Het Spoor Terug

Italiaanse immigranten in Nederland 1900-1988 2: De immigratie na de Tweede Wereldoorlog

Het Spoor Terug

Italiaanse immigranten in Nederland 1900-1988 2: De immigratie na de Tweede Wereldoorlog

Laatste van een tweeluik over Italiaanse immigranten in Nederland in de periode van 1900-1988.
In dit deel de immigratie na de Tweede Wereldoorlog.
Schoorsteenvegers, granietwerkers en ijsbereiders. Dat waren de beroepen die uitgeoefend werden door de Italianen die voor de Tweede Wereldoorlog naar Nederland kwamen.
Ook een paar politieke vluchtelingen (mensen die vluchtten voor het regime van Mussolini) vestigden zich in ons land. Tot 1943 waren ze officieel bondgenoten van de Duitsers. Daar kwam een eind aan met de val van Mussolini in september 1943.
Veel Italianen waren bang dat ze na de oorlog door de Nederlanders als collaborateurs zouden worden beschouwd, maar bijltjesdag bleef uit voor de Italianen omdat ze als groep te klein waren en omdat ze zich niet echt met de Duitsers hadden ingelaten. Die kleine tot middelgrote Italiaanse middenstand boerde niet slecht in Nederland. Een tweede en soms al derde generatie is opgegroeid en praktisch geheel geïntegreerd in de Nederlandse samenleving.
Interviews met o.a. Dedalo Carasso zoon van de gevluchte Italiaanse antifascist en beeldhouwer Fred Carasso.

