Alledaagse armoede in Dicksioni

Anton de Goede ,

Dick Wittenberg en Jan Banning zijn de winnaars van de VPRO Bob den Uyl Prijs 2008. Binnen is het donker, buiten is het licht is hun ‘kroniek van het naakte bestaan in een Afrikaans dorp’. Een gesprek met fotograaf Banning.

In Binnen is het donker, buiten is het licht beschrijft Dick Wittenberg een jaar uit het bestaan van het dorp Dickisoni, een doorsneedorp in Malawi. Hoe is het leven in alledaagse armoede zoals dat voor de helft van de wereldbevolking normaal is? De kracht van het vorig jaar verschenen boek, nu bekroond met de VPRO Bob den Uyl Prijs 2008, wordt voor een belangrijk deel bepaald door de foto’s van Jan Banning die voor zijn aandeel in dit project inmiddels ook al de Dick Scherpenzeel Fotoprijs kreeg en een eerste prijs in het kader van De Zilveren Camera.
Fotograaf Jan Banning (1954) maakte diverse boeken, waaronder Sporen van oorlog, en publiceert in vele binnen- en buitenlandse media. Het nu bekroonde boek is voortgekomen uit verschillende reportages die in M, het kleurenmagazine van NRC Handelsblad zijn gepubliceerd. In mei 2005 verbleven Wittenberg en Banning voor de eerste keer in Dickisoni, op 3 september 2005 luidde het omslagverhaal van M ‘Het gezicht van de armoede’. Banning: ‘Die eerste publicatie maakte zo’n zeshonderd reacties los. Een van de foto’s, plus Dicks verhaal bij die foto, heeft toen het leven van iemand hier in Nederland ingrijpend veranderd. Je ziet een droevige vrouw die vijftien kinderen kreeg waarvan er elf zijn overleden, haar man is eveneens overleden. De vrouw houdt zich zelf mentaal overeind doordat ze kinderen in het dorp leert dansen. Dat heeft op tenminste één lezeres zo’n indruk gemaakt dat zij besloot haar werk bij een sjiek managementbureau in te ruilen voor een baan bij Granny International, een club die zich met bejaarden in vooral de Derde Wereld bezighoudt. Het gebeurt je niet vaak dat een foto zo’n impact heeft.’
 

Fremdkörper
Zowel Wittenberg als Banning keerden terug naar het dorp. Wittenberg zou er over nog drie artikelen schrijven, Banning was na die eerste keer nog lang niet uitgefotografeerd. Aan het boek liggen de eerdere reportages ten grondslag. Banning: ‘Op de foto’s die ik tijdens het tweede verblijf in het dorp maakte duikt iets heel mafs op. Wij waren geweest in mei, en M kwam uit in september. Rond het weekend waarin de Nederlandse abonnees het blad op hun deurmat vonden, reed onze tolk op zijn gammele fiets over de zandpaadjes naar Dickisoni, om daar een pak met vijftig stuks van de glossy M, met een foto van een van de dorpelingen en de titel “Het gezicht van de armoede” op het omslag, plus een stapel groepsfoto’s en portretten aan de dorpelingen te brengen. Inmiddels had de lezersactie in Nederland zijn invloed niet gemist. De dorpelingen waren voorzien van kunstmest en van voldoende maïs om ze tot de komende oogst in leven te houden. En dat terwijl ons eerste bezoek puur journalistiek van opzet was, we waren gekomen om te observeren en niet in te grijpen.
Bij de visites in de hutjes zag ik nu, tijdens het tweede verblijf, her en der een exemplaar van het magazine, een van mijn groepsfoto’s of portretten of een tijdens de eerste sessie gemaakte polaroid. Bij het fotograferen van de tweede serie kwamen die soms in beeld. Om het beeld “authentiek” te houden, had ik nu moeten ingrijpen en zulke Fremdkörper moeten verwijderen. Maar de aanwezigheid ervan gaf eigenlijk perfect weer welke impact onze aanwezigheid in Dickisoni had gehad – een beeldender, minder letterlijke en daarmee subtielere metafoor dan de zakken kunstmest die men met het geld van de NRC-lezers had aangeschaft. Gevolg van deze eigen aanwezigheid in de foto’s was een ondermijning van het in de journalistieke fotografie zo gangbare fly on the wall principe. Hier was niet een onzichtbare fotograaf die een leven vastlegt dat zich geheel onafhankelijk van zijn aanwezigheid afspeelt, maar de sporen van de fotograaf zijn opeens op de foto beland. Er was sprake van een bizar Droste-effect. Dat blad is daar echt een rol gaan spelen. De dorpsbewoners hebben dat M-magazine in hun bezit en ze hebben zó weinig spullen dat het een groot percentage van hun bezittingen uitmaakt.’
 

