steun vpro

De wolf

Hassan Blasim

'De wolf' is het eerste verhaal uit de bundel Lijkententoonstelling van de Iraaks-Finse Hassan Blasim. Dat verhaal lees je hier bij VPRO Boeken.

Angst heeft ook een geur, zoals jullie weten.
   Hij verspreidt een geur van gerookte vis en als hij praat sproeit er speeksel uit zijn mond.

‘Het gebeurde afgelopen winter. Ik kwam terug van een van mijn wandelingen door het centrum van de stad. Ongedwongen wandelingen met als doel om “voedsel te sprokkelen”, zoals we dat in ons land zeggen. Ik verzamelde alles wat ik kon vinden in de schaarse, afgelegen bars: een vluchtig gesprek, een snelle wip, een gratis biertje, een joint, een anarchistische discussie over politiek, een ruzie met een andere dronkenlap en kansen om anderen te provoceren, met als excuus dat ik dronken was, puur voor mijn plezier. Het ging erom dat de dag nog een sprankje menselijkheid had, snap je, al stelde het nog zo weinig voor. Zo leerde ik op de dag dat de wolf verscheen een jonge buitenlandse vrouw kennen. Een ongeluksdag was het. Geloof jij dat gezichten onheil kunnen brengen? Soms kom je een gezicht tegen dat lijkt op een droombeeld. Jij hebt de fantasie van een kunstenaar, dus het zal jou geen moeite kosten te begrijpen wat ik bedoel. Nee toch? Jullie kunstenaars zijn net boeren die dromen verbouwen op hun akkers. Vind je dat leuk? Ja, ik geloof meer in dromen dan in God. Dromen komen bij je binnen en gaan weer weg, en dan komen ze terug, met nieuwe vruchten, maar God is niet meer dan een uitgestrekte woestijn. Stel je eens voor dat een Indiase schilder in Delhi op dit moment werkt aan iets wat tegelijkertijd voorkomt in de droom van een man die in Texas ligt te slapen. Oké, fuck. Maar ben je het met me eens dat alle kunst op deze manier bij elkaar komt? En de liefde en de wanhoop misschien ook wel. Als een dichter in Finland bijvoorbeeld over eenzaamheid schrijft, dan kan zijn gedicht de droom zijn van iemand die op een andere plek ergens in de wereld ligt te slapen. Als er een speciale zoekmachine voor dromen zou zijn, zoiets als Google, dan zou iedereen ze kunnen terugvinden in kunstwerken. De dromer voert één of meer woorden uit zijn droom in in de droomzoekmachine, en er verschijnen honderden hits. Hoe nauwkeuriger de zoektermen, hoe dichter hij zijn droom benadert en uiteindelijk zal hij te weten komen of zijn droom een schilderij, een muziekstuk of een zin uit een bepaald toneelstuk is. En hij zal ook weten uit welk land zijn droom komt. Ach, weet je, misschien is het leven… Oké… Fuck…

Die jonge vrouw had een afstotelijk gezicht – alsof het urenlang was bewerkt met de naald van een elektrische naaimachine. Er zaten tientallen minuscule gaatjes in haar huid. Ze vertelde me dat ze Spaans was, maar vijf  minuten later zei ze dat haar moeder Egyptisch was en haar vader Fins. Ze kende maar drie Arabische woorden, die allemaal te maken hadden met geslachtsorganen of godslasteringen, waaronder het woord “shit”. De slet dronk drie glazen bier op mijn kosten en ging daarna in een donker hoekje zitten wachten. Waar wachtte ze op, denk je? Vast op een andere boerenlul die bereid was zijn euro’s aan haar te spenderen. Ik had honger en voelde me uitgeput. Ik verloor twintig euro aan de gokautomaat. Voordat ik het etablissement verliet, stak ik met een spottend, theatraal gebaar mijn hand op naar het meisje met het onheilsgezicht en riep, alsof ik een grote menigte toesprak: “Leve het leven!”

Onderweg naar huis kon ik het gezicht van dat meisje niet uit mijn gedachten krijgen. Ik had de indruk dat ik haar lang geleden had ontmoet op een of andere straatmarkt ergens in het land. Ik weet niet waarom ik me voorstelde dat ze, gehuld in een zwarte abaja, groene en rode pepers zat te verkopen, maar ik weet zeker dat er op die dag wel drie of vier slechte voortekenen samenspanden om me in de problemen te brengen.

