'Ik wil mensen bereiken'

Jonathan Maas ,

De VPRO Gids spreekt jonge makers over de toekomst van hun vak. Afl. 8: Van Oegandese vrouwelijke boksers tot omgebouwde opa’s, filmmaakster Meike Plant maakt portretten van minderheden en andere culturen. ‘Ik wil iets bijdragen.’

Meike Plant

Tough
Holland Doc 24, Zondag, 11.18 en 18.55 uur
Vrijdag, 23.43 uur
‘Documenteren is belangrijk. Mijn vader is overleden toen ik zeven was. Het enige dat ik van hem kan terughalen, zijn de beelden die van hem zijn gemaakt. Beeld is veelzeggend: zonder dat iemand iets zegt, kun je hem leren kennen; door beweging, gezichtsuitdrukking en andere persoonlijke trekjes. Je ziet emotie. Met geschreven tekst moet je altijd door de interpretatie van de schrijver heen. Onbewust ben ik altijd al aan het vastleggen geweest, ook als kind. Of het nu met fotocamera of handycam was.
Het liefst maak ik intieme portretten: klein menselijke verhalen die tegelijkertijd een groter verhaal vertellen, dat vind ik het mooist. Mijn eerste film ging over transseksualiteit, over de opa van een studiegenoot van me, die vrouw was geworden. We kozen ervoor te focussen op de impact die dat besluit heeft gehad op de familie. Waarom maken mensen bepaalde keuzes? Wat is hun motivatie? Dat boeit mij. Vooral als het verschillende culturen betreft. De wisselwerking tussen culturen vind ik interessant; hoe we verschillen en op elkaar lijken. Ik doe Televisiestudies, heb een bachelor in Media en Cultuur en heb als minor Antropologie gedaan. Studies die ik wil combineren met mijn documentaires; door verhalen te vertellen over culturen die bij veel mensen niet bekend zijn. Zoals met Tough, mijn film over Oegandese vrouwen die boksen. Boksen is in Oeganda de nationale sport. Toch doen nauwelijks vrouwen aan mee. Interessant, dacht ik. Het blijkt in Afrika niet gebruikelijk dat vrouwen uitblinken in sport. Ik ben gaan googlen en stuitte op een artikel van een Amerikaanse journaliste, over de zusjes Hellen en Diana, twee Oegandese vrouwen die boksen. Van de journaliste kreeg ik het telefoonnummer van Hellen en Diana. Iedere Afrikaan, hoe arm ook, heeft een mobiele telefoon; vaak delen ze die met de hele familie. De dames reageerden gillend enthousiast op mijn voorstel een documentaire met hen te maken. Vanwege de slechte telefoonverbinding was het onmogelijk om op afstand uitgebreide voorgesprekken te doen. Ze wonen in een sloppenwijk en hebben geen toegang tot internet of geld voor een internetcafé.

