verborgen sporen van srebrenica

Nils Grabinger en Merel Buiting ,

Op 11 juli 1995 viel de door Dutchbat beschermde moslim­enclave Srebrenica in Bosnië. Meer dan 8000 moslims werden vermoord. VPRO Buitenland reisde naar het gebied, waar de herinneringen aan de Balkanoorlog na twintig jaar nog vers zijn.

Osman (privécollectie)

‘Hier moet je de auto stoppen.’ Osman Avdic wijst naar de kant van de weg, waar alleen nog de rode muren van een verlaten huis staan. Dan richt hij zijn vinger op het dal beneden. ‘Vanaf die kant vluchtten we door de bossen. Hier op het grasveld zag ik mijn broer voor het laatst.’

Het is 13 juli 1995 als de zeventienjarige Osman Avdic nabij de bossen van Srebrenica van zijn broer wordt gescheiden en door een bewapende Servische militair een bus in wordt geloodst. Het is er warm. Om hem heen zitten vrouwen, bejaarden en kinderen van niet ouder dan een jaar of vijftien. Avdic tuurt naar buiten, waar Bosnisch-Servische militairen zijn broer Mustafa (25) en twee- tot driehonderd andere moslimmannen onder schot houden. De mannen zijn er slecht aan toe. Veel van hen zijn vermagerd of gewond. Dan rijdt de bus weg. Osman denkt aan de laatste woorden van Mustafa, vlak voor de twee afscheid van elkaar nemen: ‘Het komt goed. We zien elkaar snel.’ Het is de laatste keer dat Osman zijn broer ziet. Als de bus wegrijdt, worden alle twee- tot driehonderd mannen die achterblijven op brute wijze omgebracht. Dat overkomt die dagen nog veel meer mannen. Twintig jaar na de executies zijn de sporen van Srebrenica nog altijd zichtbaar, al moet je soms wel goed zoeken.

Op het eerste gezicht ziet het er prachtig uit: de wild begroeide bergen ogen woest en ontoegankelijk en de weg die we volgen brengt ons langs kleine dorpen waar groepjes mannen al schakend hun middaguurtjes doden. Maar achter het ongerepte landschap in het noordoosten van Bosnië schuilt oorlogsleed. Wie beter kijkt, vindt sporen van kogels en granaten in de muren van gebouwen. Veel huizen zijn verlaten, andere zijn bewoond, maar onafgebouwd. Veel werk is hier ook niet.

We worden rondgeleid door Osman. Hij neemt ons mee naar de plekken die hem herinneren aan de oorlog. De 37-jarige politieagent woont nu met zijn jonge gezin in Sarajevo, maar groeide op in het gebied rond Srebrenica. De tocht valt hem zwaar, het roept allerlei herinneringen op. Hij is hier verjaagd door een oorlog die in 1992 het land verdeelde.

Vluchtroute

mars mira 2014

Maart 2015: ‘Bill Clinton komt,’ koppen de Bosnische media. Dit jaar is het twintig jaar geleden dat Srebrenica viel. Daardoor staat de jaarlijkse herdenking op 12 juli dit jaar extra in de schijnwerpers. In de dagen daarvoor lopen ook nog eens duizenden belangstellenden de Mars Mira. Het is de vluchtroute van Srebrenica naar Tuzla, die Bosnische moslimmannen en -jongens namen in de zomer van 1995. Zo’n 110 kilometer lopen, maar dan in omgekeerde richting. ‘Daarmee brengen we de slachtoffers terug naar huis,’ zegt organisator Hasan Hasanovic van het Srebrenica Memorial Centre. Hasanovic verwacht dit jaar meer belangstelling dan andere jaren, maar daarvan is nog weinig te merken als Osman ons meeneemt naar Srebrenica. Osman kent de tragedie van het stadje goed. Net als voor 30.000 andere vluchtelingen eindigde zijn vlucht voor de Serviërs hier in 1993. De hele omgeving was toen ingenomen door Serviërs en het net rond Srebrenica sloot zich steeds nauwer. In Srebrenica dreigde een humanitaire ramp, omdat Bosnisch-Servische militairen de controle over alle toegangswegen hadden. Ze lieten geen eten meer door. De Verenigde Naties konden uiteindelijk niet anders dan de mensen in Srebrenica bescherming beloven.
Dan komt Dutchbat in beeld, dat de vn-missie vanaf 1993 leidde. Sommige Bosniërs moesten weinig van het Nederlandse bataljon hebben, weet Osman: ‘Ze vonden dat Nederlanders op ons neerkeken.’ Osman had juist heel goed contact met ze. Tijdens de oorlogsjaren leerden ze hem Engels en vertelden ze hem het ‘nieuws’. Soms brachten ze zelfs eten voor hem mee. ‘En één keer kreeg mijn vader een pakje sigaretten cadeau uit Nederland. Dat was heel bijzonder. Tabak kon je in die tijd nergens krijgen.’
‘Kijk,’ zegt Osman als we Srebrenica binnenrijden. Hij wijst naar een klein huis naast een tankstation. ‘In dat huis woonden we met vijf gezinnen. Osman herinnert zich uit zijn tijd in Srebrenica vooral de honger en de chaos: ‘Soms aten we wel tien dagen achter elkaar planten die in de omgeving groeiden. Er was niets anders.’
 