Luister… Je zult niet geloven wat er is gebeurd. Ik trok, zoals altijd als ik mijn flat binnenkom, al mijn kleren uit. Ik was al op weg naar de badkamer, toen ik hem vanuit de zitkamer op me af zag stormen. Ik stoof de badkamer in en sloot de deur achter me, alsof ik de engel des doods had gezien. Maar het was een wolf. Ik zweer het je, het was een wolf. Jij zult wel zeggen dat het waarschijnlijk een hond was… Toen ik door het sleutelgat keek, zag ik hem niet. Ik stond te trillen als een rietje. Een paar minuten lang heerste er een beangstigende stilte. Nadat ik nog een paar keer door het sleutelgat had gekeken, wist ik zeker dat het een wolf was. Eerst hoorde ik hem hijgen, vervolgens zag ik hem bij de voordeur aan mijn broek en mijn ondergoed snuffelen. Daarna ging hij teleurgesteld naar de deur van de badkamer zitten kijken.

Een wolf midden in de stad, en dan nog wel in zo’n rustig flatgebouw én uitgerekend in míjn flat! Ik ging op de toiletpot zitten en begon na te denken: ik was de enige die een sleutel had van het appartement. Bovendien woonde ik op de vierde verdieping. Oké, laten we aannemen dat hij via het balkon naar binnen is gekomen, dan blijft het nog steeds een raadsel, want de deur van de zitkamer naar het balkon is altijd gesloten. Ik plaste zonder dat ik aandrang had. Ik zat als verlamd op de toiletpot, naakt, en ondertussen zat er een wolf in mijn appartement. Wat was dit voor waanzin?

Ik begon mezelf verwijten te maken en uit te schelden. Waarom kleedde ik me, zodra ik mijn appartement binnenkwam, altijd uit als de eerste de beste hoer? Als ik mijn mobiele telefoon bij me had gehad, had ik de politie kunnen bellen en was alles nu al voorbij. Wat was ik voor een strontzak? Een werkloze zuiplap, die langs de bars zwierf om zijn kostje bij elkaar te scharrelen, dat was ik. En ten koste van wie? Van mislukkelingen, die niet minder verdorven waren dan ik. Van mensen bij wie de nieuwe wereld van glitter en glamour het tapijt onder de voeten had weggetrokken. Zoals die dikke vrouw van eind dertig, die op zoek was naar een snelle wip met een vluchteling die geen nagel meer had om zijn kont mee te krabben. Wij, die geen aantrekkelijke, strakke billen hebben, maar alleen een poepgat. Fuck.

Zelfs het meisje dat ik overdag had ontmoet, die met dat pokdalige gezicht, was niet op mijn avances ingegaan. Ze was naar een ander tafeltje verhuisd, in afwachting van een geschiktere ploert. Als ze mijn uitnodiging om te neuken had aangenomen en met me was meegegaan naar mijn appartement, dan had ik kunnen vluchten en de politie of de buren kunnen bellen. Misschien had de wolf haar dan opgegeten. Maar welke wolf? Nee, dat was onmogelijk. “Of er zit ergens een weeffout in de reeks feiten, of het is een hallucinatie,” zei ik tegen mezelf in de spiegel.

Ik keek nogmaals door het sleutelgat. De wolf lag nog steeds op zijn plek. Over een paar uur al zou de ochtend aanbreken. Ik bedacht dat iemand zich de volgende dag ongerust zou maken over mijn afwezigheid. Maar natuurlijk was dat een belachelijk idee, alleen om mezelf valse troost te geven. Ik leef immers al jaren alleen en ken alleen het uitschot in de eenzame bars, dat net als ik wat geld probeert te bietsen. En als ze niets vinden, keren ze terug naar hun smerige bedden om te worden opgevreten door de nacht en hun verdriet. De enigen die op mijn deur zouden kunnen kloppen, waren Jehova’s getuigen. Maar die waren al een tijdje niet meer opgedoken. Misschien waren ze wanhopig geworden omdat ik altijd de spot dreef met hun Heer. Er was een tijd dat ze me bedolven onder hun tijdschriften. Er was één tijdschrift dat ik leuk vond, vanwege de wanhopige pogingen om wetenschappelijke ontdekkingen te verbinden met Bijbelverhalen. Ik kreeg regelmatig bezoek van twee knappe meisjes van de Jehova’s getuigen. Geprikkeld door mijn zieke geest ontving ik ze altijd hartelijk. Als ik een serieuze relatie met hen zou aangaan, zou het weleens kunnen uitlopen op een hete vrijpartij, dacht ik. Stel je voor: twee meisjes van de Jehova’s getuigen, naakt, in mijn bed. Dat de een aan mijn lul zou zuigen en de ander haar kutje aan mijn tong zou aanbieden, terwijl ze een passage uit het heilige boek voorlas. We spraken over allerlei dingen. Wat mij vooral opwond, was dat de Jehova’s getuigen, net als de joden, tegen bloedtransfusie zijn. Ik plaagde hen door te zeggen dat bloed lekker was, dat het vampierenvoedsel was. Ik vertelde hun over het belang van bloed:

