VPRO Marathoninterview

W.J. 'Molly' Geertsema: uur 3

VPRO Marathoninterview

W.J. 'Molly' Geertsema: uur 3

Een beschaafd gesprek met de 'verschrikkelijke schreeuwman'
Ten tijde van het marathoninterview op 11 juli 1986 was Molly Geertsema Eerste Kamerlid voor de VVD en was hij daarmee naar eigen zeggen nog volop actief in de politiek. Het was wel de laatste fase van een imposante bestuurlijke carrière. Op zijn CV stonden onder meer de functies van burgemeester (van Warffum en Wassenaar), Tweede Kamerlid en fractievoorzitter van de VVD-kamerfractie, minister van Binnenlandse Zaken, vice-premier, Commissaris van de Koningin van Gelderland en dus Eerste Kamerlid. Daarnaast had Geertsema, een workaholic pur sang, een lijst van nevenfuncties en commissariaten, die alle proporties te buiten ging. Hij sliep vier à vijf uur per nacht en werkte ook vooral in de auto op weg van de ene naar de andere vergadering.

Door zijn bulderstem had Geertsema onder journalisten de bijnaam 'de verschrikkelijke schreeuwman' verworven. Die stem werd vooral ingezet als er in het debat onzorgvuldig werd gediscussieerd. Geertsema kon in duidelijke bewoordingen zeggen waar het op stond en trok zich weinig aan van politieke correctheid. Dat ondervond ook interviewer Henk van Hoorn tijdens het vijf uur durende gesprek.

Henk van Hoorn over het marathoninterview met Molly Geertsema:
"Ik vond Geertsema interessant omdat hij een grote rol in de Nederlandse politiek had gespeeld, dus alleen voor de geschiedenisboekjes was het al van belang om hem te interviewen. Dat gebeurde toen nog belachelijk lang, vijf uur of zo."
----------------------------

Biografie W.J. Geertsema

'Molly, de verschrikkelijke schreeuwman'

VVD-politicus, burgemeester van Wassenaar (1961-1971), minister van Binnenlandse Zaken en vice-premier (1971-1973), Eerste (1983-1987) en Tweede Kamerlid (1959-1971, 1973) en Commissaris van de Koningin in Gelderland (1973-1983).

Willem Jacob Geertsema werd door zijn studiegenoten ‘Molly’ gedoopt, een naam die hij de rest van zijn leven voerde. Bij het vaderlandse journaille stond hij vanwege de enorme draagwijdte van zijn stentorstem echter bekend als ‘de verschrikkelijke schreeuwman’. Geertsema was op 11 juli 1986 te gast in het tweede Marathoninterview dat de VPRO live uitzond. Hij stond niet bekend om zijn uitvoerige bespiegelingen. Geertsema was een man van de korte, maar krachtige uitspraken. Een op het oog weinig voor de hand liggende gast voor een vijf uur durend marathoninterview.

Geertsema werd als enig kind geboren uit het huwelijk van bankier Johan Geertsema en Geertruida Drooglever Fortuyn. De familie Geertsema was een liberaal bestuursgeslacht; een hele reeks voorouders had in het parlement gezeten en één had het zelfs tot minister van Binnenlandse Zaken geschopt. Na het Tweede Gymnasium in 1937 te hebben afgerond, ging Geertsema Rechten studeren in Leiden. Tien jaar later, vertraagd door tussenkomst van de Tweede Wereldoorlog, studeerde hij af. Hij was tijdens zijn studententijd actief als praeses van het Leidsch Studenten Corps en van de Nederlandse Studentenraad.

Na zijn afstuderen in 1947 trad Geertsema met kunsthistorica Adolfine Schoonenberg in het huwelijk. Hij werd dat jaar ook lid van de Partij van de Vrijheid, die een jaar later opging in de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Vanaf 1950 zat hij in de gemeenteraad van Leiden. Drie jaar later verruilde hij die functie voor het burgemeesterschap van de Noord-Groningse gemeente Warffum. Geertsema had echter niet al te veel op met het platteland en hield het daar in 1957 voor gezien. Hij werd hoofd van de afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en verkaste naar Den Haag.