Het stadje Srebrenica is ook in 2015 nog klein. Er zijn twee restaurantjes en het centrum bestaat uit een rotonde met een supermarkt.

puinhoop

Stadion in Bratunac in 2015, waar 20 jaar geleden executies plaatsvonden.

Op het droge voorjaarsgras van het verlaten speeltuintje voor de supermarkt hangt groep verveelde twintigers. Een van hen is de Bosnisch-Servische Miroslav Andric, een relaxte jongen van 22 met lang haar, dat hij nonchalant heeft opgeknot. Miroslav heeft het geluk dat hij fulltime in de bediening kan werken in het restaurant van zijn ouders. Voor veel leeftijdsgenoten gaat dat niet op: banen zijn er nauwelijks.

Als hij hoort dat er wéér een oorlogsverhaal wordt geschreven, reageert hij argwanend. ‘De oorlog was verschrikkelijk, maar de nasleep brengt alleen maar meer ellende. Het vervreemdt mensen verder van elkaar.’ Volgens hem profiteren slechts een paar mensen van de miljoenen die de internationale gemeenschap geeft aan Srebrenica. ‘Kijk, het is hier nog steeds een puinhoop. Hoe verklaar je dat, na zo veel geld?’

Ondanks zijn sceptische houding, behoort Miroslav wel tot de jonge generatie die bruggen wil slaan. Bescheiden maar trots laat hij via YouTube een videoclip zien van zijn band Afera, die bestaat uit Servische Bosniërs en Bosnische moslims. Een catchy refrein klinkt door de speakers: Hej, hej, Srebrenico. ‘Het was een kleine hit,’ vertelt de bassist. ‘Srebrenica wordt altijd in één adem genoemd met oorlog en haat, maar wij zingen juist over liefde en wat mooi is.’ Later deze maand maakt de band zijn internationale debuut op Festival Mundial in Tilburg.

Luister hier de reportage over Afera die correspondent Mitra Nazar maakte voor Bureau Buitenland.
 

We vervolgen onze reis naar Potocari, een plaatsje op vijf kilometer van Srebrenica. In de oude fabriekshallen die daar in de jaren negentig de Dutchbatbasis vormen, zit nu een herdenkingscentrum. Van daaruit kijk je uit over de zee van witte graven, die zich uitstrekt tot over de groene heuvel aan de overkant van de weg.

Potocari

een zee van witte graven, uitzicht vanaf herdenkingscentrum.

We vervolgen onze reis naar Potocari, een plaatsje op vijf kilometer van Srebrenica. In de oude fabriekshallen die daar in de jaren negentig de Dutchbatbasis vormen, zit nu een herdenkingscentrum. Van daaruit kijk je uit over de zee van witte graven, die zich uitstrekt tot over de groene heuvel aan de overkant van de weg.

‘Hier wil ik even alleen zijn,’ zegt Osman. Hij verdwijnt tussen de lange rijen met witte palen, op zoek naar het graf van zijn broer. Hier en daar piekt een groen paaltje boven de witte zee uit. ‘Dat zijn tijdelijke grafstenen,’ vertelt Osman. Na twintig jaar zijn nog altijd niet alle slachtoffers gevonden; ieder jaar komen er op de herdenking van 12 juli nieuw weer nieuwe graven bij. Mustafa, de broer van Osman, is begraven in 2009, nadat negentig procent van zijn lichaam werd gevonden. ‘De kans dat ze de rest van hem zouden vinden was klein. We wilden hem graag een rustplaats geven, het was goed zo.’

Die keus maakt lang niet iedereen. Sommige families willen een dierbare pas begraven als honderd procent van zijn lichaam is gevonden. ‘Dat kan jaren duren, als ze alles al vinden,’ zegt Osman. In de donkere en koude fabriekshal aan de overkant van de begraafplaats is het Memorial Center ingericht. Daar worden we opgewacht door Hasan Hasanovic, een van de gidsen van het centrum. Ook hij was een vluchteling in Srebrenica. Zijn ogen schieten vol als hij ons langs de foto’s in het herdenkingscentrum leidt, die zijn genomen in de dagen voor de val van de enclave. Zijn woede is voelbaar als hij vertelt dat hij zich in de steek gelaten voelt door de Verenigde Naties.

Het herdenkingscentrum is in volle voorbereiding voor de negentiende herdenking dit jaar. Het kreeg onlangs een nieuwe mediatheek, waar een documentaire draait met daarin schokkende beelden van de enclave, de vluchtelingen die aan de Serviërs proberen te ontkomen en de executies. Van een groep jonge toeristen uit Serajevo houdt vrijwel niemand het niet droog. Voor de meesten van hen bestaat de trip uit een bezoek, waarin zij ondergedompeld worden in persoonlijke verhalen van overlevenden uit Srebrenica. Daarin schuilt gevaar. In het centrum wordt geen aandacht besteed aan andere verhalen uit die oorlog. Srebrenica en de omliggende dorpen worden nauwelijks bezocht door toeristen.

