Is het aan ontwerpers om zich over onze toekomst te buigen en de wereld te verbeteren? Ontwerpers Piet Hein Eek en Koert van Mensvoort over de wereld van vandaag en morgen.

Ruim twintig jaar geleden studeerde hij af met wat zijn handelsmerk zou worden, ver voordat het überhip werd: een meubel van sloophout. Verantwoord en duurzaam geproduceerd. Als het gaat om het voorvoelen van de tijdgeest heb je aan ontwerper Piet Hein Eek dus een goeie. Tegenover hem: kunstenaar en filosoof Koert van Mensvoort. Hij gebruikt design om onze technologische toekomst ‘voor te voelen’ en er discussie over te entameren. Onderwerp van gesprek: het thema van de Dutch Design Week, Now Future.
 

spruitjes

Koert van Mensvoort: ‘Ik zie in de ontwerpwereld veel nostalgische bewegingen. Bouwen met sloophout is daar een voorbeeld van. Ik vind dat vreemd in een tijd dat onze wereld zo radicaal en snel verandert. Elke ochtend word je wakker en heb je het idee dat je drie maanden in coma hebt gelegen, zo snel gaan veranderingen tegenwoordig. De afgelopen jaren is de ov-chipkaart ingevoerd. Fascinerend. Op de route naar mijn perron staat ineens een paaltje dat helemaal niet past bij de architectuur van het station, een technologische laag gedrapeerd over de bestaande wereld. De verantwoordelijken: ingenieurs, technici. Een categorie mensen die zeer dominant is in onze leefwereld en daar allerlei interventies in pleegt. Dat gaat nogal onbeholpen, met horten en stoten. Wat een ontwerper naar mijn idee kan doen, is zorgen dat er humaniteit in die technologische interventies wordt gebracht. Omdat ontwerpers generalisten zijn met zintuiglijke sensibiliteit in hun werkset. Veel systemen worden puur om de technologie geïmplementeerd. Designers kunnen er menselijkheid in brengen. Maar die staan er naar te kijken en zetten nog een pan met spruitjes op.’
 

rijpingstijd

Piet Hein Eek: ‘Juist omdat alles zo snel verandert, willen we comfort en nostalgie. Van vormgevers wordt op een ongewoon vunzige manier verlangd dat alles steeds maar weer nieuw is. Dat gaat voorbij aan duurzaamheid. Als je een product goed wilt ontwikkelen, heb je rijpingstijd nodig. Vroeger maakte een ambachtsman honderd keer dezelfde kast om hem te vervolmaken. Maar het hedendaagse publiek wil op de Salone di Mobile ieder jaar een compleet nieuwe collectie.’

Voor het Dutch Design Jaarboek schreef Van Mensvoort een vlammend betoog. Het is crisis en de designers van nu leiden ons terug naar grootmoeders tijd, ver weg van de boze wereld van verandering, met meubels van sloophout, handgedraaide kleden en vergeten groenten op een met kalkkrijt beschreven menubord, hekelt hij. ‘Ontwerpers mogen niet blijven hangen in de cocon van leuke tafels en stoelen maken,’ vindt hij. ‘Als ik hier het terrein van Piet Hein op kom, ervaar ik dat als een heerlijke omgeving. Maar ik denk dat zijn kwaliteiten zich ook prima zouden verhouden tot technologische veranderingen waar we nu mee bezig zijn. We hebben behoefte aan innovatieve nostalgie: refereren aan het verleden en transformeren naar een nieuwe setting.’

Hoe ziet dat er uit, wat levert dat concreet op?
PHE: ‘Gewoon, juist hoe het vroeger was.’
KvM: ‘Nee, juist niet. Je hebt nu bijvoorbeeld biologische en industriële landbouw – dat wordt als tegenstelling gepresenteerd. Maar ik zie het wel voor me dat je slimme robotjes krijgt die zaaien en oogsten volgens biologische processen zonder bestrijdingsmiddelen. Ga je op grootmoeders manier landbouw bedrijven, dan zijn je producten niet te betalen, zoals nu vaak in de organic store. Maar met een concurrerend proces met robots heb je straks de kwaliteit van grootmoeder betaalbaar voor Henk en Ingrid. Wie zijn we, waar komen we vandaan, wat zijn onze tradities en hoe kunnen we dat transformeren naar een nieuwe wereld? – dat zijn essentiële vragen nu.’
PHE: Elke keer als we de toekomst proberen te voorspellen, zitten we ernaast. Niemand kan bevroeden wat er gaat gebeuren. De samenleving word door technologische innovatie juist ouderwetser. Tien jaar geleden was er bijna geen goede bakker meer te vinden, al het brood kwam uit de fabriek. Nu heb je weer bakkers. Waarom? Omdat mensen goed brood willen. Waarom kan die bakker dat brood weer maken? Omdat hij overal online zijn gist en andere spullen kan kopen, hij is helemaal geoptimaliseerd door moderne technologie. Per week worden er barrières geslecht door technologische innovatie, inefficiënte tussenhandel wordt er door internet uit gesloopt. Je kunt nu veel beter op een ouderwetse manier leven dan twintig jaar geleden.’
KvM: ‘Ik zie die beweging ook, maar die bedient vooral de upper middle class. Ik kan dat goede brood van de bakker betalen, een heleboel mensen moeten het doen met fabrieksshit en magnetronmaaltijden. Ik vind dat ontwerpers Henk en Ingrid te weinig cateren. Ik wil me ook tot hen verhouden door bijvoorbeeld culturele kwaliteit te injecteren in de wereld van Unilever.’
PHE: ‘Dat zou goed zijn, in hun bestuur zou je twee of drie creatieven moeten zetten.’

