O'Hanlons helden

The Sky Was The Limit

O'Hanlon laat ons kennismaken met zijn helden uit de negentiende eeuw, de tijd waarin hij zelf het liefst geboren had willen zijn. In de vijfde aflevering van het eerste seizoen reist O'Hanlon de ondekkingsreiziger Salomon Auguste Andrée (1854 - 1897) achterna. Andrée was een Zweeds technicus die samen met Nils Strindberg en Knut Freankel vanaf Spitsbergen in een luchtballon de Noordpool probeerde te bereiken. De expeditie ging bijna meteen mis, het drietal kwam hoogstwaarschijnlijk om door kou en uitputting.

Tekst en foto's: Caroline Ligthart,

The Sky Was The Limit

Een windstille dag in september 1783. Het plein voor het Koninklijk Paleis in Versailles is volgepakt met 130.000 mensen. De sfeer is gespannen, hier en daar gevoed door sensatiezoekers die hopen dat het mis zal gaan. De kans daarop is groot, want het is nog nooit eerder gedaan: op uitnodiging van Lodewijk de Zestiende en in aanwezigheid van Marie Antoinette demonstreren de broers Montgolfier hun uitvinding, de heteluchtballon.

Het gaat inderdaad mis, maar het kost geen mensen-, of liever gezegd dierenlevens; de haan, het schaap en de eend overleven de vlucht van drieënhalve kilometer. Het schaap, dat wordt omgedoopt in Montauciel, Klim-naar-de-hemel, mag na deze heldhaftige vlucht de rest van zijn dagen slijten in de koninklijke dierentuin, en de Montgolfierbroers mogen van de koning als bewijs van erkentelijkheid ‘de’ voor hun naam zetten. Net als de adel.

Joseph Montgolfier (1740-1810) was ervan overtuigd dat mensen in staat waren te vliegen. Hij zou het hemd hebben zien opbollen van een man die te dicht bij het vuur stond en dacht zo de manier gevonden te hebben waarop je kon opstijgen. Hij ontwikkelde dit idee samen met zijn broer Jacques-Étienne (1745-1799), die voor de papierfabriek van hun vader al veel had betekent op het gebied van technische innovatie.

Ik zit tegenover Bernard de Montgolfier, directe nazaat van de oudste broer van de uitvinders. We zijn overigens in Parijs, hoewel het centrum van de ballonvaart zich in Annonay bevindt. Bernard de Montgolfier kent vanzelfsprekend alle ins en outs van de familie en vertelt over de karakters van de broers. ‘Étienne was een architect, georganiseerd en rationeel, Joseph was het tegenovergestelde. Een echte wetenschapper, altijd bezig met verschillende uitvindingen, chaotisch, snel afgeleid. Het verhaal gaat dat hij Annonay op een paard verliet, in Avignon de nacht doorbracht, het paard vergat en zich pas na een week realiseerde dat het daar nog stond en een flink bedrag moest betalen voor de stalling.’

Ik wil graag weten hoe belangrijk het voor hem is om een De Montgolfier te zijn. ‘Mijn moeder zei altijd dat we trots moesten zijn op dingen die we zelf hadden bereikt. Als je trots bent op je familienaam ben je net een aardappel: de beste delen groeien onder de grond.’ Desondanks is De Montgolfier trots. Wanneer hij zich voorstelt reageert men op zijn naam, want het verhaal van de broers leeft nog steeds in Frankrijk.

