknopte biografie vol interessante feiten en met oog voor intieme zaken en anekdotes.

De in 1890 in Lille geboren Charles de Gaulle vocht als luitenant mee in de Eerste Wereldoorlog tot hij in 1916 tijdens de slag bij Verdun door de Duitsers gevangen werd genomen. Na de oorlog bleef hij militair en in juni 1940 kreeg hij de post van onderminister voor defensie. In die tijd sloot maarschalk Pétain een wapenstilstand met de Duitsers. De Gaulle deserteerde en riep via de Britse radio het Franse volk op de strijd tegen de bezetter voort te zetten. Door het vazalregime in Vichy werd hij bij verstek ter dood veroordeeld. Met de Vrije Franse Strijdkrachten en met hulp van de geallieerden bleef hij Duitsland bestrijden. Na de vanuit Normandië georganiseerde bevrijding van Frankrijk in 1944 werd de Gaulle in Parijs als een held onthaald en vestigde zijn voorlopige regering.

‘Hij is alleen maar op zijn gemak als hij nee zegt’, zei schrijver en politicus André Malraux over de Gaulle. Eerst als generaal en later als staatshoofd stond hij bekend om zijn onverzettelijkheid en zijn strikte gevoel voor normen en waarden. Eerst zei hij nee tegen de bezetter, en tegen de geallieerden die aanvankelijk weigerden Frankrijk als serieus te nemen mogendheid behandelen. Later zei hij nee tegen het in stand houden van Frankrijk als koloniale macht. In 1959, toen de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog al 5 jaar bloedig voortduurde, werd hij president van de Vijfde Republiek. Verwacht werd dat de Gaulle Algerije Frans zou houden, maar dat deed hij niet. In de jaren daarna joeg hij doorlopend de Adenauers en Lunsen van deze wereld tegen zich in het harnas tot hij in mei 1968 door de tijdgeest werd ingehaald. Op 79-jarige leeftijd trad hij in 1969 af.

Volgens Wesseling is het niet zo vreemd dat de Fransen de Gaulle in 2005 uitriepen tot grootste Fransman aller tijden. De protestgeneratie van ’68, die het grondig oneens was met de autoritaire regeringsstijl van president, had zijn aftreden bespoedigd. Door de meerderheid van het volk werd en wordt hij echter nog altijd gezien als de redder van Frankrijk en als symbool van krachtig leiderschap. De kern van het Gaullisme bleek de succesvolle overlevingsstrategie van de Vijfde Republiek; een sterke staat die de economie streng reguleert. Deze paternalistische maar effectieve manier om Frankrijk adequaat draaiend te houden, gepaard met het vermogen van de Gaulle om nee te zeggen wanneer nodig maken hem nog altijd een factor van aanzienlijke invloed.

NSB-leider Anton Mussert heeft in Nederland het imago van een wat sullige, brave burgerman die met meer geluk dan wijsheid de leider van de Nationaalsocialisten werd. Volgens historica Tessel Pollman bevat dit heersende beeld meer onzin dan waarheid. De karakterisering is volgens haar opgeworpen door historicus Loe de Jong in de jaren ’50 en was vooral bedoeld om de NSB en haar maatschappelijke invloed ‘kleiner’ te maken. In de decennia daarna is deze typering van Mussert blijven voortleven. In Mussert & Co breekt Pollmann dit beeld tot aan de grond toe af.

Nederland zat aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in haar maag met 90.000 ex-NSB’ers. De overgrote meerderheid hiervan betrof mensen die na de bevrijding buiten de samenleving dreigden te komen staan. Het werd onwenselijk geacht deze mensen weg te zetten als paria’s en boeven. Integendeel; ze moesten geresocialiseerd en weer wezenlijk onderdeel van de samenleving worden. In die jaren na de oorlog is het nu nog heersende beeld van de NSB gecreëerd; dat van een wat krukkige, lachwekkende los-zand partij met een niet al te ver reikende invloed en blunderende, wat dommige leiders. Direct na de oorlog had Nederland een dergelijke NSB meer nodig dan de waarheid. Er moest een beeld gecreëerd worden van een trots en heldhaftig verzetsvolk, dus er zat weinig anders op dan de invloed en slagkracht van 90.000 NSB leden te decimeren.

De in 1894 in Werkendam geboren Anton Mussert studeerde weg- en waterbouwkunde in Delft, huwde in 1917 zijn twintig jaar oudere tante en was lange tijd ingenieur bij de Utrechtse provinciale waterstaat. Pollmann toont in haar boek aan dat Mussert gedurende zijn loopbaan als ingenieur al een hebzuchtig, leugenachtig en eigengereid man was. Hij kon slecht samenwerken en was, ondanks zijn kundigheid, geen gewaardeerde collega. Naast zijn werk was hij politiek zeer actief. In 1931 richtte hij samen met Cornelis van Geelkerken de NSB op. Aanvankelijk wees hij de Duitse rassenleer en het antisemitisme van de hand. Later, voornamelijk onder invloed van Meinoud Rost van Tonningen radicaliseerde NSB en werd het feitelijk een Nederlandse evenknie van de Duitse NSDAP.

Vooral over de bezettingsjaren en Mussert’s rol binnen de NSB bestaan volgens Pollmann veel wijdverbreide misverstanden. Niet in de laatste plaats omdat Mussert vlak voor de bevrijding veel archiefmateriaal liet vernietigen en veel nog wel bestaande archieven niet of nauwelijks ontsloten zijn. Gedurende haar onderzoek kwam Pollmann tot de conclusie dat Mussert een politicus in de slechtste zin van het woord was; een intimiderende, gehaaide en dictatoriale machtswellusteling. De historica stelt dat de NSB een buitengewoon gewelddadige partij was, met een doortimmerde ideologie en een ambitieuze leider die rijkdom, goederen en invloed vergaarde door afpersing en roof. Mussert waande zich het toekomstige staatshoofd van Nederland en nam vast een voorschot op het vergaren van pracht en praal. Na zijn dood werd zijn bezit geraamd op 900.000 gulden, omgerekend naar de huidige koopkracht ongeveer 10 miljoen euro. Volgens Pollmann kan niemand na lezing van haar bevindingen Mussert nog met droge ogen een sullige, brave burgerman noemen.