Flets
Het boek is prima ontvangen en wint nu de VPRO Bob den Uyl Prijs 2008. Wat klopt er van het verhaal op foto-site Photoq.nl dat Banning zelf ontevreden is over zijn uitgever, Atlas?
Banning: ‘Uitgevers zijn vaak charlatans. Ik heb de doe-het-zelf uitgeverij Ipso Facto ooit opgericht uit onvrede met uitgevers waar ik mee te maken had gehad. Precies op die dingen waar ik destijds commentaar op had stuitte ik nu weer. Bij fotografie is de druk erg belangrijk. Dat kost geld en dat betekent dat je vaak achter externe bronnen aan moet. Memisa, waar men ons project geweldig vond, wilde vijfduizend euro stoppen in een betere kwaliteit van het papier en het afdrukken van de foto’s. Uiteindelijk wordt wel Memisa bedankt voorin het boek, maar het geld is nooit voor dat doel aangewend. De papierkeuze die nu gedaan is, glossy-aandoend papier, is verkeerd. Het papier heeft nu niets met de inhoud te maken. En de foto’s zijn niet sterk weergegeven en drukken bovendien door. Als je de NRC-bijlage M ernaast legt, zie je een enorm verschil; dát heeft diepte en intensiteit. In het boek zijn de foto’s flets, het is vlak, het heeft een veel te lomp raster. De door mijzelf aangedragen vormgever heeft vaak gebeld naar Atlas om de productieman daar te pakken te krijgen, maar er werd steeds niet op gereageerd. Als het geld van Memisa was gebruikt, had de verkoopprijs geen cent hoger hoeven uitvallen.’
 

Spelen
‘Wat me het meest bij bleef van Dickisoni was dat ons van alles werd gevraagd over het Mmagazine door de inwoners, die het tijdschrift nauwkeurig hadden bestudeerd. Om dat we woonden in het dorpje hebben we veel met ze kunnen bespreken. Ook de foto’s, ook de advertenties. Al hebben zij geen idee wat een advertentie is.
Achter in die M gaat het over Olympische Spelen voor mensen met een orgaandonatie. Je ziet een olympisch zwembad waar je, voor ons volstrekt duidelijk, een elleboog uit het water ziet komen en een badmuts, dus daar is een zwemmer, tribunes vol, mensen die juichen. Even verder staat een foto van iemand met een enorm litteken over zijn buik, daar is eerst een orgaan uitgehaald, en vervolgens een ander weer ingestopt. De dorpelingen vroegen ons: “Wat is dit? Waar gaat dit over?” Wij vroegen: “Wat denken jullie dat hier gebeurd is?” Na een tijdje dachten ze dat ze er uit waren gekomen. Je moet je indenken, het is een dorpje met een beekje met tien centimeter water in de goeie tijd. Dus een zwembad is geen duidelijk begrip en badmutsen al helemaal niet. Goed, ze waren er toch uitgekomen: Er was een monster – dat waren die vin die uit het water stak en dat witte schedeldak – en dat monster had allerlei mensen aangevallen, vandaar die foto met die littekens. En nu was men erin geslaagd om dat monster ergens binnen te lokken, in een groot bassin, en al die lui aan de kant gingen nu dat monster afmaken. Dat moest opgeruimd worden. Geweldig toch, hoe je zo gewezen wordt op de verschillen tussen meerdere werelden! Fotografie een universele taal? Vergeet het maar!