Srebrenica en Potocari liggen in de Servische republiek van Bosnië. Het vredesverdrag dat in 1995 werd gesloten verdeelde het land in tweeën: een Bosnisch-Kroatisch deel en een Servisch deel. De enige plek in de omgeving waar de islamitische nabestaanden de ruimte krijgen om hun verhaal te vertellen, is het herdenkingscentrum in Potocari. De eenzijdige manier waarop dit daar gebeurt, is veel Servische Bosniërs een doorn in het oog.

Vluchten

osman - archieffoto

Osman weet nog goed hoe de sfeer in Srebrenica begin juli 1995 veranderde. ‘Er hing iets in de lucht. Mensen werden nerveus, ouderen waarschuwden dat er iets ging gebeuren,’ vertelt hij. ‘Via de Nederlanders kwamen berichten over aanvallen op Nederlandse observatieposten. Een paar dagen later begonnen de Nederlanders met het evacueren van vrouwen en kinderen. Die werden naar de compound in Potocari gebracht.’

De mannen in Srebrenica dachten ondertussen aan vluchten. De eerste groep vertrok op 11 juli richting Tuzla. Osman twijfelt. ‘Ze besloten te lopen, maar iedereen was uitgeput en uitgehongerd, we konden nauwelijks lopen.’ Zelf heeft hij dan ook al dagen niet geslapen. Maar toen er op 12 juli opnieuw een groep mannen richting Tuzla vertrok, besloten Osman en Mustafa toch mee te gaan. Met hun familie spraken ze af hen in Tuzla weer te zien. Vooral Mustafa had het moeilijk. ‘Zijn vrouw was net bevallen van een dochter. Ze was pas een paar maanden oud.’ Maar Mustafa had hoop. ‘Het gaf hem een goed gevoel dat vrouwen en kinderen in veiligheid werden gebracht.’

gered

Osman op het grasveld waar hij zijn broer voor het laatst zag.

Osman neemt ons mee naar een loods langs de weg tussen Kravica en Bratunac. Er staat een schuur waar op het eerste oog niets aan te zien is. We lopen om het terrein heen en zien een aantal nieuwe pallets en een tractor staan; het is een bedrijf in gebruik. ‘Hier zijn meer dan duizend Bosnische mannen geëxecuteerd,’ zegt Osman. ‘Dat hebben Servische militairen zelf verklaard.’

Voor de schuur staat een gedenksteen, maar die blijkt neergezet voor een slachtoffer van een auto-ongeluk. Wie de geschiedenis niet kent, kan niet zien wat hier op 13 juli 1995 is gebeurd. De loods is niet de enige plek. Ook in Bratunac, een stadje dat vooral wordt bewoond door Serviërs, zijn veel Bosnische mannen geëxecuteerd. Zij werden omgebracht in het voetbalstadion waar nu een jong team traint. Ook hier is niets dat deze mannen herdenkt.

Ook vanaf de andere kant is er weinig begrip. Net zo min stoppen de voor toeristen georganiseerde tours naar Srebrenica bij de begraafplaats in Bratunac, waar Servische slachtoffers liggen begraven. Er worden twintig jaar na de oorlog vriendschappen gesloten en mensen wonen in vrede naast elkaar, maar begrip en ruimte voor elkaars leed is er nauwelijks. De herinneringen aan de oorlog zijn nog te vers.

Terug bij het rode huis in Kravica verandert er iets in Osmans blik. Langzaam bewandelt hij het bermgras. ‘In dit huis zaten de Serviërs door wie we werden gesnapt,’ vertelt hij. De bus waar de Serviër hem die middag in liet stappen, stond toen een eindje verderop.

Dat Osman op die bewuste bus werd gezet, is geen toeval. De Servische militair was een oude bekende van de broers, die bij Mustafa in de klas had gezeten. Toen hij de broers herkende, besloot hij hen te helpen. ‘Hij zei dat ik jong leek en dat ik door kon gaan voor een kind,’ vertelt Osman. Als hij zou liegen over zijn leeftijd, zou de Servische oud-klasgenoot een busplaats naar Tuzla voor hem proberen te regelen. Hij besloot mee te werken en kwam uiteindelijk veilig aan in Tuzla, de dichtsbijzijnde stad in Bosnisch gebied waar vrouwen en kinderen uit de enclave heengebracht werden.

Toen Osman aankwam, vond hij zijn moeder en zusjes. Samen wachtten ze op Mustafa, maar die kwam niet. Na een paar dagen werd duidelijk dat hij nooit meer terug zou keren. Osman: ‘Als ik de Serviër die me toen op de bus zette nu zou tegenkomen, zou ik hem bedanken. Ook al was hij een van de mannen die mijn broer lieten afvoeren, hij heeft wel mijn leven gered.’

fabriekshal in compound potocari