Op 20 maart 1959 maakte Geertsema zijn entree in de Tweede Kamer. Maar het kamerlidmaatschap kon hem maar met mate bekoren. Daarom verruilde hij de kamer in 1961 voor het burgemeesterschap van Wassenaar. Tien jaar lang bleef hij zijn functie als parlementariër met die van burgemeester zonder enige moeite, stress of belangenverstrengeling combineren. Geertsema beschikte over een onuitputtelijke energie. Als hij uit de avondvergadering van de Kamer kwam, ging hij naar Wassenaar om stukken door te nemen. Vier à vijf uur slaap per dag was voor Geertsema afdoende.

Binnen de VVD kreeg Geertsema steeds meer invloed. Van 1963 tot 1965 en in 1969 was hij leider van de Tweede Kamerfractie van de VVD. Molly’s bestaan als burgemeester kwam begin 1971 ten einde, toen hij zich als lijsttrekker van de VVD helemaal op de campagne voor de Kamerverkiezingen wilde storten. Hij vertegenwoordigde, misschien wel tegen wil en dank, de linkervleugel van zijn partij. Hij had niets tegen pornografie en werd lid van het COC, omdat hij groot voorstander was van de emancipatie van homoseksuelen. Maar niet in alle zaken was Geertsema even vooruitstrevend. Werklozen moesten niet zeuren als ze werk moesten doen dat ze niet beviel en proberen de hongersnood in Afrika te ledigen was water naar de zee brengen.

Het liefste van alles wilde Molly Geertsema minister van Binnenlandse Zaken worden. Die droom kwam na de verkiezingen in 1971 in vervulling toen hij toetrad tot het kabinet-Biesheuvel, waarin hij ook vice-premier werd. Helaas voor Geertsema was het kabinet-Biesheuvel geen lang leven beschoren. Door onenigheid met coalitiepartij DS’70 kwam er al na een kleine twee jaar een einde aan zijn ministerschap. Het was een grote teleurstelling. Niet alleen omdat hij op zijn beleidsterrein geen doorbraak wist te bewerkstelligen in slepende kwesties, zoals de algemene grondwetsherziening en de reorganisatie van het binnenlandse bestuur en de politie, maar ook omdat opvolger De Gaay Fortman de plannen die Geertsema zelf had geïnitieerd, zoals het vergroten van de slagkracht van het openbaar bestuur door de 12 provincies in vijf landsdelen om te bouwen, al gauw in de la deed verdwijnen.

Geertsema pakte hierna het Tweede Kamerlidmaatschap kort weer op, maar vertrok al op 1 december 1973 naar Gelderland om daar Commissaris van de Koningin te worden. Hij werd ‘kasteelheer’ van het slot Middachten in De Steeg. Daar ging hij voortvarend te werk om het provinciale bestuur te moderniseren en te democratiseren. Toch was hij niet tevreden met zijn nieuwe baan, hij had het er bij lange na niet druk genoeg mee. Daarom nam de lijst aan commissariaten en nevenfuncties in deze tijd buitensporige proporties aan. Zo was hij bijvoorbeeld president-commissaris van de kerncentrale Dodewaard toen er grote maatschappelijke onrust was over de plaatsing van kruisraketten in Nederland. Door de kernactivisten werd hij als belichaming van de atoomlobby gezien. Zo kwamen er een paar vaten ‘radioactief’ in zijn tuin terecht, begeleidt door een spandoek met de tekst: “Voor iedere atoompief een vaatje radioactief”.