Twee meningen
Met als enige houvast dat de vrouwen enthousiast waren over ons filmidee, pakten we het vliegtuig naar Oeganda. Terwijl we na de eerste dag allerlei indrukken moesten verwerken, realiseerden we diezelfde avond dat we de focus van ons verhaal moesten verduidelijken: wat wilden we precies gaan vertellen? Diana sprak als enige van de meiden goed Engels, dus we gebruikten haar als tolk tijdens de interviews met Hellen, die de hoofdrol in de film heeft gekregen. Na het draaien hebben we alle interviews per frame met een lokale vertaler doorgenomen, zodat we Hellens tekst in Luganda in het Engels konden ondertitelen.’
Tough was filmen met beperkingen. Probeer midden in een sloppenwijk maar eens een rustige plek te vinden om iemand te interviewen. Goeie belichting was ook lastig, want er is geen stroom. We moesten het doen met het lampje dat op de camera zat. De film is gemaakt in het kader van een masterclass buitenlandjournalistiek van de stichting Lokaal Mondiaal, waarbij twaalf jonge journalisten met ambities in buitenlandjournalistiek de kans kregen een documentaire te maken. Onder voorwaarden: het moest in mijn geval over vrouwenemancipatie gaan. Ik wilde geen zielig verhaal over hoe slecht Afrikaanse vrouwen het hebben en zocht daadkrachtige vrouwen in plaats van slachtoffers. Ik heb de film samen met Chrisje Sterk gemaakt: als duo draaien werkt het best met intieme portretten. Wanneer je met een hele crew komt aanzetten, werkt dat intimiderend. Bijkomend voordeel is dat je als duo maar met twee meningen te maken hebt. Ik kan dominant zijn als ik overtuigd ben van mijn idee, maar verwacht van mijn collega dat deze tegengas geeft en kritisch is. Het liefst werk ik in de toekomst steeds samen met een gelijkwaardig iemand. Iemand wiens mening ik kan respecteren en die tegelijkertijd mijn mening serieus neemt. Een ervaren regisseur die niet wil luisteren naar mijn inbreng omdat ik weinig ervaring heb, lijkt me niets. Chrisje en ik deden afwisselend camera en interviews. Ik ben autodidact, ben gaan filmen zonder enige cameraopleiding. De allereerste scene was totaal out of focus. Toch heeft het volgen van een training nooit prioriteit gehad. Het is vooral uitproberen en oefenen.

Klein leed
Zoals iedere filmmaker wil ik mensen bereiken. Mijn ideale publiek zijn de mensen uit het dorp waar ik ben opgegroeid, mensen die niet van nature geïnteresseerd zijn in de verhalen die ik maak. Mensen die zich pas bewust worden van de slechte condities waarin hun h&m-kleding wordt gemaakt op het moment dat een ramp met zo’n kledingfabriek in het nieuws komt, zoals laatst in Bangladesh. De uitdaging is een vorm of invalshoek te vinden waardoor ze wel gaan kijken naar verhalen over andere culturen in de wereld. Waarom ik dat belangrijk vind? Je word je bewuster van je eigen wereld in Nederland wanneer je meer weet over de wereld. Ik kan slecht tegen mensen die over niets anders dan klein leed zeiken. Wat zijn nou onze problemen? Ik moet misschien een maand langer over mijn scriptie doen! Nou en, who cares? Daarnaast is het belangrijk om de wereld van vandaag vast te leggen. Het is te hopen dat we iets leren van de geschiedenis. Dat kan alleen als er over dertig jaar materiaal is over de tijd waarin we nu leven, anders is er geen referentie.
Ik ben bijzonder geïnteresseerd in Afrika, omdat veel landen daar in sneltreinvaart ontwikkelen. Naar Amerika kan ik over twintig jaar ook nog wel, dan ziet het er waarschijnlijk net zo uit als nu. Vijf jaar geleden reisde ik voor het eerst naar Afrika, toen ik mijn vriend opzocht, die geneeskunde studeert en daar onderzoek deed naar de kennis over tbc onder de Massai, een nomadenvolk in Oost-Afrika. Ik vond het al snel erg dat die mensen zo weinig kennis hadden, dus ik wilde meteen een voorlichtingsfilm maken en door het land reizen met een busje om hem aan iedereen te vertonen. Dat verbeteren van de wereld drijft mij. Ik wil verhalen met een reden vertellen, ik wil iets bijdragen. Mijn films moeten een maatschappelijke relevantie hebben.
Nu ik ondertussen bijna ben afgestudeerd, is de hamvraag: hoe ga ik met mijn vak geld verdienen? Ik moet natuurlijk ook gewoon de huur betalen. Nu leef ik van mijn lening. Waarschijnlijk zal ik af en toe iets commercieels moeten doen. Ik denk dat het ik liefst focus op onderwerpen die ik interessant vind. De inhoud is belangrijker dan de vorm, het onderwerp gaat bij mij voor het medium. Om geld te verdienen kan ik bijvoorbeeld ook debatavonden over ontwikkelingslanden organiseren. Ik hoef niet per se alleen maar documentaires te maken. Als ik maar iets zinnigs doe.’