steun vpro

Boeken

Amanda Maxwell & Stephen Vizinczey

'Als ik dat had geweten' is het debuut van de Nieuw-Zeelandse schrijfster Amanda Maxwell. Een verhalenbundel over jongeren die vol verwondering en verwachting door het leven gaan. In 'Loflied op de rijpe vrouw' voert de Hongaarse schrijver Stephen Vizinczey de verteller András Vajda op, die zich wenst te verrijken met de wijsheid en warmte van rijpere vrouwen.

Als ik dat had geweten is het debuut van de Nieuw-Zeelandse schrijfster Amanda Maxwell. Een verhalenbundel over jongeren die vol verwondering en verwachting door het leven gaan. Jongeren die opstandig, ongeremd, roekeloos, belachelijk en dapper kunnen zijn, of misschien zelfs al die dingen tegelijkertijd, omdat de toekomst er is, als een soort vangnet.

Amanda Maxwell werd geboren in Singapore en verhuisde naar Nieuw-Zeeland toen ze twee jaar was. Haar vader was marinier, door zijn werk groeide ze in verschillende plaatsen in Nieuw-Zeeland op. Ze was een fanatiek surfster, zoals veel jongeren daar. Door het surfen besloot ze oceanografie te studeren, met als specialisatie oceaan -en zandstromen. Om antwoord te krijgen op de vraag die veel surfers bezig houd: hoe ontstaan golfen?

Toen ze het ouderlijk huis verliet vertrok ze naar Australië. Door het zonnige klimaat had ze verwacht dat de mensen er gelukkiger zouden zijn. Maar dat beeld klopte niet. De temperatuur dwingt mensen juist om binnen te blijven, liefst met de gordijnen gesloten. De zinderende hitte heeft een isolerend effect op het leven in Australië. Het is diezelfde hitte die in veel verhalen uit de pagina’s opstijgt.

In zestien korte verhalen wordt het complexe gevoelsleven van jongeren beschreven, vaak onhandig balancerend tussen jeugd en volwassenheid. Soms zijn ze vijftien, soms twintig, vaak zijn ze eenzaam, onzeker of verward. Veel verhalen zijn min of meer plotloos. Het gaat om de sfeer, de dialoog, het neerzetten van een ongemakkelijke maar vaak herkenbare situatie.

Veel jonge mannen geloven dat alleen jonge meisjes hun iets waardevols te bieden hebben als het om de liefde gaat. In Loflied op de rijpe vrouw voert de Hongaarse schrijver Stephen Vizinczey de verteller András Vajda op, die zich wenst te verrijken met de wijsheid en warmte van rijpere vrouwen. “Om te proberen naar bed te gaan met iemand die net zo onbedreven is als jijzelf, lijkt me ongeveer net zo verstandig als in het diepe springen met iemand die net als jij ook niet kan zwemmen.”

András Vajda groeit op in een door oorlog verscheurd Hongarije. In 1935, als hij twee jaar oud is, wordt zijn vader doodgestoken. Sindsdien woont hij alleen met zijn moeder. Lezen en schrijven leert hij in een franciscanenklooster. De levendigste beelden van zijn vroege kinderjaren zijn de wekelijkse partijtjes van zijn moeder, een woonkamer vol vrolijke vrouwen met de geur van hun parfums. Vrouwen die hij terloops kon aanraken als ze zijn moeder kwamen opzoeken.

In de zomer van 1943 bereikt de oorlog westelijk Hongarije, waarna hij door zijn moeder naar een militaire school bij de Oostenrijkse grens wordt gestuurd. Tegen het einde van de oorlog, nog voordat hij twaalf jaar is, wordt hij ‘verbindingsman’ voor de levering van Hongaarse prostituees in een Amerikaans legerkamp bij Salzburg. In de zomer van 1946 verlaat hij Oostenrijk en trekt weer bij zijn moeder in, die inmiddels naar een flatgebouw in Boedapest is verhuisd. Daar moet hij het stellen met tienermeisjes. Er zijn geen hoeren meer om over te peinzen. Zijn ontmoetingen met jonge meisjes lopen op mislukkingen uit.

In het flatgebouw woont ook een echtpaar van middelbare leeftijd, Béla en Maya Horvath, bij wie hij boeken mag lenen. “Balzac, Stendhal, Tolstoj – die kunnen je veel vertellen over hoe mensen over de dingen voelen en denken,” zegt Maya tegen András. (In de essaybundel Waarheid & leugen in de literatuur beschrijft Stephen Vizinczey uitvoerig zijn bewondering voor deze schrijvers). In de boeken leest András dat vrouwen dikwijls aangetrokken worden door de onhandigheid en onervarenheid van een jongeman. Hij besluit om zijn onwetendheid aan Maya op te biechten. Zij is degene die hem uiteindelijk alles van de liefde leert. Na Maya volgen er meer liefdesavonturen met oudere vrouwen.

Na de Hongaarse opstand in 1956 vlucht hij op drieëntwintigjarige leeftijd naar Italië. Via een tussenstop in Canada belandt hij in de Amerikaanse staat Michigan waar hij als filosofieprofessor aan de universiteit gaat werken. Terugkijkend op zijn jeugd beseft András Vajda dat zijn avonturen aanzienlijk verschilden van die van andere jonge mannen. Zijn memoires draagt hij op aan de vrouwen die hij heeft liefgehad, de vrouwen die hem tot man hebben gemaakt.