Geertsema zelf begon in 1983 aan een carrière in de Eerste Kamer, die tot 1987 zou duren. Daarna trok hij zich terug in zijn Wassenaarse optrekje. Daar stierf hij op 27 juni 1991. De dood van de markante bestuurder werd betreurd. Niet dat hij alleen maar vrienden had, want “zonder mijn brouilles kan ik niet leven.”
--------
Hoogtepunten uit het interview
“Ik kan me niet voorstellen dat luisteraars aan een dergelijk interview veel vreugde beleven”
Oud-minister Geertsema’s komst naar de radiostudio in Het Gebouw van de VPRO ging gepaard met heel wat spierkracht van “potige mannen van de VPRO”. Vanwege zijn astma en longemfyseem kon hij de trappen naar de tweede etage niet te voet bestijgen. De brandweer was een dag eerder gevraagd te komen helpen, maar die verklaarde alleen mensen naar beneden te helpen, niet naar boven. Vervolgens werd de ambulancedienst ingeschakeld om advies te geven over het vervoer van een oudere, gewichtige man per stoel naar boven. ‘Molly’ Geertsema zat net na achten in ieder geval zonder ademhalingsproblemen in de studio, samen met Henk van Hoorn, maar afgezonderd van de rest van de wereld. Geertsema kon zich niet herinneren ooit eerder vijf uur met iemand te hebben gepraat. Journalisten zijn daarbij weinig origineel en stellen altijd dezelfde vragen, aldus de éminence grise van de VVD. “Zo, die zit”, zegt Van Hoorn.

Ook in de rest van het gesprek, dat erg vriendelijk, maar op sommige punten behoorlijk vinnig verloopt, steekt Geertsema zijn minachting voor journalisten “als soort” niet onder stoelen of banken. “Journalisten staan sowieso op een lage trad van de menselijke beschaving.” Hij stoort zich aan de grote mate van eenzijdigheid van de media. Zo zegt hij over Het Parool: “Dat heeft een zekere mate van linkse eenzijdigheid, die krant zal alles wat ik zeg in zijn richting proberen uit te leggen.”

Het gebrek aan privacy als bekende persoonlijkheid breekt Geertsema soms ook op: “Ik heb er niet de neiging toe, maar als ik zou gaan schuinsmarcheren, dan kan dat niet, omdat iedereen dan weet dat ik dan aan het schuinsmarcheren ben. Ook in het buitenland. Er kwam een echtpaar op me af toen ik op een terras in IJsland zat. Ze wilden met mij over politiek praten, waarschijnlijk omdat ze dachten dat ik dat nooit meer doe. Daar heb je dan wel de pest in. Ook in Parijs, waar ik een zoon heb wonen, ga ik wel eens het café in. Laatst kwam er een echtpaar op me af dat met me op de foto wilde. Dan ben ik blij dat er geen blondine naast me zit. Ik kan mij niet veroorloven ergens anders dan thuis door te zakken, waar ter wereld ook.”

De formatie van het kabinet-Lubbers II was een dankbaar gespreksonderwerp voor de heren. Op de coalitie en de onderwerpen in het regeerakkoord werd een groot gedeelte van het gesprek ingegaan. Geertsema’s hart ging vooral uit naar de wet op de gelijke behandeling en de strikte naleving daarvan. “Ik vind het erg als mensen anders behandeld worden op grond van iets waar ze niets aan kunnen doen. Vooral op het gebied van seksuele geaardheid. Al heel lang lid van het COC, hoewel ik zelf niet homofiel ben. Maar om de homofiele medemens te helpen.” Daar kan Van Hoorn zich nog in vinden, maar op andere punten lopen de mening van hem en de rechtlijnige liberaal sterk uiteen. Politici die als commissaris van een bedrijf zaakjes regelen; Geertsema ziet geen enkel bezwaar. De onmogelijkheid van algemeen kiesrecht in Zuid-Afrika – dat toen nog gebukt ging onder het apartheidsregime – omdat de zwarte dorpsbevolking het concept democratie niet snapt: “Veel gekleurde mensen waren ook meer bezig met hun gewassen en hun vee dan met het bestuur van hun land. In Nederland was er ook eerst censuskiesrecht, alleen voor de mensen die al wat om zich heen hadden gekeken.” Van Hoorn valt van zijn stoel van verbazing: “Algemeen kiesrecht is toch een democratisch beginsel? En nu zegt u dat sommige mensen geen recht hebben op een recht omdat ze te weinig verstand van zaken hebben.” “Als je geen weet hebt van een wereld buiten je dorp, dan kun je geen kiesrecht krijgen”, en daarmee was de zaak afgedaan.