“De directeur van het Centrum voor Bio-ethiek van de Universiteit van Pennsylvania zegt met wetenschappelijke koelheid dat bloed voor de medische zorg net zo belangrijk is als olie voor de vervoerssector. Terwijl er jaarlijks biljoenen tonnen olie worden gewonnen om in de behoefte aan brandstof te voorzien, worden er ongeveer negentig miljoen eenheden bloed onttrokken aan vrijwilligers om de mensheid te redden. Die hoeveelheid komt overeen met het bloed dat door de aderen van ongeveer acht miljoen mensen stroomt. Desondanks schijnen de bloedvoorraden niet voldoende te zijn. Net als olie. Er wordt voortdurend gewaarschuwd voor een tekort.”

Deze cocktail van wetenschappelijke kennis, of om precies te zijn, mijn aanmatigende geklets, had als doel dat de Jehova-meisjes zouden denken dat ik in mijn eigen land een belangrijk man was geweest, voordat ik naar Finland was gekomen, waar niets meer uit mijn handen kwam. Ik vertelde hun dat ik hebraist was en dat ik geheime rapporten voor het ministerie van Defensie en de inlichtingendienst had vertaald. Om mijn beroep nog wat opwindender te maken, verpakte ik de informatie in spannende avonturen en politieverhalen. Ik heb lang met ze gepraat en mijn fantasie de vrije loop gelaten in ons gesprek, en ik wisselde serieuze opmerkingen af met grapjes. Soms wierp ik vragen op, die ik zelf beantwoordde, terwijl de meisjes als vredesduiven zaten te glimlachen, alsof ze rechtstreeks uit de hemel waren neergedaald.

“Maar wat als er een dodelijke epidemie uitbreekt in de wereld en alle mensen nieuw bloed nodig hebben?”

Voordat het oudste meisje het antwoord kon raden, zei ik als een expert in de genetische wetenschap: “Het is zeker dat er dan een nieuwe wereldoorlog uitbreekt, maar toch is er geen reden tot paniek, want als er een oorlog om bloed wordt gevoerd, zal dat – denk ik – een schone oorlog zijn, waarin het gebruik van alle traditionele en geavanceerde wapens verboden zal zijn, zelfs van fruitmesjes. De strijd zal lijken op American football en de soldaten zullen lichte sportkleding dragen. Het heeft immers geen zin om een oorlog te voeren waarin zinloos bloed vloeit, in een tijd waarin de wereld juist behoefte heeft aan bloed. Daarom zal er geen genade zijn voor soldaten die zich van wapens bedienen. Maar wat zou dat dan voor een oorlog zijn? Fuck. Het doel van de strijdende legers zal zijn om een zo groot mogelijk aantal soldaten van de vijand gevangen te nemen. De soldaten zullen slaags met elkaar raken en elke kant zal proberen het grootste aantal vijandige soldaten gevangen te nemen en in vrachtwagens te laden die in de achterste linies staan te wachten. Het zal de laatste oorlog zijn en hij zal pas eindigen als de laatste mens zijn bloed heeft gegeven. De kooien met de gevangen soldaten zullen in vrachtwagens worden vervoerd naar bloedbanken, die het bloed eerlijk onder de burgers zullen verdelen.”