Waarom zit u nog niet in zo’n bestuur dan, in plaats tafels en stoelen te timmeren?
PHE: ‘Veel ontwerpers kunnen al lang niet meer hun brood verdienen met alleen maar ontwerpen, die hebben al nevenfuncties op dit soort plekken. Mijn ambitie was het bedrijf opzetten dat ik nu heb. Nu zou ik best een half jaar bij Philips willen zitten. Die hebben geen cohesie en maken reclame in waar ze niet goed in zijn. Let’s make things better, zeggen ze. Maar ze maken niet de beste spullen. Sense & sensibility, adverteren ze. Maar hun consumentenelektronica blinkt uit in gebruiksonvriendelijkheid. Marketing, reclame, prijsstelling, productontwikkeling – het hoort allemaal vanuit één gedachte gemaakt te worden. Maar dat bedrijf heeft nooit een generalist in hun board gehad. Dat geldt overigens voor bijna alle grote bedrijven. Onze samenleving wordt geleid door directeuren en ceo’s, bijna altijd fiscaal of technisch onderlegde mensen. Autisten, want die opleidingen zijn heel specifiek. Maar alle problemen bij elkaar beschouwen vanuit een en dezelfde filosofie, dat doen ontwerpers. Vormgevers worden gezien als mensen die het uiterlijk van dingen bepalen, het ontwerpen van een jasje. Maar ontwerp is een van de weinige beroepen waar alle aspecten die van belang zijn – van het eerste idee tot aan de consument – worden meegewogen, de hele cyclus. Het zijn bij uitstek mensen die de wereld beter kunnen maken.’

Ontwerpen om de wereld te verbeteren heet tegenwoordig ‘social design’. Wanneer is een ontwerper ‘sociaal’?
PHE: ‘Dit is typisch weer een modern labeltje voor iets dat volkomen vanzelfsprekend is. Sociaal besef is een component die iedere ontwerper altijd in alles meeneemt. Social design is van alledag. Rietveld maakte stoelen vanuit een sociaal besef dat minder rijke mensen ook een goede en mooie stoel moeten kunnen hebben.’

Heeft de wereld niet genoeg spullen?
PHE: ‘Ja, dat klopt. Ik vraag het me mijn hele leven al af. Ik wil de wereld verbeteren, maar ik maak tafels en stoelen. Onlogisch. Word dan dokter. Maar ik ben een maker, ik wil dingen bouwen. Als klein jongetje was ik al aan knutselen. Mensen worden blij in een mooie bijzondere omgeving, ze voelen zich gelukkig wanneer er bepaalde objecten staan en er een bepaalde kleurstelling is – een vruchtbare bodem om tot goede prestaties te komen en op andere gedachten te komen. Daarnaast: je moet het ook gewoon leuk hebben. In de prehistorie gingen mensen op de rotsen schilderen, omdat ze ook gewoon een fijne omgeving wilden.’

Moet design in een wereld met een overdaad aan spullen en zoveel systeemcrisissen onderhand niet over iets anders gaan? Over alternatieve infrastructuren bijvoorbeeld?
KvM: ‘Ik gebruik design om kunst en filosofie te materialiseren, zet het in om culturele reflectie te bewerkstelligen. Zoals een roman of een film een uitspraak kan doen over onze leefwereld, kan design dat ook. Met design kun je abstracte speculatieve dingen heel fysiek en concreet maken. De eerste hamburger van kweekvlees is deze zomer gepresenteerd. Een paardloze wagen, als je het mij vraagt, wat de eerste auto in feite was. Maar nieuwe technologie gaat andere producten en andere eetculturen opleveren. Wat zal de kwaliteit daarvan zijn? Wat voor producten gaat het opleveren? Dat moeten we bepalen voordat we ermee verder gaan. Op dit moment slaapwandelen we onze technologische toekomst in.’
PHE: ‘Ik doe precies het tegenovergestelde. Mijn bestaansrecht is de praktijk en een pragmatische benadering. De wereld van nu in plaats van de wereld van morgen. Als iemand zijn brood kan verdienen met futuristisch denken: prima. Een ontwerper mag zich alles toe-eigenen en moet over alles een zinvolle mening kunnen vormen. Maar je moet niet denken dat je door na te denken over kweekvlees een ontdekking zult doen over hoe het zal worden in de toekomst. Het zijn gedachtenspellen. Ik wil mijn brood verdienen met het maken van producten die voor een relatief goede prijs geïmplementeerd kunnen worden. De essentie voor mij is roeien met de riemen die ik heb. Ik heb materiaal liggen en een bepaalde machine en dan probeer ik er het uiterste uit te halen.’

Koert van Mensvoort, u roeit liever met de riemen die u nog niet hebt?
KvM: Ja, want ik wil niet achter de veranderingen aan hobbelen. We co-evalueren met technologie, maar terwijl we denken dat technologie ons dient, is het vaak andersom. Ik wil dat de balans de menselijke kant uitslaat en daar wil ik aan bijdragen. Ik voel de urgentie.’