steun vpro

Boeken

Jan van der Vegt & Jan Bleyen

Jan G. Elburg (1919-1992) was een dichter en beeldend kunstenaar die tot de Vijftigers werd gerekend. Jan van der Vegt schreef een biografie van Elburg: ‘De man met de drietand’. En in het boek ‘Doodgeboren’ vertelt de Vlaamse historicus Jan Bleyen de geschiedenis van kinderen die buiten de baarmoeder geen leven hebben gekend.

Biograaf en schrijver Jan van der Vegt schreef De man met de drietand, een biografie over dichter, beeldend kunstenaar, copywriter en wapenverzamelaar Jan G. Elburg. Het is een fors werk geworden en telt een kloeke 528 pagina’s. Dat is niet zo vreemd, want in het leven van het lid van de Vijftigers gebeurde ontzettend veel. Elburg was bijvoorbeeld, naast zijn hierboven al genoemde functies, ook verzetsheld, soldaat, laborant en docent aan de Rietveldacademie.

De man met de drietand wilde prikkelend zijn. Enigmatisch bijna. En vernieuwend. Hij wordt wel de grootste surrealist van de Vijftigers genoemd. Elburg werd in 1919 geboren in Wemeldinge in Zeeland en groeide op in Amsterdam-Noord. Hij werd laborant, en vocht in de meidagen van 1940 in de buurt van Zutphen tegen de SS. Van deze korte tijd bleef hem het meest indringende beeld van de gehele oorlog bij; het naakte feit dat, wanneer je iemand van dichtbij beschiet, diegene een gaatje en een klein rood plekje op zijn borst krijgt dat groter en groter wordt. Na de capitulatie keerde hij terug naar Amsterdam en zette zijn werk als laborant evenals zijn strijd tegen de bezetter voort. Het een vanzelfsprekend boven- en het ander ondergronds. Als laborant leverde hij grondstoffen voor springstof, die hij verborgen hield in zijn eigen huis, aan het verzet.

Elburg publiceerde vanaf 1941 gedichten en kwam in 1948 in contact met de Nederlandse experimentele groep Cobra. In deze periode begon hij ook met het schrijven van experimentele, op verandering van de poëzie gerichte gedichten. Tevens begon hij rond 1948 met het maken van beeldende kunst. Met dat laatste trad hij maar mondjesmaat naar buiten. De laatste jaren ontstaat er meer en meer waardering voor met name Elburgs surrealistische collages. Na de korte Cobra-tijd ontwikkelde Elburg zich tot een van de belangrijkste Vijftigers, een groep kunstenaars onder wie Remco Campert, Bert Schierbeek en Lucebert, die zich afzette tegen de kunstopvattingen van hun voorgangers. Binnen de beweging van de vijftigers stond niet het weten, maar de ervaring centraal. 'Denken met tong en handen,' noemde Elburg dit.

Van der Vegt bracht geruime tijd te midden van Elburgs nalatenschap door en trof daar behalve een uitgebreide wapen- en dranketikettenverzameling en vele voorbeelden van Elburgs reclamewerk ('Echte boter', 'Het pientere pookje'), ook nog ongeveer honderd ongepubliceerde gedichten aan. Tevens vond hij een enorme hoeveelheid losse tekeningen die ooit bestemd waren voor bundeling in een boek. Om de vele tot nu toe ongeziene werken, objecten en gedichten van Elburg aan het publiek te tonen organiseert het Stedelijk Museum te Schiedam tegelijk met het verschijnen van de biografie van van der Vegt van 5 februari tot 29 april een tentoonstelling rond de veelzijdige kunstenaar. De tentoonstelling is, aldus de site van het Schiedamse museum ‘een uitgebreid overzicht van alle aspecten van zijn kunstenaarschap.

De jonge historicus Jan Bleyen promoveerde in 2009 aan de Leuvense universiteit met een proefschrift dat nu in publiekseditie uitgegeven is; Doodgeboren. Het boek gaat over hoe personen en instanties door de jaren heen omgegaan zijn met een levenloze geboorte en hoe mensen dit trachten te verwerken. Doodgeboren is een uitwerking van een eerdere geschiedenis van dood die Bleyen schreef; De dood in Vlaanderen. Opvattingen en praktijken na 1950.

Een collega van Bleyen meende dat je geen onderzoek kan doen naar de dood, zonder naar de andere ‘levensgrens’ te kijken; de geboorte. Bij een doodgeborene komen deze levensgrenzen samen. In vroeger tijden had het geloof, de kerk en het confessionele ziekenhuis een zeer grote invloed op de gang van zaken rondom een doodgeboren kind. Volgens Bleyen zorgde men er destijds grondig voor dat een doodgeborene zo snel mogelijk de overstap kon maken naar het hiernamaals. Door het kindje hier te houden, werd het gehinderd in het maken van die overstap. Spoed was dus geboden; een doodgeboren kind werd direct na de geboorte weggenomen en terwijl moeder herstelde van de bevalling brak vader thuis vast het wiegje af. Goed rouwen was loslaten. Doodgeborenen kregen dan ook geen naam, maar weren als ‘levenloos’ ingeschreven in het bevolkingsregister.

Door deze rigide benadering was het vroeger erg moeilijk voor mensen om afscheid te nemen van de doodgeborene. Het werd volgens Bleyen een soort spookje, in plaats van een dierbare herinnering. Hierdoor werd het juist een pijnlijke aanwezigheid in de levens van de ouders in plaats van iets dat afgesloten is. Bleyen zag dan ook in de loop van de geschiedenis een verandering richting de persoonlijke benadering. Mensen namen de rouw en de gang van zaken rondom het afscheid van het kind meer en meer in eigen hand. Instanties voeren overleg met ouders over de wensen. Vandaag de dag proberen mensen een vertelling te maken van het kind. Ze proberen het een verhaal te geven. Mensen maken foto’s en leggen thuis verzameldozen met herinneringen aan.

Voor zijn boek, dat als ondertitel Een mondelinge geschiedenis van rouw draagt, sprak Bleyen vele personen die het levenloos ter wereld komen van een kind van dichtbij hebben meegemaakt. Plusminus honderd mensen reageerden op zijn oproep. Allemaal vrouwen. Het viel de onderzoeker op dat bij het verwoorden van een dergelijke onthutsende ervaring de vrouw meestal het woord kreeg en nam. Mannen legden ten hoogste de praktische kant van de zaak aan Bleyen uit, maar wanneer ter sprake kwam hoe een en ander destijds beleefd was nam de vrouw het woord. Kennelijk is zij, vanwege haar lichamelijke betrokkenheid, de uitgelezen persoon om tekst en uitleg te verschaffen. Vaak waren de partners niet bij het vraaggesprek aanwezig of zaten ze alleen te luisteren. Bleyen geeft hierover geen oordeel, hij luistert naar de verhalen over vroeger en nu en stelt de veranderingen in benadering vast. Een benadering die inmiddels verschoven is van verzwijgen naar verbeelden.