            

Spitsbergen Willem Barentsz ontdekte Spitsbergen in 1596 toen hij op zoek was naar een noordelijke route naar Oost-Azië.
Svalbard De Noorse naam voor de archipel, gegeven in 1925. De eilandengroep in de Noordelijke IJszee bestaat uit drie grote en een tachtigtal kleine eilanden. Ze staan onder soevereiniteit van Noorwegen.
Longyearbyen Grootste nederzetting met zo’n 2000 inwoners.
Verloop Elk jaar verlaat 25 procent van de inwoners Svalbard. Men woont er gemiddeld 6,3 jaar.
Werkgelegenheid Poolresearch, toerisme en steenkool. Er zijn zeven koolmijnen, waarvan momenteel nog één in werking is.
Inkomen Ligt vanwege het belastingregime 40 procent hoger dan in Noorwegen.
Temperatuur In Longyearbyen ligt de gemiddelde temperatuur tussen de -16 ºC in de winter en 6 ºC in de zomer.
Gletsjers Ongeveer 60 procent van de landmassa is bedekt met gletsjers.
Poolnachten Van 14 november tot 29 januari komt de zon niet boven de horizon uit.
Midzomernachtzon Van 20 april tot 22 augustus schijnt de zon 24 uur per etmaal.
Diversen Er is geen ziekenhuis, alleen een eerstehulp met zeven bedden. Vrouwen zijn verplicht de laatste twee weken van hun zwangerschap in Noorwegen door te brengen. Er is geen ouderenzorg. Er zijn geen begraafplaatsen vanwege de permafrost.

mislukking

Salomon Auguste Andrée (1854 - 1897)

Het schijnbaar onmogelijke willen bereiken, de ultieme uitdaging aangaan, jezelf overtreffen, de eerste willen zijn, levenslange – en als het echt niet anders kan postume – eer. Misschien niet voor iedereen herkenbaar, maar voor Salomon August Andrée (1854-1897), een van O’Hanlons helden, was dat zeker het geval. Eigenlijk een antiheld, want O’Hanlon is zo geïnteresseerd in hem omdat hij zo’n spectaculaire mislukking was. Andrée vertrok in 1897 samen met Knut Fraenkel en Nils Strindberg vanaf Danish Island op Spitsbergen om als eersten over de noordpool te vliegen. Tenminste, dat was het plan, maar het ging meteen bij het vertrek al mis. De ballon had touwen die over de grond sleepten en een zeil om de richting te regelen, maar dit systeem faalde. Om te voorkomen dat ze in zee zouden storten, gooiden ze ballast overboord. Er was genoeg om uit te kiezen, want ze hadden een absurde hoeveelheid nutteloze spullen bij zich.

Grote bedragen aan Russische roebels voor het geval ze in Siberië zouden landen, porselein, zilver, een grote hoeveelheid handdoeken, oude kranten, twee kaartjes voor de Stockholm tentoonstelling van 1897 en twee flessen dure port die ze van de Zweedse koning hadden gekregen. Het verhaal gaat zelfs dat ze hun smoking meenamen voor het geval ze de Koning van de Noordpool zouden ontmoeten. In de ballon huisden ook 36 speciaal getrainde postduiven, waarvan er uiteindelijk één werd teruggevonden met het bericht dat de expeditie 82°2' NB had bereikt. Overigens heel dicht bij hun doel, dat op 90° ligt. Daarna werd niets meer van hen vernomen.

Overal opgezette ijsberen, in de smalle gang moet ik me zelfs een beetje tegen de muur drukken om langs het bovenste deel van de ijsbeer dat uit de muur steekt – zijn onderkant staat in het restaurant – te kunnen.