Inleidende teksten:
Tekst 1 Vandaag in Het Spoor deel twee van een tweeluik over Italiaanse immigratie in Nederland. Vandaag: de immigratie na de Tweede Wereldoorlog.
Tekst 2 Schoorsteenvegers, granietwerkers en ijsbereiders. Dat waren de beroepen die uitgeoefend werden door de Italianen die voor de Tweede Wereldoorlog naar Nederland kwamen. Ook een paar politieke vluchtelingen (mensen die vluchtten voor het regime van Mussolini) vestigden zich in ons land. Het is het verhaal dat we vorige week vertelden in het eerste deel van dit tweeluik over de Italiaanse immigratie. Het gros van de Italianen hier was apolitiek - noch fascist noch antifascist - en alleen door de verwikkelingen in hun oude vaderland gedwongen zich met politiek bezig te houden. Tot 1943 waren ze officieel bondgenoten van de Duitsers. Daar kwam een eind aan met de val van Mussolini in september 1943 - nog midden in de oorlog dus. Veel Italianen waren bang dat ze na de oorlog door de Nederlanders als collaborateurs zouden worden beschouwd, maar bijltjesdag bleef uit voor de Italianen: en omdat ze als groep te klein waren en omdat ze zich niet echt met de Duitsers hadden ingelaten. Die kleine tot middelgrote Italiaanse middenstand boerde niet slecht in Nederland. Een tweede en soms al derde generatie is opgegroeid en praktisch geheel geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Typische Hollanders met namen als Dedalo Carasso:
Tekst 3 Dedalo Carasso, zoon van een gevluchte Italiaanse antifascist waarvan we vorige week het verhaal vertelden. Na de oorlog waren de Italianen de eerste gastarbeiders die naar Nederland kwamen. De schoorsteenvegers, de granietwerkers en de ijsbereiders kwamen zonder uitzondering uit het noorden van Italië en werkten zich vrij snel op tot kleine zelfstandigen. De gastarbeiders komen meer en meer uit het zuiden van Italië, vooral van de eilanden Sardinië en Sicilië. Ze werken in de Limburgse mijnen, in de textiel, bij hoogovens.
Tekst 4 Het 'Centro Italiano di Heerlen' op een zaterdagmiddag. Er wordt Tresette gespeeld, een geliefd Italiaans kaartspel. Net als hun Nederlandse collega's zijn de meeste Italiaanse mijnwerkers werkloos geworden na de mijnsluiting. Een enkeling, zoals Wito Maggio, heeft het geluk gehad werk in Duitsland te vinden. We vragen hem hoe hij indertijd in Nederland terecht is gekomen.
Tekst 5 Op het Nederlandse wervingsbureau in Milaan waar Maggio werd aangenomen werkte toen de heer Moree. De voorwaarden waar de gastarbeiders aan moesten voldoen waren simpel: jong, in de kracht van hun leven en recht van lijf en leden. De Italianen hadden, komend uit een EEG-land, een voorkeursbehandeling. Toch werd er al vrij snel elders gezocht: in Spanje, later in Marokko en Turkije. De heer Moree:
Tekst 6 Fortunato Pescarolo kwam in de jaren vijftig naar Nederland. Hij komt uit de buurt van Padua waar polenta, een maïspap, het hoofdbestanddeel van het voedsel was, zeker voor de armere bevolkingsgroepen. Hij heeft in Limburg in de mijnen gewerkt, tot de mijnsluiting. Hij woont nog steeds in een van die typische mijnwerkerswoningen in Heerlen. We zoeken hem daar op en luisteren naar zijn verhalen over vroeger. Op zijn schoot een kleindochter die meeluistert. Opa Fortunato was een van de eerste gastarbeiders die naar Nederland kwamen. Voorwaarde was toen dat je niet alleen jong, sterk en gezond moest zijn maar ook: ongehuwd. De jonge mannen werden in groepen ondergebracht in oude internaten, kloosters of geïmproviseerde barakkenkampen:
Tekst 7 De mijnsluiting is een drama geweest in het leven van Fortunato Pescarolo. Hij wordt nog steeds razend als hij vertelt over hoe het allemaal gegaan is. Over de gastarbeiders zegt hij: "We zijn hierheen gehaald als domme werkkrachten, we moesten alleen handen en vooral geen hersens hebben, maar toen de mijnen dichtgingen kregen we dat als verwijt te horen. Er zijn volop beloften gedaan bij de sluiting van de mijnen maar daar is niets van terechtgekomen.
Tekst 8 Imelda Tappeiner, zij werkt op het Nederlands Centrum Buitenlanders in Utrecht, was daar redactrice van het Italiaanse blad 'La Strada', maar dat is inmiddels zijn subsidie kwijt. Volgens de Nederlandse overheid is de integratie van Italianen in de Nederlandse samenleving nu wel voltooid en zijn dergelijke eigen informatiekanalen niet meer echt nodig.
Tekst 9 Met de tweede generatie gaat het goed, met de eerste generatie aanzienlijk minder. Vorig jaar verscheen een rapport van drie jonge Italiaansen die al jaren in Nederland wonen, getiteld 'Is jouw vader ook een pizzabakker'. Ze concluderen daarin dat de integratie van de eerste generatie, de oude gastarbeiders, een mythe is. Ze spreken de taal nog steeds slecht , op de maatschappelijke ladder zijn ze er niet op vooruitgegaan, ze zijn afhankelijk van hun merendeels Nederlandse vrouwen in huwelijken die vaak op springen staan. Ze verlangen meer en meer terug naar hun geboortestreek, maar zijn uitgesloten van allerlei remigratiemogelijkheden. Ze voelen zich in de steek gelaten door zowel de Nederlandse als de Italiaanse autoriteiten. Nog even terug naar het Italiaanse centrum in Heerlen, naar Wito Maggio, die na de mijnsluitingen werk vond in Duitsland.
Tekst 10 Eén Italiaan reageerde boos op het verschijnen van het rapport 'Is jouw vader ook een pizzabakker'. "Gezeur," vond-ie het, "over de aanpassingsproblemen van oude Italiaanse arbeiders." Zijn verhaal is dan ook onderdeel van de successtory van de Italiaanse middenstand. Figaro Pasquale is herenkapper, maar door die term zou hij zich beledigd voelen. Hij heeft geen zaak maar een salon annex kunstgalerie, hij heeft geen klanten maar vrienden, die - naar men fluistert - na behandeling een blanco cheque achterlaten. Hij is een instituut in Amsterdam en heeft een heel eigen visie op de immigratie.
Tekst 11 Tonino Boniatti, sinds 15 jaar in Nederland, was tot vorig jaar werkzaam bij Migranten-TV Amsterdam - tot daar de afdeling Italiaans werd opgeheven. We kijken naar een van de documentaires die hij maakte over Italiaanse immigranten in Nederland.
Tekst 12 Het imago van Italië is veranderd en verandert nog steeds. Dat heeft ook zijn weerslag op de Italianen die in ons land wonen. Was het vroeger het clichébeeld van pizza, spaghetti, messentrekkers en maffia, nu overheerst het beeld van een land dat het máákt. Enzo Lo Cascio, docent Italiaans aan de universiteit van Amsterdam over die veranderingen:
Tekst 13 Een extra dimensie. Maar toch ook: een vaag maar knagend gevoel van gemis, zelfs voor de meest succesvolle immigrant. Nog eenmaal Tonino Boniatti en Enzo lo Cascio.