waarheid

Esther Gerritsen ,

Ik kijk meer naar de routeplanner in mijn auto dan noodzakelijk.


Het kleine schermpje heeft mijn constante aandacht. Ik kan door het prachtigste landschap rijden, de zonsondergang tegemoet, niets boeit me zo erg als de minuten te zien teruglopen, tot aan mijn eindbestemming.

Zo kan ik anderhalf uur lang al rijdend dromen over het karakter van de tijden.

Hoe 1.30 uur heel lang voelt en 1.28 maar een fractie minder, maar hoe 1.10 al zo dicht bij één uur is, en wanneer ik nog maar 59 minuten hoef te rijden er een magische grens lijkt te zijn gepasseerd. Hoe vijftig minuten erg dicht bij drie kwartier ligt en hoe je vanaf daar zo terugtelt naar een half uur en een half uurtje is bijna niets.

Dit is de verkorte weergave van de nummerdroom in mijn hoofd. Er is geen enkel getal binnen die negentig minuten dat ik geen karakter toedicht en dat maakt het nou juist zo moeilijk om niet naar dat schermpje te blijven kijken, waarop eens in de zestig seconden iets nieuws gebeurt. Van negentig naar nul tellen is in mijn nummerdroom een heel goed verhaal waar ik geen stap van wil missen.


De vreemdste ruzie die ik als kind ooit met mijn broer had, ging over onze lievelingsgetallen. Zijn lievelingsgetal was zijn leeftijd en het veranderde dus elk jaar, het had een duidelijke logica. Ik legde hem uit waarom mijn lievelingsgetal vijf was. De vijf klonk gezellig. Vijf klonk naar zaterdagavond en naar chips in de houten bak. Mijn tweede lievelingsgetal was acht. De acht gaf bijna hetzelfde gevoel als de vijf, maar dan met iets meer verveling. Mijn broer werd woest, dat was geen reden. Hij riep dat ik maar wat zei, wat fantaseerde, dat telde niet. Maar in mijn beleving fantaseerde ik helemaal niets, die getallen hoorden nou eenmaal bij zaterdagavond en chips, heel anders dan bijvoorbeeld de drie. Daar kon ik ook niets aan doen.

Mijn broer besloot dat met mij niet viel te praten.

Rond die tijd ontstond mijn verlangen om ooit woorden te vinden voor het karakter van getallen, en voor al het andere dat ik niemand kon uitleggen. Belangrijk was vooral dat die woorden nooit zouden worden afgedaan als mijn verzinsel maar als de enige mogelijke, onomstotelijke waarheid.