hypomania

Ik ben de crew van O’Hanlon vooruit gereisd om geschikte mensen te vinden die over de expeditie van Andrée kunnen vertellen. Als ik bij aankomst in Longyearbyen uit de bus stapt, voel ik me de Duitse toerist die in de film Bagdad Café midden in de woestijn wordt afgezet, met alleen haar koffer als houvast. De buschauffeur maakt een handgebaar, ergens in de verte moet het zijn. Ik loop een soort industrieterrein op, maar blijf twijfelen of ik wel goed zit. Het hotel, Mary Ann’s Polarrigg, zou in het centrum moeten liggen, maar dit lijkt meer op het randje van de afgrond. Toch blijkt het te kloppen en het hotel is een ervaring op zich. Overal opgezette ijsberen, in de smalle gang moet ik me zelfs een beetje tegen de muur drukken om langs het bovenste deel van de ijsbeer dat uit de muur steekt – zijn onderkant staat in het restaurant – te kunnen. Als ik mijn kamerdeur opendoe denk ik buiten een kat te zien weglopen, maar het blijkt een poolvos te zijn. Katten zijn hier verboden vanwege het risico op het verspreiden van ziekten. De weg naar het centrum, vijf minuten lopen, vind ik door de grote verroeste buizen te volgen en dan de rivier over te steken. Ik kom langs houten stellages, die nog overal op het eiland staan. Daarmee werden vroeger de bakken met steenkool getransporteerd.

Het is half juni, dus maak ik voor het eerst van mijn leven de midzomernachten mee. Ook al bereid je je voor, toch is het heel onwerkelijk om ’s nachts de zon te zien schijnen. De kans op hypomania, een stemming die gekarakteriseerd wordt door euforie of juist geïrriteerdheid waarbij navenante gedachten en gedrag horen, is groot. Bij mij treedt ontegenzeglijk het eerste op; ik loop stuiterend van geluk en opwinding over het indrukwekkende eiland. Er groeien geen bomen, want daarvoor moet de temperatuur minimaal twee maanden per jaar boven de tien graden liggen. Daardoor is de oneindige ruimte, waar je ook bent, waar je ook kijkt, overweldigend.

Uitkijkposten op verlaten Russische mijnbouwplaats pyramiden

ontheffing

Anna Lena Eckblad (47) woont al zestien jaar in Longyearbyen en werkt in het Svalbard Museum. Ze rijdt me rond – voorzover dat kan, want er is maar veertig kilometer geasfalteerde weg. Eckblad heeft het over het drankgebruik in Longyearbyen. Je kunt hier niet onbeperkt drank kopen; er wordt een quotumsysteem gehanteerd. Dat is ontstaan in de tijd dat de steenkoolmijnen nog in gebruik waren. Het management van de mijnen wilde voorkomen dat het personeel excessief ging drinken. Wijn is wel onbeperkt te verkrijgen, want in tegenstelling tot de directeuren dronken de mijnwerkers geen wijn. Momenteel kan er met een speciale pas alcohol worden gekocht, en voor een verjaardag of feestje vraag je een dubbel quotum aan. Terwijl ik me afvraag hoe vaak ik een ontheffing nodig zou hebben, rijden we langs een gebouw waar een rijtje geweren tegen de muur staat. Het blijkt een bank te zijn. Hier geldt de regel: geweren buiten laten als je de bank in gaat. We rijden door tot de asfaltweg ophoudt in de sneeuw. De stilte is er totaal. Vlak voor ons steken rendieren de weg over. Ze nemen de tijd, we wachten rustig tot ze voorbij zijn. Op de terugweg stoppen we even bij een bedrijf dat excursies met hondensleeën organiseert. Aan een houten stellage hangt het voer voor de honden bungelend op zijn kop. Het zijn dode zeehonden. Gewoon hondenvoer is te duur.

