Begin 2014 kreeg de jonge journalist en historicus Rutger Bregman in VPRO Tegenlicht een uur lang de gelegenheid om de invoering van een zogeheten basisinkomen te bepleiten. Hoe staat het er vijf jaar later voor?

Gratis geld voor iedereen, het boek over het basisinkomen dat Rutger Bregman in 2014 publiceerde, was een internationaal succes. Hij heette ‘duizelingwekkend erudiet’ (Le Monde) en werd ‘het Nederlandse wonderkind’ genoemd (The Guardian). Niet zelden gold de lof vooral de bravoure van die jonge gast. Want dat basisinkomen was natuurlijk onbetaalbaar. Dat Bregman tal van experimenten opvoerde waarin duidelijk werd dat invoering van een basisinkomen juist geld kan opleveren, door lagere zorgkosten en betere schoolresultaten, overtuigde niet iedereen.

Het neemt niet weg dat inmiddels sprake is van een groeiende interesse voor het idee. De stagnerende middeninkomens, de groeiende kloof tussen arm en rijk, de angst voor robotisering; het speelt allemaal op de achtergrond een rol, zegt Bregman, evenals de opmars van populistische partijen en de terugkeer van de autoritaire leider. ‘Het enige wat je tegenover nostalgie kunt zetten, tegenover dat verlangen naar vroeger toen alles beter was, is hoop: het zicht op een radicaal betere samenleving.

Als zij met radicale ideeën komen, moet jij dat ook doen. Ik denk dat de mondiale elite zich nu begint te realiseren wat er op het spel staat, dat je niet kunt vasthouden aan de status quo, dat je iets moet proberen. Ik word nu ook uitgenodigd op plekken waar je dat echt niet verwacht, zoals bij het World Economic Forum in Davos. In Silicon Valley wordt er veel over gesproken, en binnen de Democratische Partij in de VS, de Engelse Labour Party.

Nutteloze klasse

Maar dat betekent niet dat overheden staan te popelen om het basisinkomen in te voeren. Een van de obstakels is het begrip zelf, denkt Bregman. ‘Er  kleeft toch een stigma aan, zo van: oh, links gaat weer gratis geld uitdelen. Terwijl er juist goede liberale argumenten voor het basisinkomen bestaan. De titel van mijn boek was natuurlijk ook rampzalig. Als ik had geweten dat ik er nu nog steeds over moet praten, had ik er wel beter over nagedacht. In plaats van basisinkomen kun je het ook over ‘burgerschapsdividend’ hebben. Dat klopt ook met de oorspronkelijke filosofie erachter: dat alle land en natuurlijke hulpbronnen van ons allemaal zijn en degenen die daar een claim op doen de rest van de bevolking een vergoeding moeten betalen. Het is geen gunst, geen uitkering. Het is gewoon dividend. Iedereen heeft recht op een aandeel in het land. Noem het ‘durf­kapitaal voor de gewone man’. Want dat is het ook echt: een financiële basis die je de vrijheid geeft om een bedrijfje te beginnen, om een nieuwe richting in te slaan.’

Het basisinkomen lijkt een simpel idee, zegt Bregman, maar als je de implicaties ervan gaat doordenken, merk je dat echt alles wordt losgewrikt: hoe we werk definiëren, wat waardevol werk is, wat vooruitgang is. Hij wijst op een recent onderzoek in 48 westerse landen waarin naar voren komt dat een kwart van de bevolking twijfelt aan het nut van z’n baan. ‘We maken ons heel druk om een werkloosheidspercentage van acht procent tijdens de crisis, vanwege de uitkeringen, maar ondertussen hebben we een hele nutteloze klasse, zit 25 procent van de bevolking gevangen in bullshitjobs, en die mensen verdienen veel meer dan zo’n uitkering. Ik zou willen dat we meer nuttig werk gaan doen. Veel daarvan zal on­betaald zijn. Het zou geweldig zijn als die nutteloze klasse die nu in al die kantoren zit te verpieteren, en e-mails zit te sturen aan mensen aan wie ze een hekel hebben of rapporten tikt die niemand leest, meer tijd heeft voor de opvoeding, voor mantelzorg.’

Maartje ter Horst

'Het basisinkomen is in feite ook een universele stakingskas. Je kunt immers altijd stoppen met werken.'

Rutger Bregman

Marktwerking

Ideeën over wat waardevol en wat minder waardevol werk is, zullen vanzelf gaan schuiven, zegt Bregman. ‘Het basisinkomen is in feite ook een universele stakingskas. Je kunt immers altijd stoppen met werken. Mensen die onmisbaar werk doen – leraren, verplegers, schoonmakers – zullen veel meer onderhandelingsmacht hebben. Hun lonen zullen dus stijgen terwijl mensen met bullshitjobs er iets op achteruit zullen gaan. Marktwerking zal ervoor zorgen dat de lonen veel beter de sociale waarde van iemands werk reflecteren. Dat lijkt me wel een mooie samenleving eigenlijk.’

Die universele stakingskas zal niet iets zijn waar de gemiddelde ondernemer erg blij van wordt, lijkt het. Maar het basis­inkomen is juist een door en door liberaal idee, benadrukt Bregman. ‘In het torentje van Mark Rutte hangt een portret van oud-premier Pieter Cort van de Linden. Dat was een klassieke liberaal. Hij vond dat mensen moeten werken voor hun geld, iets moeten bijdragen. Hij had de pest in wanneer mensen niets voor hun geld hoefden te doen, leefden van inkomen uit erfenissen, van grondprijsstijgingen die eigenlijk gerealiseerd zijn door de gemeenschap. Burgerschapsdividend betekent dat iedereen een beetje durfkapitaal heeft, om een bedrijf te beginnen, de vrijheid heeft om nieuwe dingen te proberen. Dat is knetterliberaal, knetterrechts. Liberalen hullen zich tegenwoordig in de taal van de meritocratie, in de taal van “werken voor je geld”, maar in werkelijkheid is het een rentenierspartij geworden.’

‘Nou ik ben er een,’ antwoordt Bregman op de vraag waar de echte liberalen dan zijn gebleven, ‘ik wil de VVD’er overtuigen dat de echte VVD’er Rutger Bregman heet en dat zij nog dolende zijn, maar dat ze terug kunnen komen naar het echte liberalisme.’

En we moeten ook niet doen alsof het nou zo vreselijk radicaal is, zegt Bregman. ‘Je kunt met een relatief klein burgerschapsdividend beginnen, en dat financieren uit een volkomen onverdachte bron, uit een co2-belasting bijvoorbeeld. Dan krijg je een co2-dividend. Je koppelt de grootste uitdaging van deze tijd, klimaatverandering, aan de grootste belofte van deze tijd: burgerschapsdividend. Waar wachten we nog op?’