VPRO Gidsartikel 'Stedenbouw van onderaf'

Tegenlicht bericht over het ombouwen van de verloederde Rotterdamse deelgemeente Hoogvliet tot een bruisende stadswijk. Wat vindt NAidirecteur Ole Bouman van het project ‘WiMBY!’?

door Kees Sluys

Het Rotterdamse architectenbureau Crimson Architectural Historians van Michelle Provoost en Wouter Vanstiphout mocht een opmerkelijk stadsvernieuwingsproject vorm geven: de Rotterdamse deelgemeente Hoogvliet ombouwen tot een bruisende stadswijk.

Ole Bouman, sinds ruim een half jaar directeur van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi), heeft zich wel eens commentaar veroorloofd op Crimson, maar fundamentele kritiek op het door hen ontwikkelde project WiMBY! (Welcome into my backyard) in Hoogvliet heeft hij eigenlijk niet. Niettemin plaatst hij in, een wat algemener betoog over de ambities van architecten, stedenbouw(ers) en -planners, een paar kanttekeningen.

Hij doet dat met verve, in lange monologen. Dat hij maar weinig aansporing nodig heeft blijkt wanneer we hem de vraag voorleggen of het niet een tikkeltje eigenaardig is om architectuurhistorici zich te laten buigen over een nieuwbouwproject als Hoogvliet. Bouman: 'De WiMBY!-organisatie afficheert zichzelf als architectuurhistorici, maar dat is natuurlijk ontzettend relatief. Volgens mij stellen ze de historische dimensie in hun werk expliciet centraal. Ze benutten alle opgedane kennis. Ik ben zelf ook historicus, maar dat heeft me nooit belet om me te bemoeien met opgaven voor de toekomst.

In de stedenbouwkundige studies van Provoost en Vanstiphout zie je dat allerlei maatschappelijke aspecten worden meegenomen, ze kijken niet alleen maar naar de fysieke structuur van stadsdelen, maar nemen ook de motieven van de planners in ogenschouw, ze kijken naar het soort bewoners, naar de dynamiek van de verschuivende bevolkingsgroepen, en meer van dat soort zaken. Het zijn dus net zo goed stadssociologen, en het zijn ook politici, want ze proberen draagvlak te vinden voor bepaald trajecten en voor bepaalde strategieën die moeten worden uitgevoerd. Dat soort veelkoppige klussen passen volgens mij uitstekend bij het vak van historicus - opgevat als generalisme.

Maar je moet de architecten, ontwerpers, stedenbouwers en beleidsmensen de kost geven die het probleem vanuit één invalshoek benaderen en het ook uiteindelijk op een eendimensionale manier tot een goed einde proberen te brengen. Vraag een architect om een ruimtelijk probleem op te lossen, en het eerste wat er gebeurt is dat er een volume wordt bedacht waarin die ruimtelijke behoefte een plek krijgt. Een heel directe vertaling van de kennis die een architect heeft.'

LESSEN
Maar wat kenmerkt nu de WiMBY!- aanpak? 'Voor mij is het bijzondere van WiMBY! De "grassroots"-stedenbouw, in combinatie met de noodzaak om een stedelijke vernieuwingsoperatie door te voeren. Die was in Hoogvliet nodig vanwege de sociale problematiek, de veroudering van de woningen, en bepaalde aansluitingsbehoeften bij een wijdere geografische context. Allemaal objectieve redenen om iets aan zo'n wijk te doen. Het experiment zit hem erin dat je daarnaast probeert om van onderop te kijken wat er op ervarings- en gebruiksniveau allemaal te leren valt.

"Grassroots"-stedenbouw is zeldzaam. Meestal wordt er top-down gepland. Hoogvliet had ook bij wijze van spreken in één keer vervangen kunnen worden door iets nieuws. Maar uit de wijze waarop slums ontstaan kun je ook iets leren, of uit de manier waarop nomadenkampen ontstaan. En uit de manier waarop in tuinsteden of andere suburbane omgevingen mensen allerlei dingen naar hun eigen hand zetten. De individuele drive van mensen, daar kun je ook van leren. Dat zijn lessen die heel vaak over het hoofd worden gezien en worden ontkend.

Door de historie toe te laten kun je je afvragen: waarom doen we het eigenlijk zo? Waarom niet anders, en met welke middelen dan? Wel belangrijk is dat het niet bij deze ene keer blijft. Het is, behalve voor de bewoners, totaal nutteloos als Hoogvliet een aberratie blijft, een afwijking van de standaard. Voor de ontwikkeling van het vak heb je daar helemaal niks aan, architectuur is pas echt interessant als je er lessen uit kunt leren. Alles wat we hier op het NAi doen, doen we ook alleen maar omdat je er iets van kunt leren.'