zilveren doosje

Anna Lena Eckblad

Eckblad heeft diverse lijntjes met de Andrée-expeditie. Haar grootvader, onderwijzer en de enige in het dorp Baltak met een telefoon, werd gebeld toen in 1930 de resten van de expeditie, grotendeels intact door de kou, werden gevonden door Noorse zeehondenjagers. Eckblads vader was toen negen. Dit telefoontje, helemaal vanuit Göteborg, maakte zo’n indruk op hem dat hij er zijn hele leven aan bleef refereren, wat weer een grote indruk op zijn dochter maakte; het verhaal van Andrée is haar altijd bijgebleven. In 1991 boekte ze een reis zonder te weten dat die speciaal georganiseerd werd voor mensen die geïnteresseerd waren in Andrée. De reis ging naar White Island, waar destijds de expeditie strandde. Toen Andrée, Strindberg en Fraenkel niet meer verder konden vanwege het ijs dat zich had vastgezet op de ballon die daardoor hoogte verloor, gingen ze te voet verder. Zowel Strindberg als Andrée schreven elke dag in hun dagboek. Strindberg schreef ook brieven aan zijn geliefde Anna, die hij vlak voor zijn vertrek had ontmoet. Hoewel hij dol op haar was, ging Strindberg toch mee op expeditie. Tijdens de barre tocht schreef hij haar elke dag, maar Anna kreeg pas 33 jaar later te lezen hoe haar grote liefde voor zijn leven vocht. Toen zij was gestorven is haar hart uit haar lichaam gehaald en in een klein zilveren doosje bij het graf van Strindberg gezet.

In 1995 werd er nog een lijntje getrokken tussen Eckblad en de expeditie, toen Eckblad tijdens een cruise een man van negentig ontmoette. Hij bleek de zeehondenjager te zijn die de Andrée-expeditie had gevonden.
Eckblad adviseert me ook naar de burgemeester te gaan, een Andrée-specialist maar ook een drukbezet man. Misschien wil hij tijd voor me vrijmaken. Nu is het in Longyearbeyen de gewoonte om overal waar je komt je schoenen uit te trekken, dus sta ik op mijn sokken aan de balie van het gemeentehuis en vraag of de burgemeester tijd heeft. Of ik een afspraak heb. ‘I’m from Dutch television,’ bluf ik. Gelukkig vraagt de vrouw niet verder. Ja, de burgemeester heeft wel even tijd, even later zit ik koffie te drinken op zijn bank. Nu weet ik dat niet elke burgemeester beschaafd, verzorgd, en voorkomend hoeft te zijn, maar dit is wel het andere uiterste. Een eivormig hoofd, een te lange, zwartgrijze baard die er zwerversachtig uitziet, roos op zijn schouders.

Wel heeft hij alle boeken gelezen die over de expeditie van Andrée zijn geschreven en begint te vertellen, maar krijgt het voor elkaar elk spannend detail dodelijk saai te maken. Hoe kan ik hem beleefd duidelijk maken dat hij niet zo’n enthousiasmerende prater is en dat die roos geen fijne beelden oplevert? Intussen ben me erg bewust van mijn sokken, wat mijn gezag geen goed doet. Gelukkig blijkt hij de volgende dag met vakantie te gaan, dus hoef ik niet ingewikkeld te doen.

onderbroek

Longyearbyen

Naast verhalen over Andrée is er ook behoefte aan een ijsbeerspecialist. Birger Amundsen is de man die ik moet hebben. Hij blijkt een eigenzinnig type. Wanneer ik hem bel zegt hij me niet te willen spreken, want gesprekken kunnen dagen duren. Maar een interview kan wel, omdat er dan een goede focus is. Ik krijg een half uur. Hij komt het café binnen, groet me en gaat aan een andere tafel zitten bij mensen die hij kent. Geen excuus of andere verzachtende omstandigheid. Zíjn focus is in ieder geval meteen duidelijk. Hij neemt de tijd, hoewel hij al tien minuten te laat was. Maar als hij uiteindelijk bij me komt zitten, krijg ik de meest fantastische verhalen te horen. Over die keer dat hij onzorgvuldig is, ’s nachts zijn tent open laat staan, wakker wordt en recht in de ogen van een ijsbeer kijkt. ‘Het is een kleine tent, dus was het best dichtbij,’ zegt hij droogjes.