Maar ik dwaal af… Word je duizelig van mijn geklets? Fuck! Oké. Ik stond dus trillend en bevend tegen mezelf te praten: “Die wolf, mijn god! Die wolf!” Hij bewoog niet van zijn plek. Hij ging niet eens naar de keuken om iets te eten te zoeken. De enige bewegingen die hij maakte terwijl hij daar als versteend voor de badkamerdeur zat, was aan mijn ondergoed ruiken en daarna met bloeddorstige ogen naar de deur kijken. Natuurlijk was het een stom idee van me geweest om uit het bos te komen en terug te keren naar het stadsleven. Het kwam door die vervloekte, bloedzuigende muskieten! Wist je dat de vrouwtjesmuskiet zich voedt met mensenbloed, terwijl het mannetje alleen het sap van planten en bloemennectar drinkt? Ik had meer dan vijf maanden in het bos geleefd. Overdag viste ik in het nabijgelegen meertje en ’s avonds vertaalde ik een interessant boek over de oorsprong van de Hebreeuwse taal. Ik was gelukkig met mijn afzondering en met de giften van de natuur, die me de wereld van de mensen deden vergeten. En ik dronk rode wijn, met mate. Maar het rampzalige was dat geen van de zalfjes waarmee ik mijn gezicht en mijn lichaam insmeerde, de aanvallen van de muskieten kon tegenhouden. Hoe kon ik tot rust komen als de muskieten de hele dag boven mijn hoofd zwermden als het aureool van Christus op oude schilderijen? ’s Avonds drongen de vrouwtjesmuskieten door de lakens heen als pantservoertuigen, en zogen gretig mijn bloed op. De huisbaas dreef de spot met me, toen ik hem over de muskieten vertelde. Die moesten dan wel erg dol op me zijn, zei hij. Uiteindelijk werd mijn muskietenleed bekroond met ernstige buikkrampen. Volgens de arts lag het aan mijn dieet. Ik moest meer groenten eten. Hij zei ook dat ik beter terug kon gaan naar de stad en me onder de mensen begeven. Het was duidelijk dat mijn maag ook te lijden had onder een teruggetrokken leven. Uit zijn woorden maakte ik op dat de manier waarop ik over mezelf sprak niet normaal was. Kortom: eigenlijk bedoelde hij dat ik een psychiater nodig had. Oké… Meestal ben ik een goede verstaander en weet ik goede raad op waarde te schatten. Maar deze keer hield ik me alleen aan het eerste deel van het doktersadvies en keerde ik terug naar de stad, waar ik me mengde onder het gespuis in de afgelegen bars. Zonder drank heeft de wereld een stierenvechter nodig. Met alcohol is de wereld een komedie die alleen maar behoefte heeft aan meer clowns. Fuck.

In de badkamer lagen alleen een handdoek en bergen vuile sokken en onderbroeken. Ik was uitgeput en ik had het koud. Ik wist zeker dat mijn gast nog steeds op zijn plaats zat. Ik nam een warme douche en begon weer te piekeren over de situatie. Als ik vijanden zou hebben, dan zou het misschien logisch zijn om te denken dat een vermeende vijand de wolf naar mijn appartement had gebracht. Maar hoe kun je een wolf naar iemands appartement brengen zonder de hulp van een medewerker van de dierentuin en zonder een auto die speciaal is uitgerust om wolven te vervoeren? Misschien was het een tamme wolf, een soort hond. Of misschien was ik gek geworden en beeldde ik me dit alles in. Is het aannemelijk dat een weldenkend mens gelooft wat ik je vertel? Ga nu niet zeggen dat jij me gelooft. En toch was het een wolf, dat zweer ik bij Jehova en al zijn volgelingen en engelen. Een echte wolf. Misschien had de arts gelijk!

Ik bedekte mijn lichaam met de handdoek en viel in een diepe slaap op de stapel sokken en ondergoed. Toen ik wakker werd, had ik een zware hoofdpijn die als een razende bulldozer door mijn hersenpan ploegde. Het moet rond het middaguur zijn geweest. De waanzin, die net zo onvoorstelbaar is als de rest, wilde dat de wolf nog steeds op dezelfde plaats zat. Shit! Had hij dan geen honger? En waarom zat hij daar zo verstijfd als een sfinx? De gedachte aan eten gleed mijn hersenpan binnen als een stroompje kwikzilver. Ik schrok en slaakte een luide kreet. Zou ik gevangenzitten in deze badkamer tot ik omkwam van de honger? Tenzij de wolf als eerste zou sterven... Het is bekend dat wolven honger beter kunnen verdragen dan mensen, maar ik had water in de badkamer, terwijl hij niets zou hebben aan de kraan in de keuken. Maar dan zou hij misschien sterven van de dorst en ik van de honger. Nee… In de keuken stond een pan soep op tafel. Ik wist niet of hij soep van de vorige avond wel lekker zou vinden. Meestal lag er ook nog wat brood, mocht hij daar trek in hebben…