Ook het gevaar van de ramp met de kerncentrale van Tsjernobyl, die drie maanden eerder had plaatsgevonden, werd volgens Geertsema schromelijk overdreven: “Als er geen verkiezingen op komst waren geweest, had u rustig spinazie mogen eten.” Toch keek Geertsema na vijf uur met genoegen op het gesprek terug: “Er waaiden geen frisse winden, maar gelukkig ook geen onfrisse in dit gezelschap. Ik kan me alleen niet indenken dat luisteraars aan een dergelijk interview veel vreugde beleven.” Vervolgens horen we hem “nog een glaasje sherry om het af te leren” nemen. De sherry vond hij heel behoorlijk “als je ervan uitgaat dat het medium is”.
-------------------

De interviewer
Henk van Hoorn
"Als hij zoiets nu zou zeggen zou hem dat zijn kop kosten. "
"Ik heb als journalist bij de parlementaire redactie Den Haag Vandaag vaak kortere gesprekken met Geertsema gevoerd, hoewel hij Den Haag al snel verliet, toen ik er kwam. Hij vertrok toen naar Gelderland om daar Commissaris van de Koningin te worden. Ik vond Geertsema interessant omdat hij een grote rol in de Nederlandse politiek had gespeeld, dus alleen voor de geschiedenisboekjes was het al van belang om hem te interviewen. Dat gebeurde toen nog belachelijk lang, vijf uur of zo. Ik weet nog dat hij in een stoel naar boven gedragen moest worden, omdat hij een zwakke gezondheid had. Een paar krachtige mannen gebruikten de ambulancetruc. Achteraf vraag ik me af waarom we niet op de begane grond hebben uitgezonden, maar het idee was toen om het interview in een ruimte te houden die totaal van de buitenwereld afgesloten was, met geblindeerde muren en zo."

"Hij ging al snel tot de aanval op de media over en daar kun je eigenlijk niets aan doen. Dat hoeft ook niet, want anders wordt je meteen zo in die aanval betrokken. Ik was het misschien ook best met hem eens, wat de eenzijdigheid van sommige kranten en journalisten betreft. Ik heb zelf ook vaak kritiek geleverd op de pers. Je kan er dan wel op ingaan, net als op andere kwesties waar je het niet mee eens bent, maar daar schiet je natuurlijk niet zoveel mee op."

"Ik wist wel ongeveer hoe hij over Zuid-Afrika dacht. Ongelofelijk, dat was vier jaar voor Mandela vrij kwam. Als hij zoiets nu zou zeggen [Geertsema acht de zwarte dorpsbevolking nog niet rijp voor democratie] zou hem dat zijn kop kosten. Maar het was 1986 en hij was zeker niet de enige in de VVD die er zo over dacht. Dat was toch een behoorlijke conservatieve club."

"Ik heb me niet verveeld tijdens het interview, het is altijd alleen zo vervelend dat je de antwoorden van te voren niet weet, haha. Het interview ging waarschijnlijk wel heel erg over politiek. Het was misschien een beetje saai. Ik vind dan wel dat er tegenwoordig teveel op het privé-leven wordt ingegaan, maar ik zou er nu toch een ander gesprek van gemaakt hebben. Meer privé-zaken aan de orde gesteld hebben, omdat je er zo toch achter komt wat iemand beweegt. Dat had bij Geertsema ook wel gekund, als je maar weet hoe je dat aan moet pakken, via slinkse wegen. Maar in 1986 kon dat echt niet. Ik wilde er ook geen twistgesprek van maken. Dat is natuurlijk leuk om naar te luisteren, maar inhoudelijk schiet je daar niet veel mee op."