Amundsen blijft onderkoeld, beweegt heel langzaam zijn arm om zijn geweer te pakken, richt tussen de ogen van de ijsbeer en voelt zich iets veiliger. Hij wil het beest niet doden, wacht tot de beer beweegt en er ruimte komt tussen de kop en de tent, zodat hij naar buiten kan schieten. De ijsbeer tuimelt van schrik naar achteren. Hij rent haar achterna – het blijkt een vrouwtje te zijn met twee jongen, wat de situatie nog gevaarlijker maakt. Hij blijft ze achtervolgen, in onderbroek, in de lucht schietend, omdat hij weet dat als hij ze niet ver genoeg wegjaagt, ze terug zullen komen; ijsberen zijn nu eenmaal erg nieuwsgierig. In tegenstelling tot de verhalen van de burgemeester, zie ik nu levendige beelden voor mijn geestesoog.

Amundsen werkt sinds 1973 op Spitsbergen en onderzocht jarenlang het gedrag van ijsberen. Hij weet hoe je je moet gedragen. Eigenlijk zijn er geen regels, misschien een paar, maar er is altijd je eigen reactie die meespeelt. Als je verkeerd reageert kan de situatie heel snel veranderen. Mooi is dat Amundsen het woord ‘ontmoeten’ gebruikt als hij vertelt zo’n honderd ijsberen te hebben gezien. Inmiddels zitten we hier al langer dan het gegeven half uur, en Amundsen is wat mij betreft de ideale man om voor de camera te krijgen. Hij wil zich echter niet laten vastleggen; ik moet bellen en dan zal hij wel zien of hij zin heeft om op te komen draven.

Nadat ik gedurende drie dagen diverse mensen heb gesproken en ik me thuis voel omdat ik word gegroet en iedereen wil weten hoe het gaat, arriveert de crew en monsteren we aan bij kapitein Eirik Strand. Als ik vertel over ijsbeerman, is het commentaar niet van de lucht: hij is arrogant, doet net alsof hij het druk heeft, playing hard to get. Eigenlijk ben ik het daar wel mee eens en begin ik te twijfelen aan mijn inschattingsvermogen. Heb ik me te veel laten meeslepen door zijn verhalen? Is hij niet zo boeiend als ik denk? En toch, hij vertelt fantastisch over zijn expedities en ijsbeerontmoetingen.

De ijsbeerman laat zich toch strikken. Hij komt op zijn mountainbike. Als de mannen van de crew één blik op hem hebben geworpen, haal ik opgelucht adem: als zelfs de mannen onder de indruk zijn van mijn ijsbeerman, wat zou ik dan nog moeilijk doen.

 

spookstad

Schipper Erik

De volgende dag varen we naar Pyramiden, een verlaten Russische mijnbouwplaats, alleen per boot of sneeuwmobiel bereikbaar. Pyramiden had tot 1998 duizend inwoners die werkten voor het Russische staatsbedrijf Arktikugol Trust. Toen de steenkoolvoorraden in het gebied waren uitgeput, trokken de bewoners weg. Het is een spookstad geworden, de inrichting is nog hetzelfde als toen de plek in haast werd verlaten. Momenteel wonen er vijf mensen. Ze bewaken de lege gebouwen en geven rondleidingen aan toeristen.

We leggen aan en schipper Eirik begeleidt ons met zijn geweer in de aanslag. Behalve in Longyearbyen zelf, wordt het sterk afgeraden zonder geweer rond te lopen. De wandeling naar de nederzetting is vervreemdend, het is alsof je op een andere planeet loopt. Het pad dat we volgen is zwart. We komen langs uitkijkposten waarvan de constructie het licht prachtig filtert, in de verte staan ijzeren stellages, containers, loodsen, rails die opeens ophouden, stukken roest en schroot. Er is niemand te zien, totdat een jonge man ons tegenhoudt. Hij wil weten of we toestemming hebben om te filmen. Die hebben we niet. Zonder naar elkaar te kijken of iets te zeggen, gaan we met z’n allen in een kringetje om hem heen staan en vragen hem de hemd van het lijf, zodat de cameraman achter ons gewoon door kan filmen. Het lukt. Dimitri Andreyev, 25 jaar, vertelt vrolijk over zijn werk als gids, hotelmanager en bewaker. ‘Ik wilde een baan waarbij ik mijn Engels kon gebruiken. Ik stuitte op deze vacature, maar was wel bang dat ze me misschien als slaaf zouden gebruiken. Ik werd afgeleverd als cargo. De eerste dag mocht ik een kamer uitkiezen. Ik heb het mooiste appartement gekozen, nu is het hele gebouw van mij. Daarna lieten ze me zien hoe ik het geweer moest gebruiken dat ze me gaven, en hoe ik het moest dragen. In Rusland is het erg belangrijk wat je met een wapen doet.’