Overvallen door een zware paniekaanval begon ik op de deur te bonzen en om hulp te roepen. Nu en dan keek ik door het sleutelgat naar de reactie van de vervloekte wolf. Waar waren de buren? Waren er bij hen ook wolven binnengedrongen? Nee, nee, het was ondenkbaar dat ik hier in de badkamer van de honger zou sterven. Ik had nog liever dat hij me verslond dan op deze afschuwelijke manier aan mijn einde te komen. Ik probeerde voortdurend voor de spiegel mijn angsten te peilen. Misschien moest ik de strijd met hem aangaan en misschien zou hij me dan alleen verwonden en zou ik kunnen vluchten. Zelfs als hij mijn arm zou afrukken, zou dat beter zijn dan dat ik zou wegrotten in deze badkamer. Ik besprenkelde mijn gezicht met water en poetste langdurig mijn tanden, terwijl ik gedurende ruim een kwartier mijn gezicht bestudeerde. Scheldend en tierend schopte ik tegen de muur. Toen kreeg ik een idee. Waarom zet ik de deur niet open en gooi ik de handdoek naar buiten? En dan zien wat er gebeurt. Maar wat als hij meteen opspringt en jij niet kunt vluchten, dappere jongen? Ik ondernam een nieuwe schreeuwronde, begon weer tegen de muur te slaan en gooide er shampooflessen tegen kapot. Nogmaals ging ik uitgeput op de wc-bril zitten. Ik vouwde mijn handen in een kommetje en dronk water uit de wastafel. Toen barstte ik in huilen uit. Ik liet me op de koude vloertegels vallen en kromp ineen, gedreven door een religieuze drang om van deze aardbol te verdwijnen.

Laat in de avond van de tweede dag besloot ik een einde te maken aan deze komedie. Of hij zou mij opvreten, of ik hem. Ik voelde een sterke innerlijke kracht, gevoed door wraak. Ik zou die onbeduidende, laffe wolf verscheuren. Ik zou hem in stukken snijden en zijn vlees roosteren, inclusief zijn kop. Fuck! Langzaam deed ik de deur van de badkamer open. De wolf schoot overeind. Ik begon met alle kracht die ik in me had te rennen en stormde op hem af. Het laatste wat ik me herinner, is dat de wolf op me afsprong…

Er hing een kille, beangstigende duisternis. Een doffe duisternis. Het enige wat me hielp was mijn herinnering aan wat er in die laatste minuten was gebeurd, hoewel mijn pogingen om te volharden en te wachten op Gods genade werden verlamd door de angst dat mijn lichaam zou verdwijnen. Alles wat ik weet, is dat er, wanneer je sterft, geen draad van je geheugen overblijft en geen enkel besef van het leven dat je hebt geleid; dat is in tegenspraak met de situatie waarin ik verkeerde, ondanks het feit dat de dood, als het absolute niets, slechts een veronderstelling is en niet meer dan dat. Ik wilde om hulp roepen, maar ik wist niet waar mijn mond was en zelfs niet hoe ik een kreet moest slaken. Wat was het mechanisme, wat was de beweging die ik in werking moest stellen om te kunnen schreeuwen? Hoe zou ik erachter kunnen komen waar mijn voeten zich bevonden en hoe zou ik mijn haar kunnen vinden als ik het wilde aanraken? Was ik dood? Maar het echte probleem van de duisternis is niet dat je niet meer weet hoe je een beweging moet maken. De echte ramp is dat je in de oceaan van duisternis de middelen verliest om het uit te voeren. Je weet hoe je moet kijken, maar je beschikt niet over de instrumenten die het kijken mogelijk maken. Tegelijkertijd had ik het gevoel dat ik nog steeds bestond op een plek op deze wereld. Als een kleine druppel bewustzijn. Ik weet niet hoelang dit heeft geduurd. De kleine druppel werd groter en de sensatie van mijn warme huid en mijn ademhaling kwam langzaam terug, in een traag ritme dat geleidelijk sneller werd.

Kennelijk had ik mijn hoofd tegen de rand van de kleine commode gestoten, waarna ik het bewustzijn had verloren. Ik bloedde een beetje. Er was geen wolf meer te bespeuren in het appartement, het leek alsof hij in rook was opgegaan. De buitendeur was gesloten; alleen de deur van de badkamer was open. Ik trok een overhemd aan en pakte mijn mobiele telefoon uit de zak van mijn broek, die op de grond lag, dicht bij de plek waar de verdwenen wolf had gezeten. Enigszins op mijn hoede liep ik door de kamers. Behalve ikzelf was er niemand in huis. Ik ging op de rand van de bank zitten en zette de televisie aan: een herhaling van de Oscaruitreiking. De acteur Brad Pitt had zijn arm om het middel van Angelina Jolie geslagen en vertelde hoe gelukkig hij was met de prijs. Ik had besloten dat ik zou terugkeren naar het bos en de confrontatie met de muskieten zou aangaan, in plaats van ze te beschouwen als enge krokodillen. Fuck... Dit is het laatste glas dat ik met je drink. Ik moet zeggen, je bent een merkwaardige kerel. Misschien lijk je wel een beetje op me. Je kunt verdacht goed luisteren. Ik denk dat je… Oké… Misschien nog één glas voor ik wegga… Fuck… Ik weet niet eens hoe je heet. Ik ben Salmaan.’

‘Hassan Blasim. Aangenaam.’