GEDULD
Bouman wil ook nog even wijzen op de factor geduld. Onontbeerlijk voor architecten en stedenbouwers. 'Vaak wordt gezegd: geduld - dat heb je of dat heb je niet. Maar je moet je bewust zijn van het feit dat je zonder geduld nergens bent. En steeds de hoofdlijnen, de hoofdmotieven in de gaten houden en daarvoor vechten, zodat er iets overeind blijft. Dat is iets waar alle bijzondere architectuur in het verleden op gebaseerd is. Vaak gooit men het alleen maar op de bijzondere motieven van de makers, of op een bepaalde filosofie, of op het feit dat de opdrachtgever een excentriekeling was, die iets bijzonders wilde. Maar dat geduld een pijler is van kwaliteit wordt zelden onderkend.'

Hij neemt zijn eigen instituut nog maar eens als voorbeeld. 'Het NAi staat er sinds 1992, maar de strijd om het überhaupt te laten bestaan had al minstens honderd jaar geduurd. Zo lang werd er al gezegd: er moet een plek zijn in Nederland waar de architectuur een huis heeft. Waar architecten elkaar kunnen inspireren, kunnen leren van historische voorbeelden, waar dingen worden getoond, debatten worden gehouden. Er zijn ontzettend veel pogingen gedaan om zover te komen. En nu is het een boegbeeld voor de Nederlandse architectuur, een instituut dat de Nederlandse architectuur ook zelfvertrouwen geeft. Het is iets, het mag er zijn.

Het heeft ook enorm geholpen. Onze architectuur staat ongelooflijk goed op de kaart, Nederlandse architecten zijn in de hele wereld bezig. Dat is ook zo'n voorbeeld van geduld hebben, en niet opgeven.'

Ondanks zijn positieve grondhouding signaleert Bouman wel een impliciet dilemma bij de aanpak van Provoost en Vanstiphout. 'Het problematische van de tijd nemen om allerlei processen in gang te zetten, is dat het tot zwakke vormen leidt. Hoe meer gelegenheid je geeft aan processen, aan de mensen en aan allerlei toevalligheden, hoe minder vorm het heeft. Het nadeel van vorm is dat het dingen vastlegt en oplegt, maar het voordeel van vorm is dat je er makkelijker een les van leert, dat het verhaal makkelijker te verkopen is en dat je het elders ook kunt uitvoeren. Dat het een zekere respectabiliteit geeft aan het ontwerpen. Het feit dat je niet aantoonbaar je specialiteit kunt laten zien, zoals het maken van mooie dingen, of het goed organiseren van objecten in een stedelijke ruimte, maakt ook dat je positie zwakker wordt. Hoe meer je overlaat aan andere krachten, hoe meer je doet aan je eigen marktbederf. Maar soms is dat nodig om op termijn relevant te blijven.'

PUDDING
Een inhoudelijk oordeel over het Hoogvliet-project kan Bouman zich vanzelfsprekend nog niet aanmatigen. 'Ik heb het tot nu toe nog vooral gezien als een rijk van ideeën. Ik ben ontzettend nieuwsgierig hoe die ideeën "landen" en dat gaat nog jaren duren. Het "landen" is de proof of the pudding. Nogmaals, op het niveau van ideeën en de invalshoek, en de volharding en de slimheid - dus van mentaliteit naar strategie naar uitvoering - is het allemaal heel bijzonder. Maar wat daarna komt, of het na de uitvoering verder zichzelf uitvoert? Dat moeten we nog afwachten. Dit project evalueren op dat niveau is domweg nog te vroeg.'

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -- - - - - - - - - - - - -- - - - - - - - - - - - -- - - - - - - - - -
TEGENLICHT: HET NIEUWE BOUWEN
'Als architectuurhistorici zijn wij gewend aan schrijven, denken, onderzoek doen, verslag leggen. Maar op een gegeven moment wil je ook echt het effect zien van de dingen die je bedenkt. En wil je uittesten in de werkelijkheid of het echt zin heeft wat je bedenkt en neem je geen genoegen meer met een rapport dat in een kast of la verdwijnt. Dus dit was voor ons een reality check, een test, of in de realiteit ook onze ideeën en plannen zouden kunnen werken.' Aan het woord is Michelle Provoost in de Tegenlicht-film Het nieuwe bouwen die Rudi Boon maakte over Hoogvliet bij Rotterdam, dat zo'n vijftig jaar geleden door de planners werd uitverkoren om Nederlands eerste modernistische New Town te worden.

New Towns maakten wereldwijd furore en zouden de mensen vrijheid en ruimte geven, en dé oplossing vormen voor de woningnood. Dacht men. Dertig jaar later was Hoogvliet verworden tot een getto.

Provoost en haar collega's van het bureau Crimson Architectural Historians kregen de kans om de saaie, deels afgebroken deelgemeente om te bouwen tot een bruisende stadswijk. Dat probeerden ze op hun geheel eigen wijze: creatief gebruikmakend van 'breukvlakken', 'gelaagdheid', 'rare leegtes' en de 'ingewikkeldheid' die Hoogvliet inmiddels kenmerkte.

Uit: VPRO Gids nr. 41