Dimitri heeft met veel mensen gesproken die hier hebben gewoond. ‘Ze vertelden allemaal dat deze plek heel fijn was om te leven, er heerste een goede sfeer en het was modern. En er was tv, radio, een concerthal, zwembad en een sportcomplex.’ Tijdens Dimitri’s verhaal komt de helikopter van de governer aan. Hij is degene die ons toestemming kan geven om te filmen. Intussen is de cameraman verdwenen, die staat ergens in de verte schitterende opnames te maken. Dimitri is zo vol van alle aandacht die we hem geven, dat hij niets door heeft. Hij vertelt dat hij nauwelijks contact heeft met de buitenwereld. Er is geen internet. Hij geniet van de plek. ‘Je stapt in een tijdmachine en je wordt twintig jaar teruggezet. In Soviet Union history.’ Wat vindt hij van die Russische geschiedenis? ‘Het is een fact of life, van mijn leven. Het is deel van mij.’

Longyearbyen

ego

Voordat de Andrée-expeditie vertrok, hadden ze al enkele vergeefse pogingen ondernomen. Ze wilden in juni 1896 vertrekken, maar doordat de wind constant uit het noorden kwam, gaven ze het in augustus op. Wij kunnen nu uit eigen ervaring meepraten over de invloed van het weer. Tijdens onze opnamen in Zweden hadden we drie dagen achter elkaar een luchtballon paraat, maar de wind was te hard. In Engeland stond Brian Jones maar liefst vier keer klaar om met O’Hanlon op te stijgen vanuit de tuin van Pelican House, maar helaas was het ook hier het weer dat roet in het eten strooide.

In 1999 waren het Bertrand Piccard en Brian Jones die het als eersten voor elkaar kregen de wereld rond te vliegen. Jones (64) voelt zich in zijn element als hij in de lucht is. Hij verlangt er altijd naar om te vliegen: ‘Er zijn meer pogingen gedaan om rond de wereld te gaan, maar het is ons gelukt omdat we professionals waren, geen passagiers. Richard Branson en Steve Fossett, die in 2003 rond de wereld trachtten te vliegen, probeerden alleen maar een record te vestigen, ze hadden geen passie voor de sport.’ Piccard en hij slaagden omdat ze de uitdaging werkelijk begrepen. ‘Je moet niet tegen dingen vechten die je niet kunt controleren. Je moet accepteren dat je lot in iemand anders zijn handen ligt. Als je veel weet en voorbereid bent op het ergste, dan reageer je snel en professioneel.’

Het was een onwaarschijnlijk mooie ervaring, Jones wordt lyrisch over de verbazingwekkende schoonheid van Noord-Afrika, en dat hij de grootste ballon die ooit is gebouwd na een paar dagen ‘in de vingers kreeg’ was zeer bevredigend. ‘Het is als een paard, plotseling voel je dat je de baas bent.’ Daar stond tegenover dat drie weken met z’n tweeën in een hele kleine ruimte verblijven erg moeilijk is. Gelukkig deelde hij zijn ballon met Piccard en niet met Branson, ‘Stel je de grootte van zijn ego eens voor…’. Op een gegeven moment waren ze ervan overtuigd dat ze dood zouden gaan, want een storm lag voor hen en midden in de Pacific verloren ze het contact met de grond. Als ze naar beneden zouden storten, zouden ze niemand kunnen bereiken. Jones bleef kalm. Hij bedacht verschillende scenario’s om te kunnen overleven. Van tevoren hadden ze er wel over gepraat, over de risico’s, maar in momenten van angst moet je je focussen. Dat focussen moest maar liefst zeven uur lang, want zo lang dachten ze dat ze dood gingen. Na afloop was Jones dan ook erg tevreden over hoe hij tijdens deze crisis had gehandeld. Maar het hoeft voor hem niet per se extreem te zijn, als hij maar kan vliegen. Hij had zich er dan ook erg op verheugd om met O’Hanlon het blauw in te vliegen.

Wat Andrée en zijn mannen probeerden te doen, deed Jean-Louis Étienne 113 jaar later: ‘Je moet sterk genoeg zijn om je droom achterna te gaan. Als je een idee hebt en je gaat het realiseren, dan creëer je iets heel nieuws.’ Étienne weet waar hij het over heeft. Voordat hij in 2010 in zijn luchtballon stapte, was hij vanuit Noord-Canada in 63 dagen met een slee naar het noorden gelopen. Hiermee was hij de eerste man die solo de Noordpool over land bereikte.

Grote delen herinner je je niet meer, die gaan op de automatische piloot. Je hele omgeving is hetzelfde, dus objecten komen tot leven. Ik begon tegen mijn spullen te praten. Ik had een slaapzak die me warm hield, daar zei ik tegen: “Ik vind je heel goed.”

Jean-Louis Étienne

dagboek

Étienne: ‘Ik werd afgezet door een helikopter en ik vroeg aan de piloot waar het noorden was. De piloot zei: “daar,” en wees in de verte’. Étienne begon te lopen. ‘Ik heb de Noordpool met 70 procent van mijn hoofd bereikt in plaats van met mijn benen. Elk uur had ik slechte momenten, maar je denkt aan alles wat positief is en de geest opruimt. Ik besloot bijvoorbeeld op 1 april voor mijn vader te lopen, omdat hij die dag jarig is. Of ik zag een bepaald patroon in het ijs en daar liep ik dan heen. Grote delen herinner je je niet meer, die gaan op de automatische piloot. Je hele omgeving is hetzelfde, dus objecten komen tot leven. Ik begon tegen mijn spullen te praten. Ik had een slaapzak die me warm hield, daar zei ik tegen: “Ik vind je heel goed.” In mijn dagboek klaagde ik, maar dat was voor mijzelf, niet voor de hele wereld. Ik las de dagboeken van Andrée twee keer. Ik ben een keer door het ijs gezakt. Soms is het zo dun, dan lijkt het alsof je op een trampoline loopt.’ Étienne had geen geweer, gelukkig kwam hij geen beren tegen, hij zag alleen hun sporen. De kou was verschrikkelijk, in de tent werd het min vijftig. Hij liep 63 dagen met de modernste spullen. Maar als je dat vergelijkt met de omstandigheden waarin Andrée gedurende drie maanden verkeerde…

De noordpool heeft een sterke aantrekkingskracht op Étienne. ‘Ik bedacht op mijn 64ste dat het tijd werd om mijn andere droom te verwezenlijken: over de noordpool vliegen.’ Dat deed hij in vijf dagen. De derde dag kwam hij langs de pool. Het ziet er daar uit alsof je midden in de oceaan bent, het ijs verandert elke minuut. De vijfde dag landde hij in Siberië. Daar kreeg hij problemen met de Russen, ze werden boos omdat hij niet kon aangeven waar hij zou gaan landen. Maar dat weet je nooit van tevoren. Hij heeft toen drie dagen bij de geheime dienst door moeten brengen.

Op mijn vraag of hij Redmond O’Hanlon zou meenemen zegt Étienne onmiddellijk: ‘Nee!’. Hij schrikt en voegt er snel aan toe: ‘Iemand die ik niet ken, die neem ik niet mee.’